‘Let's drop the big one!’

De nasleep van ‘9-11’: op zoek naar nieuwe coalities1.

No-one likes us, I don't know why,
We may not be perfect,
But heaven knows we try,
But all around,
Even our old friends put us down.
Let's drop the big one
And see what happens.


We give them money,
But are they grateful?
No, they're spiteful, and they're hateful
They don't respect us,
So let's surprise them,
We'll drop the big one
And pulverize them.


Asia's crowded and Europe's too old,
Africa is far too hot and Canada's too cold
South America stole our name
Let's drop the big one,
There'll be no-one left to blame us.


We'll save Australia,
Don't wanna hurt no kangaroo.
We'll build an all American Amusement park there,
They got surfin' too.


Boom goes London, boom Paris,
More room for you and more room for me
And every city the whole world 'round
Will just be another American town.
Oh, how peaceful it will be,
We'll set everybody free. [...]
They all hate us anyhow,
So let's drop the big one now.


– Randy Newman, ‘Political Science’, 1972



Hoeveel van de zes miljard wereldburgers zouden níét binnen enkele minuten, vervolgens binnen enige uren, en ten slotte na enkele dagen op de hoogte zijn geraakt van de aanslagen van 11 september 2001 op het wtc en het Pentagon - ook als je rekening houdt met het gegeven dat miljoenen mensen geen enkele toegang hebben tot moderne communicatiemiddelen? Het zullen er weinig zijn geweest. Dat is een fascinerende en tegelijk ook beangstigende gedachte. Aan de fascinatie waren we al enige tijd gewend: de vele natte dromen van een mondiaal netwerk van vrije communicatie en totale democratie, vooral ook de meer commerciële dromen van het Paradijs dat voor ons allen via de ‘New Economy’ bereikbaar zou worden - maar de angstdromen... daar waren we tot voor kort nog niet aan toe. Globalisering of mondialisering (ik gebruik voortaan de internationaal geaccepteerde term ‘globalisering’) had tot voor kort twee connotaties: het verwees ofwel naar die aan ict gekoppelde dromen, of het riep hevige kritiek en verzet op van groeperingen die overigens met behulp van diezelfde ict protesteerden tegen de economische uitbuiting en de sociale en ecologische vernietiging die gepaard gingen met de globalisering. Deze groeperingen, die zich vooral manifesteerden tijdens internationale topconferenties, werden al snel aangeduid als antiglobalisten en verwierven om uiteenlopende redenen in korte tijd de status van knuffeldier van de internationale media. Niemand wist het zeker, maar érgens leek er toch ook wel iets niet helemaal in orde met die eeuwig booming globale economie – en de antiglobalisten waren ons aller Teken aan de Wand. De gemiddelde westerse democratie koesterde haar antiglobalisten, zolang ze niet te dichtbij kwamen, en als ze massaal oprukten naar de eigen hoofdstad, dan werd het halve militaire apparaat ingezet om ze tegen te houden. Praag, Seattle, Genua. Wat de antiglobalisten levend hielden was de gedachte - de hoop, ook - dat het liberalisme niet, zoals Francis Fukuyama vlak voor de val van de Muur in 1989 had beweerd, overal had gezegevierd en zo een einde had gemaakt aan de geschiedenis als een geschiedenis van grote politieke en ideologische conflicten.2. De antiglobalisten deden manmoedige pogingen de wereld het ‘andere gezicht’ van dat liberalisme te laten zien, het gezicht dat verborgen blijft achter de maskers van de vrije markt en de democratie; het gezicht van de machinaties van wereldwijde monopolies en kartels, van financiële manipulatie en corruptie, van ecologische vernietiging en van grootschalige en extreem wrede uitbuiting in de vorm van kinderarbeid, economische wurgcontracten, quasi-legale vrijhandelszones, structurele armoede, enzovoort. De charme van de antiglobalisten bestond en bestaat erin dat zij anders dan de gangbare kapitalismekritiek geen eenduidig en kant-en-klaar politiek programma in de aanbieding hadden, sterker: zelfs hun benaming deed hun nauwelijks recht. ‘Antiglobalisten’ waren en zijn in meerderheid geen lokalisten of regionalisten die zich tegen globaliseringsprocessen verzetten en terug willen naar een wereld van gesloten nationale, regionale of tribale grenzen. De meeste antiglobalisten willen een ándere globalisering dan de huidige en beargumenteren dat op verschillende manieren en vanuit uiteenlopende perspectieven, dat van ecologische belangen, dat van sociaal-economische rechtvaardigheid, dat van culturele diversiteit en autonomie, of dat van mondiale politieke vrijheid en gelijkheid.


De primaire emotionele reflex van velen na ‘9-11’ (nu al een logo, om met Naomi Klein te spreken) was dat ‘de wereld nooit meer dezelfde zal zijn’. Ook een jaar later zijn er voldoende redenen om die reflex nog steeds serieus te nemen, alle bezinning en analyses ten spijt. Veel lijkt veranderd. Maar opvallend genoeg geldt dat in het bijzonder voor de antiglobalisten en hun kritiek op het functioneren van de wereldeconomie. Kort na de aanslag op het World Trade Center werd de Britse Noreena Hertz, docente aan de universiteit van Cambridge en auteur van The Silent Takeover3., een van de bekendste ‘manifesten’ van het antiglobalisme, herhaaldelijk gevraagd of de antiglobalisten iets te maken hadden met de aanslag. Zij reageerde fel en scherp: het feit dat globalisering als een van de onderliggende oorzaken van het moslimfundamentalisme werd aangewezen impliceerde immers allerminst dat de antiglobalisten meer gemeen zouden hebben met de fundamentalisten dan precies dat. Hetzelfde gold voor de moslimgemeenschappen overal op de wereld, die al te makkelijk met ‘het’ fundamentalisme werden geïdentificeerd, en dat weer met terreur.


