Lilly

×Details

‘Mademoiselle, vous cherchez quelque chose?’
De stem van de vrouw is warm en diep. Ze was me bijna gepasseerd, samen met haar zwarte boodschappentas op wielen waar een grote pluim groen uitsteekt – het uiteinde van een bos wortelen, vers van de markt.
Iets in de manier waarop Fransen hun woorden in elkaar laten verglijden geeft me onmiddellijk het gevoel verliefd te zijn. De oudere dame die voor me staat is twee koppen kleiner dan ik. Ze draagt een kleurige rok tot over de knie, zwarte muiltjes met een klein hakje en een blouse die er zacht uitziet. Ze eet een ijsje, alleen het hoorntje is er nog van over, haar mondhoeken verraden dat het een bolletje chocolade moet zijn geweest.
‘Je ne parle pas Francais. Anglais?’
‘Non,’ ze schudt streng haar hoofd en heft haar hand op, ‘not enough.’
Ik overweeg te zeggen dat we het in het Frans kunnen proberen, dat ik best ‘un petit peu’, maar dat zij dan wel ‘lentement’.
‘Deutsch?’ vraagt ze dan.
Ik knik enthousiast. Duits is de taal van mijn vader, we kunnen beginnen.

Het stratenplan in mijn handen is opengevallen bij het vierde arrondissement. Miniatuurtjes van de Notre-Dame, Centre Pompidou, een groen vierkant voor Place des Vosges – ik zag die plekken vorige week allemaal in het echt, tijdens de eerste, korte wandelingen in en rondom het centrum. Later waaierde ik uit naar de buitenste arrondissementen, werden de wandelingen steeds langer.
‘Ich weiß nicht wo ich bin.’ Ik hoor hoe ik me verontschuldig. De vrouw neemt het boekje van me over, bladert en komt naast me staan. Van bovenaf zie ik hoe de wrong in haar grijze haar is vastgezet met een tiental minuscule speldjes.

‘Wir sind hier,’ zegt ze triomfantelijk. Porte Saint Denis, vakje X8. Ze wijst de straten aan waar we door omringd worden, draait met haar pink kleine cirkeltjes om aan te wijzen: noord, oost, zuid, west, ze vraagt me welke kant ik op moet.
Gentilly, het veertiende.
Ze slaat het boekje dicht en wijst naar een metrostation.
‘U-bahn Vier nach Chatelet, dort ändern.’
Ik zeg haar dat ik volgens de regels geen metro mag nemen. Dat ik al dagenlang wandel, kriskras door alle arrondissementen heen. Haar tong glibbert kort over haar lippen, langs de chocoladeranden die onveranderd blijven.
‘Paris zu Fuß? Pourqoi diable?’

Ik zeg haar dat er geen betere manier is om een stad te leren kennen dan er doorheen te wandelen, zoals ik dat de afgelopen dagen tegen alle Parijzenaren zei die me te hulp schoten. Ik zeg haar niet dat ik wandel omdat ik er niet mee kan stoppen. Ik doe het obsessief, hier en thuis, omdat ik iemand uit mijn bloedbanen te verdrijven heb. Het is al maanden geleden dat ik bij haar wegging, maar mijn fysiek lijkt zich maar niet van haar te kunnen ontdoen. De Amerikaanse essayist Katie Roiphe omschreef het gevoel van een relatie die uitgaat als een constante, kleine begrafenis in je achterhoofd, maar zij voelt eerder als kleverige motorolie onder mijn voetzolen, als plakkerig snot dat in korsten aan mijn organen plakt. Het schijnt een jaar te duren voordat iemand uit je lijf en als laatste uit je gedachten verdwijnt. Wanneer ik wandel, denk ik aan niets.

De vrouw schudt haar hoofd. Ze wijst recht vooruit. Als ik wil wandelen moet ik die kleine straat hebben. Het is niet de mooiste straat, van oudsher het territorium van hoertjes en hun pooiers, ik antwoord haar dat ik niets tegen hoeren en pooiers heb.
‘Een beetje vies, dat zijn de mooiste plekken in de stad,’ zegt ze met een brede glimlach die de chocoladerandjes laat barsten, ‘het herinnert ons eraan dat we ondanks ons verlangen goed te doen, gewoon nog dieren zijn.’

+Meta

Posted: 20 september 2018

Author:

Category: Uncategorised