Naomi Klein, auteur van No Logo4., een boek over de vergaande macht en invloed van het mondiale ‘corporate capitalism’, schreef een maand na de aanslagen dat veel politieke tegenstanders van het antiglobalistische activisme de symboliek van de aanslagen gebruikten om hun stelling te onderstrepen dat jonge activisten die guerrillaoorlogje speelden, nu te grazen waren genomen door een echte oorlog. ‘Antiglobalisering is achterhaald’, kopten verschillende bladen wereldwijd. De vaak in rellen uitmondende acties van antiglobalisten rond internationale topconferenties konden dankzij ‘9-11’ eenvoudig in verband gebracht worden met de nieuwe actualiteit van terreur en zo opgenomen worden in een nieuw programma van veiligheid en vergaande bescherming van burgers, maar vooral ook van gezagsdragers tegen het overal (en nergens) dreigende Grote Gevaar. Het leek erop dat de antiglobalisten voorlopig het zwijgen was opgelegd door een nieuwe mondiale agenda van terreur versus veiligheid, van een As van het Kwaad versus de Beschaving, tegen de achtergrond waarvan de ophef over minor issues als kinderarbeid of het broeikaseffect plotsklaps nogal kinderachtig aan leek te doen. Die nieuwe mondiale agenda leidde binnen enkele weken, toen onomstotelijk duidelijk leek te zijn geworden dat moslimfundamentalisten van Al-Qaeda achter de aanslagen zaten, tot een haast wereldwijde coalitie die onder aanvoering van de vs de strijd tegen de terreur ter hand ging nemen. Al snel viel daarbij in Amerikaanse kringen de term ‘oorlog’, en de meeste coalitiepartners sloten zich zonder veel gesputter aan bij het programma van een grootschalige war on terror. In Europa liepen daarbij de Britten voorop, en in het Midden-Oosten maakte Israëls premier Sharon gebruik van de nieuwe situatie door Arafats Palestijnse Autoriteit uit te roepen tot onderdeel van wat de Amerikanen al snel de ‘as van het kwaad’ noemden, een variant van Reagans ‘empire of evil’, ditmaal te begrijpen als een wereldwijd netwerk van terroristische activiteiten met strategische knooppunten in Afghanistan, Irak, Iran en Noord-Korea. En de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, leek Sharon te suggereren. Een jaar later is Sharons politiek in zoverre succesvol gebleken dat nu ook de Amerikanen expliciet aandringen op een Palestijnse toekomst zonder Arafat.


De ‘war on terror’ heeft na de eerste maanden, die met name in het teken stonden van de operatie in Afghanistan, een nogal onbestemde route gevolgd, die uiteindelijk meer vragen opriep dan dat zij nieuwe duidelijkheid schiep. Dat ‘alles anders’ is geworden na 9-11 valt kortom nog te bezien. Van een nieuwe wereldorde is zeker geen sprake, wel is een viertal kwesties pregnanter en dringender dan ooit op de voorgrond getreden. Dat is allereerst de bijzondere rol die de vs in de wereldpolitiek spelen sinds 1989. Meer dan door de Golfoorlog en het conflict op de Balkan is door de aanslagen in de vs zelf duidelijk geworden hoezeer de Amerikanen in de wereld een geheel aparte, letterlijk op zichzelf staande machtsfactor zijn, maar bovenal als geen andere natie symbool zijn van de heersende orde en machtsverhoudingen in de wereld. Ten tweede is nu meer dan tevoren duidelijk dat het fundamentalisme in zijn diverse uitdossingen geen voorbijgaand verschijnsel is dat alleen verwijst naar het religieuze verleden, en dat de strijd ertegen dus ook geen achterhoedegevecht is, zoals Fukuyama in 1989 nog veronderstelde. Niet hetzelfde als maar zeker verwant met dat fundamentalisme is de ongekende opmars van een nieuw, defensief en xenofoob nationalisme in Europa en de vs, maar ook elders in de wereld, dat voor 9-11 her en der al succesjes kende maar sindsdien een complete nieuwrechtse agenda heeft ontwikkeld rond kwesties als nationale veiligheid en identiteit. Ten slotte is door het gruwelijke spektakelstuk van de aanslag op het wtc duidelijk geworden dat terrorisme geen lokaal fenomeen (meer) is, maar een politiek instrument op wereldschaal is geworden. Terreur van dit type is een onbedoeld ingrediënt van de wereldwijde werkwijze en impact van de visuele media die niet anders kunnen dan de onmiddellijke impact van welke ramp of gruweldaad dan ook in woord en beeld op wereldschaal te laten resoneren. De vs, het fundamentalisme, nieuw rechts en het terrorisme: ziedaar de knooppunten van het netwerk van acute mondiale kwesties dat na 9-11 de agenda van de wereldpolitiek, maar zeker ook die van de politiek op nationale schaal, bepaalt.



America the beautiful


‘If the question of why people hate America is not new, it has acquired a new resonance since the events of 9-11. In particular, it brought out the sharp division between the politics of the left and right - a distinction that had all but collapsed in the 1990s under the influence of “liberalisation” and “globalisation”.’5. Aldus Ziauddin Sardar en Merryl Wyn Davies in hun boek Why Do People Hate America?, een van de vele publicaties die kort na 9-11 verschenen in een poging tot opheldering. Ditmaal een serieuze poging, de meeste andere boeken leken vooral bedoeld om de kassa van de uitgever te laten rinkelen, zoals een publicatie van de bekende trotskist Tariq Ali, met Bush uitgedost als Bin Laden op de cover, en Bin Laden als Amerikaans president op de achterflap. Sardar en Davies stellen in ieder geval de relevante vragen en zijn zich terdege bewust van de meer ‘ondergrondse’ en haast onbewuste factoren die een rol spelen in de complexe verhouding tussen Amerika en de rest van de wereld, en van de paradoxale aspecten van de Amerikaanse politieke én culturele dominantie in de wereld. Ook in Nederland sloten vlak na de aanslagen de rijen zich achter Bush en putten de meeste anders uiterst kritische intellectuelen zich uit in adhesieverklaringen aan Amerika en ‘het Amerikaanse volk’. Kritische geesten als Anet Bleich reageerden plots alsof er sinds d-day 1944 niets meer was voorgevallen in onze verhouding met de vs en meenden dat het zelfs taboe was om een verband te leggen tussen de aanslagen en de Amerikaanse rol in het Midden-Oosten. Politici die voorzichtig vraagtekens plaatsten bij de nieuwe ‘war on terror’ hoorden er ineens niet meer bij. En nog steeds, na bijna een jaar, lijkt kritiek op Amerika of de Amerikaanse politiek not done, zelfs als van die kant de meest absurde en bedreigende politieke en militaire voornemens worden geuit, zoals het volkomen geschifte invasieplan gericht op politieke en militaire bondgenoten in het geval dat Amerikaanse burgers of militairen het slachtoffer worden van internationale juridische vervolging. Juist op dit soort momenten wreekt zich de enorme kloof die er in feite gaapt tussen enerzijds het zelfbeeld van Amerika en de Amerikanen en hun visie op de rest van de wereld, en het beeld van Amerika dat de rest van de wereld eropna houdt. Wie het afgelopen jaar de berichtgeving in bijvoorbeeld de New York Times heeft gevolgd, moet hebben vastgesteld dat ‘de oorlog’ nog steeds voortduurt. Dag in dag uit worden de lezers op de hoogte gehouden van de stand van zaken in de ‘war on terror’ en Afghanistan is nog steeds voorpaginanieuws. Hoe anders is dat in de Europese media. Dat er nog steeds militairen actief zijn in het land van Al-Qaeda ontgaat Europeanen nagenoeg en geen mens heeft hier nog het besef in oorlog te verkeren. Maar ook de aanvankelijke kritische aandacht voor de manier waarop de Amerikanen omsprongen met de krijgsgevangen ‘terroristen’ op de Amerikaanse militaire basis op Cuba is inmiddels geheel vervlogen. De oorlog is voorbij. Alleen de Amerikanen, en misschien de Britten, zijn nog werkelijk in oorlog.


De wereldwijde coalitie tegen het terrorisme berust kortom op een vergissing, zo ook de onvoorwaardelijke solidariteit met Amerika en de Amerikanen. Maar hier is meer aan de hand. Het is immers allesbehalve zo dat de rest van de wereld zich nu van de Amerikanen heeft afgekeerd, ook niet dat de Europeanen genoeg hebben van de politieke rol van de vs. Het is vooral zo dat niemand een duidelijk alternatief voor die rol wil of kan leveren, wat met name blijkt uit de collectieve onmacht van de eu, de Arabische staten en Rusland om een relevante rol te spelen in het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Die onwil en onmacht staan echter niet los van de rol die de vs zelf claimen op mondiaal niveau. Die rol is onder de huidige Republikeinse regering-Bush in wezen gestoeld op isolationisme. Deze curieuze en nogal irrationele doctrine duikt om de zoveel jaren in de Amerikaanse politiek op en is eigenlijk de uitdrukking van een ongunstige balans in de relatie tussen de vs en de rest van de wereld. Of van een ongunstige perceptie van die balans. Door de aanslagen van 9-11 heeft Bush' isolationisme echter nogal perverse trekken aangenomen: de aanslagen vereisten immers dat er internationaal zou worden ingegrepen; de aanslagen noopten kortom tot een wijziging van de internationaal-politieke houding van de vs. In plaats daarvan scherpte de regering-Bush haar isolationisme nog eens aan en paarde het paradoxaal genoeg aan een extreem interventionistische politieke en militaire strategie op wereldschaal. Deze paradoxale mix van isolationisme en interventionisme is het werkelijk nieuwe aan de mondiale conditie na 9-11, en in het licht van de vraag waarom zovelen Amerika haten is het een uiterst verontrustend gegeven. Nooit eerder werd zo manifest dat de actieve aanwezigheid van de vs in de rest van de wereld berust op een weloverwogen eigenbelang en sterker nog: op een grotesk gebrek aan politiek en cultureel inzicht in, laat staan interesse voor complexe problemen elders in de wereld. Het permanente diplomatieke circus van elkaar op de schouders slaande en eeuwig lachende wereldleiders met de Amerikaanse president als stralend middelpunt is niet voor niets minder dan ooit voorpaginanieuws - meer iets voor een leuk fotootje op pagina vijf. Nixon en Mao, Reagan en Gorbatsjov, Kissinger in het Midden-Oosten: dat was wereldnieuws, maar Bush en Poetin, of Powell in Israël: het zal wel. Het verschil is duidelijk: Amerika maakt geen verschil meer. Het probleem is dat de Amerikanen terecht nog steeds worden gezien als machtsfactor nummer één in de wereld, maar dat zij tegelijkertijd geen specifieke inhoud meer aan die macht kunnen geven. Dat heeft naast politieke vooral ook culturele oorzaken: wat ooit aantrekkelijk aan Amerika was, is intussen voor velen gemeengoed geworden. Of zoals Sardar en Davies het formuleren: ‘[...] no one wants to hate American people. Who would want to hate Denzel Washington or Sydney Poitier, Halle Berry or Whoopi Goldberg, Muhammad Ali or Tiger Woods, John Steinbeck or Arthur Miller, Gore Vidal or Susan Sontag? What most people hate is “America”, the political entity based on authoritarian violence, double standards, self-obsessed self-interest, and an ahistorical naivety that equates the Self with the World.’6. Ook wie graag wat wijzigingen zou aanbrengen in beide rijtjes van ‘American people’ en de vs als politieke machtsfactor zal vermoedelijk toegeven dat de auteurs gelijk hebben wanneer zij stellen dat de haat jegens Amerika iets dubbels heeft, en altijd geclausuleerd is. We moeten hier een onderscheid maken tussen Europeanen en anderen. De (rijke) Europeanen baseren hun hekel (van haat is hier geen sprake) aan Amerikanen op de mythe van een ‘echter’ of ‘authentieker’ Europa: Amerikanen zouden de Europese cultuur verkwanseld c.q. vercommercialiseerd hebben en daarmee van elke ‘authenticiteit’ hebben ontdaan. Dit is overigens vooral een issue onder Europese intellectuelen, en ook daar niet onomstreden; niet-intellectueel Europa heeft de Amerikaanse cultuur enthousiast verwelkomd. Buiten Europa is de haat jegens Amerika heftiger, maar ook daar is hij vermengd met adaptatie van allerlei elementen van de Amerikaanse cultuur. In diverse Afrikaanse landen is hiphop extreem populair, een muzikale stroming die in de vs zelf overigens allesbehalve onomstreden is vanwege haar associaties met geweld en misdaad. Meer in het algemeen geldt dat wat uit Amerika komt vrijwel overal een culturele meerwaarde heeft, van Disney tot McDonald's, een culturele meerwaarde die echter tegelijk model mag staan voor de culturele overmacht van Amerika, voor het gegeven namelijk dat al die ‘weerloze culturele waarden’ van niet-Amerikaanse afkomst slachtoffer worden van de multimediale inprenting van de logo's en emblemen van Nike, Coca-Cola en Microsoft. Op dit punt vallen al snel termen als ‘cultureel kolonialisme’ of ‘imperialisme’, maar zulke begrippen doen nauwelijks recht aan de complexiteit van de verhoudingen tussen de vs, Europa en de rest van de wereld. In vele opzichten kun je bij die verhoudingen spreken van een double-bind-situatie, waarin twee of meer partijen tot elkaar veroordeeld zijn - beide partijen menen te profiteren van die onderlinge relatie, waarbij de macht van de ene partij ten goede lijkt te komen aan de behoeften van de andere, minder machtige partij, maar altijd ten koste gaat van de autonomie van die partij. De situatie is in feite nog ingewikkelder omdat Amerika voor twee verschillende zaken staat: allereerst voor de machtigste staat in de wereld, die op grond van die status bij voortduring betrokken is bij uiteenlopende conflicten, vooral in de rol van ‘politieagent’ of ‘bemiddelaar’, en daarnaast voor ‘moderniteit’, voor een moderne cultuur gebaseerd op individualisme en vrijheid. Op politiek gebied bestaat de double bind in de vrees dat de vs hun rol van bemiddelaar zullen misbruiken ten eigen voordele, of die rol niet objectief genoeg spelen. Dat laatste speelde gedurende de gehele Koude Oorlog, maar liet zich toen gemakkelijk legitimeren met een beroep op de strijd tegen het communisme. Sinds die machtige vijand is weggevallen staat Amerika naakter dan ooit op het podium van de wereldpolitiek en valt het verwijt van eigenbelang of bevooroordeeldheid moeilijker te pareren dan voorheen, wat vooral in het oog springt bij de rol die de vs in het Midden-Oosten spelen.


De culturele double bind is vermoedelijk nog complexer. America the beautiful is al meer dan een halve eeuw 's werelds grootste exporteur van het culturele pakket vrijheid, een pakket dat zeker een aantal fundamentele waarden bevat, maar dat zijn aantrekkingskracht vooral ontleent aan een overdaad aan culturele producten die moeten getuigen van het commerciële succes en de welvaart van autonome individuen. In dat pakket zitten vooral producten die de glorieuze lifestyle van die vrije individuen moeten uitdrukken (inderdaad: Nike, Coca-Cola, grote, snelle auto's, Microsoft), of die het plezier of amusement moeten representeren die met die lifestyle gepaard gaan (Hollywood, Amerikaanse televisie, popmuziek). Het wereldwijde succes van dat pakket is onmiskenbaar, maar heeft een keerzijde. Veel Europeanen ervaren het als een bedreiging van hun eigen, eeuwenoude beschaving, die ‘hogere’ waarden en ‘diepere’ culturele standaards heet te vertegenwoordigen dan het ‘platte’ consumentisme en de ‘oppervlakkige’ amusementscultuur van de Amerikanen. Veel niet-westerse volkeren ervaren de mix van amusementscultuur en commercie evenzeer als een bedreiging van de vaak toch al zwakke cohesie van hun eigen culturen en keren zich tegen het als ‘normloos’ beschouwde individualisme van de Amerikaanse marktsamenleving. Een dergelijke kritiek komt niet noodzakelijk alleen uit fundamentalistische hoek, maar valt juist ook te horen in kringen van niet-westerse intellectuelen en wetenschappers die al decennia in de vs of Europa werken en in feite actief deelnemen aan diezelfde Amerikaanse of westerse cultuur.


De culturele double bind wordt bovendien nog eens verscherpt of verdubbeld door de complexe relatie tussen de vs als politieke macht en de Amerikaanse cultuur. Hollywood, Coca-Cola en Disney zijn weliswaar door en door Amerikaans, maar je kunt moeilijk de Amerikaanse regering of politiek verantwoordelijk stellen voor de inhoud van die culturele producten. Toch gaan kritiek op de Amerikaanse politiek en verzet tegen de ontwrichtende effecten van de Amerikaanse cultuur vaak een duivels monsterverbond aan in de hoofden van degenen die zich slachtoffer van een van beide voelen. Washington = Hollywood = westerse cultuur = modernisering = vernietiging. Deze voor de hand liggende reeks schept een eenduidig en herkenbaar vijandbeeld, dat zeker recht doet aan de reële gevoelens van onmacht en aan de zeer werkelijke economische en culturele achterstelling van miljoenen niet-westerse individuen die in aanraking zijn gekomen met ‘Amerika’, maar zij gaat volkomen voorbij aan het feit dat de Amerikaanse samenleving en cultuur zelf extreem verdeeld zijn. Allereerst is Amerika een zeer religieus land, met een zeer actieve, zo niet activistische religieuze minderheid van miljoenen, die zich fanatiek keren tegen de ‘sex, drugs and rock-'n-roll’ en het consumentisme van de Amerikaanse populaire cultuur. Daarnaast weerspiegelt de Amerikaanse samenleving als een samenleving van migranten in feite de sociaal-economische en etnischculturele tegenstellingen die op wereldschaal bestaan: de enorme kloof tussen arm en rijk, de tegenstellingen tussen Engelstaligen en Spaanstaligen, én vooral natuurlijk de hopeloze situatie waarin de meerderheid van de zwarte bevolking van de vs leeft. Intern heeft Amerika kortom te maken met een fundamentalistische christelijke minderheid ter rechterzijde en een hele verzameling politieke en culturele opponenten en criticasters min of meer ter linkerzijde, die kwesties als raciale segregatie, uitbuiting van de niet-westerse wereld of het ‘cultuurimperialisme’ aan de kaak stellen. Ironisch genoeg fungeert daarbij de populaire cultuur zelf als belangrijk voertuig: hiphop en gangstarap zijn én commercieel uiterst succesvolle muziekgenres gebleken, zowel in de vs als internationaal, én zijn tegelijk uitgegroeid tot zeer omstreden cultuurgoed, onder meer vanwege hun expliciete verzet tegen blanke dominantie en hun affiliaties met bijvoorbeeld de Nation of Islam en hun koketteren met geweld en criminaliteit.


De problematische double bind tussen de vs en hun opponenten werd met de aanslag op zowel het wtc als het Pentagon in één klap opgeblazen. Als we ervan uitgaan dat de terroristen ook werkelijk de bedoeling hadden juist die twee gebouwen te treffen, dan hebben zij daarmee zowel de vs als politieke machtsfactor, als Amerika als cultureel en economisch ideaal willen treffen. Hier geen enkele dubbelzinnigheid: deze aanslagen wijzen Amerika in zijn geheel af - in zekere zin treffen ze het Westen als zodanig. De reactie was aanvankelijk dienovereenkomstig: een door het Westen gedomineerde coalitie ging het gevecht met de fundamentalistische terreur aan. Maar in het verdere verloop van de ‘war on terror’ doken de sporen van de double bind weer op, met name in de houding van de vs zelf ditmaal. Al voor de aanslag had de nieuwe regering-Bush duidelijk gemaakt dat er een nieuwe wind zou gaan waaien op het vlak van de buitenlandse betrekkingen en de internationale politiek. De weigering het Kyoto-protocol te ondertekenen was een eerste teken, de terughoudende houding in het Midden-Oostenconflict een tweede. En de snelle afbetaling van de schulden aan de vn na de aanslagen bleek algauw een zuiver tactische operatie in het kader van de coalitie tegen het terrorisme. Sindsdien is het isolationisme c.q. de ‘alleingang’ van de vs in de wereldpolitiek nadrukkelijk bevestigd, zo niet verhevigd, ondanks de intussen voortgaande ‘war on terror’ - maar in wezen is deze oorlog ook steeds meer een zaak van de Amerikanen alleen geworden, om niet te spreken van een Amerikaanse obsessie. Zie hier hoe de double bind momenteel uitpakt voor de machtigste partij: op alle punten lijkt Amerika zich terug te trekken uit een als vijandig en onveilig ervaren buitenwereld, getuige de aanhoudende weigering mee te werken aan het Internationale Strafhof uit angst dat Amerikaanse staatsburgers in de uitoefening van hun internationale(!) verplichtingen het slachtoffer van vervolging zouden kunnen worden. Geheel in tegenspraak met de vrijhandelsidealen van de Republikeinen koos de regering-Bush bovendien voor economisch protectionisme ten gunste van de Amerikaanse staalindustrie. Opvallend was ook de denigrerende wijze waarop de navo-partners werden behandeld in het verloop van de ‘war on terror’. Buiten proporties was vooral het al genoemde idiote invasieplan. Voor het eerst waren nu ook kritische geluiden van Britse kant hoorbaar. De verrassende denunciatie ten slotte van Yasser Arafat als politiek leider van de Palestijnen is niet alleen het voorlopig laatste incident in een reeks van opvallend eigenzinnige en op bekrompen eigenbelang (de regering-Bush heeft nog weinig aanhang onder het joodse electoraat, onder meer in Florida, waar broer Jeb Bush graag herkozen wordt als gouverneur) gestoelde politieke beslissingen van de Amerikaanse regering, ze bevestigt vooral de onmacht van althans deze Amerikaanse regering om nog werkelijk verschil te maken in de wereldpolitiek. Wat de vs nodig hebben om dat verschil te maken is niets anders dan een duidelijke vijand - en ze hebben die vijand voorlopig gevonden in het internationale terrorisme, met name van islamitisch-fundamentalistische snit. De vs pogen in feite op haast wanhopige wijze waar te maken dat die vijand ook echt bestaat. Afghanistan en de antraxbrieven waren bewijsplaats nummer één, de brieven zijn intussen afgevallen, en Afghanistan lijkt weliswaar gezuiverd van Al-Qaeda-leden, maar Bin Laden lijkt alive and kickin' ergens in Pakistan. Dus wordt de ‘war on terror’ voortgezet met een beroep op het bestaan van een ‘as van het kwaad’, zoals gezegd een oude truc van Reagan. Allerlei deskundigen menen dat dit politiek-ideologische leerstuk vooral voor binnenlands gebruik zou zijn; dat is zeker óók het geval, maar het is te vrezen dat een deel van de huidige Amerikaanse politieke elite werkelijk meent dat het tijd is voor een Grote Afrekening met het Kwaad; een andere reden voor de Amerikaanse suprematie en internationale dominantie is namelijk niet langer te geven. De isolationistische impuls vormt de keerzijde van deze nieuwe politieke houding, en in zekere zin de meer realistische kant ervan: met het isolationisme lijkt de Amerikaanse politiek in zekere zin toe te geven dat er in de wereldpolitiek geen bijzondere rol meer is weggelegd voor de vs. De strijd tegen het communisme ligt achter ons, er zijn steeds minder landen die althans in naam nog geen democratie zijn, de ‘vrijhandel’ (i.e. de invloed van twee dozijn westerse en vooral Amerikaanse multinationale ondernemingen en kartels) heeft de hele wereld in zijn greep, en de Amerikaanse cultuur heeft zich zozeer verbreid over de globe dat tegenwoordig andere volkeren beter dan de Amerikanen zelf ‘Amerikaanse cultuur’ (soaps, speelfilms, popmuziek, jazz & blues, musicals, pretparken, enzovoort) weten te maken. Wat we kortom voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog meemaken is een Amerikaanse politiek en cultuur in de verdediging. Wat het trauma van Vietnam niet wist te bewerkstelligen werd gerealiseerd door de aanslagen van 11 september 2001. Ditmaal lijkt de identiteitscrisis van de Amerikanen zodanige vormen aan te nemen dat zij in reactie op de aanslagen door fundamentalistische moslims zelf lijken terug te vallen op een vorm van fundamentalisme...



Mc World versus Jihad


Fundamentalisten noemen zichzelf geen fundamentalisten. De term zelf is een poging tot plaatsbepaling door derden, door wetenschappers in het bijzonder. Het is een containerbegrip dat verschillende vormen van (doorgaans religieus gemotiveerd) verzet tegen modernisering onder één noemer poogt te brengen. Volgens Karen Armstrong in haar in 2000 verschenen wetenschappelijke bestseller The Battle for God7. is fundamentalisme in alle godsdiensten steeds weer voortgekomen ‘uit de angsten, zorgen en verlangens waarmee mensen vaak reageren op de problemen die het leven in de moderne, seculiere wereld met zich meebrengt’. Fundamentalisten ‘zijn verwikkeld in een conflict met vijanden, die door hun secularistische visie en beleid een bedreiging lijken te vormen voor de godsdienst zelf. Fundamentalisten zien dat gevecht niet als een conventionele, politieke strijd, maar ervaren het als een kosmische oorlog tussen de machten van goed en kwaad’. Fundamentalisme is kortom een modern verschijnsel, een reactie op de destructieve of als destructief ervaren kanten van moderniseringsprocessen, die in het bijzonder ondermijnend werkten op de culturele samenhang van gemeenschappen die door deze processen werden ‘opengebroken’. Die samenhang werd in hoge mate mede vormgegeven door religieuze praktijken en instituties. Fundamentalisme is niet per se een reactie op extreme armoede of op het feit dat bepaalde volkeren of gemeenschappen economisch worden ondermijnd of aangetast door moderniseringsprocessen. In de allerarmste regio's van de wereld speelt fundamentalisme een veel minder opvallende rol dan juist in die gebieden waarin ook de relatief positieve gevolgen van de modernisering zichtbaar zijn geworden: Noord-Afrika, het Midden-Oosten en delen van Azië, en in migrantengemeenschappen in Europa. Kortom: juist daar waar het contact met de moderne cultuur en ook met de economische en andere zegeningen ervan (toename van de welvaart, liberalisering van de zeden en gewoonten, amusementscultuur, enzovoort) het verst ging, maakte het fundamentalisme de grootste opgang. Het fundamentalisme schermt zich af tegen de openheid, de chaos en de vele twijfels die de moderne cultuur met zich meebrengt en transformeert de eigen religieuze traditie tot een heuse wetenschap die objectieve waarheden vertegenwoordigt, in de hoop zo tegenwicht te bieden tegen de verleidingen van de moderniteit. Fundamentalisten vrezen dat hun geloof zal worden uitgeroeid en pogen hun bedreigde identiteit te versterken door een selectieve herintroductie van bepaalde dogma's en praktijken uit het verleden, aldus Armstrong. Gedwongen of versnelde modernisering kan daarbij een extra stimulans zijn, vooral daar waar de nieuwe verworvenheden van die modernisering niet opwegen tegen de negatieve gevolgen ervan. Ook het feit dat allerlei niet-westerse landen in en na de dekolonisatie een speelbal werden in de Koude Oorlog tussen Oost en West, in een conflict met andere woorden dat hen in vele opzichten niet direct aanging, en dat in vele gevallen alleen maar negatieve gevolgen voor hen had, is een voedingsbodem voor fundamentalisme en de ermee verbonden haat- en angstgevoelens geworden.


Ten slotte moet, zoals al opgemerkt, de huidige globalisering als een belangrijke aanjager worden beschouwd in het proces waarin economische en culturele tegenstellingen op wereldschaal versterkt worden. De onvoorspelbaarheid en snelheid van financiële en economische operaties op wereldschaal, de toegenomen flexibiliteit en openheid van markten en arbeidsverhoudingen en vooral ook de ongrijpbaarheid van met name economische machtsverhoudingen hebben aan elke stabiliteit en continuïteit van lokale verhoudingen en verbanden definitief een einde gemaakt, en daarmee ook aan de betekenis van traditie überhaupt. Fundamentalisme moet daarbij niet gezien worden als een poging naar die traditie terug te keren, maar veeleer als een poging die traditie te vervangen door iets, een geloofsvorm, een reeks dogma's en voorschriften, dat wel in staat is zich te verweren tegen de ondermijnende kracht van de globalisering, als meest extreme vorm van modernisering. Fundamentalisme zoekt naar stabiliteit, naar cohesie, naar nieuwe fundamenten in een mondiale context die voorgoed heeft afgerekend met alle traditionele fundamenten. Daarbij wordt doorgaans teruggegrepen op elementen uit de (religieuze) traditie, die uit de oorspronkelijke culturele context worden losgemaakt en verabsoluteerd. Geïsoleerde en opgeblazen fragmenten uit één traditie (die als de eigen traditie wordt beschouwd) worden in een nieuw, defensief, zuiver en homogeen ideologisch verband aaneengesmeed tegenover de alomtegenwoordige tendens tot vermenging of hybridisering van culturen, die zo kenmerkend is voor moderniserings- en globaliseringsprocessen.


Armstrong en met haar diverse andere godsdiensthistorici verbinden fundamentalisme consequent met religie. De meest opvallende vormen zijn dan ook die van het islamitische, het christelijke en het joodse fundamentalisme. Maar het verlangen naar onbetwijfelbare fundamenten en naar een zuivere collectieve identiteit en gemeenschap hoeft niet altijd religieus te worden onderbouwd. In een interview met de Volkskrant op 13 oktober 2001 stelt de Catalaanse socioloog Manuel Castells dat fundamentalisme ook ‘nationalistisch [kan] zijn. Kijk naar Milosevic met zijn groot-Servische gedachte en het idee van de etnische schoonmaak dat onverbrekelijk bij de doctrine hoort: de ongelovigen moeten worden uitgedreven’. De Amerikaanse politicoloog en auteur van het inmiddels wereldberoemde Jihad vs. McWorld, Benjamin Barber, gaat nog een stap verder door te spreken van ‘kapitalistisch fundamentalisme’. In zijn na 11 september geschreven nieuwe voorwoord bij het boek plaatst Barber dit ‘marktfundamentalisme’ in het licht van de globalisering.8. Daarin is sprake van een strijd tussen Jihad, ‘the forces of disintegral tribalism and reactionary fundamentalism’, en McWorld, ‘the forces of integrative modernization and aggressive economic and cultural globalization’. De fundamentalisten van de Jihad handelen in principe niet anders dan die van McWorld:


‘Terrorism turns out to be a depraved version of globalization, no less vigorous in its pursuit of its own special interests than are global markets, no less wedded to anarchist disorder than are speculators, no less averse to violence when it serves their ends than marketers are averse to inequality and injustice when they are conceptualized as “the cost of doing business”.’


In feite vergelijkt Barber hier kapitalistische speculanten met terroristen, en niet met religieuze fundamentalisten, en ook al lijkt hij een punt te hebben wanneer hij het gokken op chaos, wanorde of anarchie ziet als iets dat bepaalde kapitalisten gemeen hebben met terroristen, dan is en blijft ‘gokken op anarchie’ nog altijd principieel en vooral moreel iets anders dan het bewust uitlokken of stichten van chaos middels terreurdaden. Een sterker punt in zijn redenering is dat hij wijst op het potentieel ondemocratische karakter van ‘McWorld’: kapitalisten mogen vaak democraten zijn, het kapitalisme heeft de democratie niet echt nodig om zelf succesvol te zijn. Vaak staan beide op gespannen voet: Chili, Panama, Singapore en China bewijzen dat vrije markten prima kunnen functioneren zonder democratische instituties. Hier kunnen we nog een stap verder gaan: zelfs vrije markten op zich zijn geen levensnoodzaak voor kapitalistische ondernemingen; in veel gevallen streven zij er nu juist naar een zodanig monopolie te verwerven dat de ‘zegenende werking’ van de markt uitgeschakeld kan worden. Het is kortom niet goed mogelijk kapitalisten ervan te beschuldigen ook een soort fundamentalisten te zijn, anders dan dat zij steeds pogen niet alleen marktleider te worden, maar soms ook geneigd zijn de hele markt over te nemen. Desondanks maken de opmerkingen van Castells en Barber over het fundamentalisme het ons mogelijk de impact en de oorsprong ervan te onderzoeken zonder onmiddellijk aan godsdienst te denken, en dat zou toch wel eens een ware eye-opener kunnen zijn. Als rotsvaste fundamenten en een gezuiverde identiteit de hoekstenen van een fundamentalistische houding zijn (en dat zijn allebei typisch antimodernistische leerstukken), en hun activering en verbreiding duidelijk in het teken staan van een vorm van ressentiment, een gevoel kortom van relatieve machteloosheid, van isolement of in de steek gelaten worden, van niet begrepen worden en van eigen falen, gekoppeld aan haatgevoelens jegens ‘al die anderen’, dan is de huidige Amerikaanse regering een belangrijke kandidaat voor het label ‘fundamentalistisch’. We moeten hier zeker waken voor psychologisering van de huidige politiek van de vs, het is te makkelijk om politieke besluitvorming te reduceren tot de gevoelshuishouding van Amerikaanse politici of van Amerikanen in het algemeen. Desondanks is de politieke retoriek van de Amerikanen meer dan veelzeggend: ‘je bent voor ons of tegen ons’, ‘de duivel heeft ons aangevallen’, aldus Bush na de 11e september. Armstrong: ‘Fundamentalisten zien het gevecht niet als een conventionele strijd, maar ervaren het als een kosmische oorlog tussen de machten van goed en kwaad.’ De ‘as van het kwaad’, die niet veel later door Bush werd geïntroduceerd, bevestigt dit beeld. Ook het religieus fundamentalisme leeft van een overdaad aan retoriek, en als formules als ‘de as van het kwaad’ alleen voor binnenlands gebruik waren, dan zou de huidige houding van de Amerikaanse regering jegens haar bondgenoten en de rest van de wereld er toch wel heel anders uit moeten zien dan het geval is: nog steeds groeit de verbazing, zo niet verbijstering over de wijze waarop de vs omspringen met het Internationale Strafhof, en over de merkwaardige ‘alleingang’ in de voortgaande oorlog tegen ‘terreur’. Het is kortom nogal beangstigend te bedenken dat een dergelijke houding in de internationale politiek alleen gemotiveerd zou zijn door ‘binnenlands gebruik’, dat wil zeggen door de behoefte de Amerikaanse bevolking gerust te stellen of tegemoet te komen. Dat zou inderdaad wijzen op fundamentalistische tendensen in de Amerikaanse politiek of bij het Amerikaanse electoraat. Kan het zijn dat Amerikanen, en in het bijzonder Amerikaanse leiders en politici, zich onbegrepen voelen door de rest van de wereld, dat zij zich in het isolement gedrongen of in de steek gelaten voelen, ja, dat zij zich machteloos voelen? Wij denken dat dat zeker mogelijk is, en ook dat dat een reëel gevaar is voor de rest van de wereld. Ook al gaat het wellicht te ver om de huidige Amerikaanse regering ronduit van fundamentalisme te beschuldigen, tekenen ervan vertoont ze zeker.



Fundamentalisme en nieuw rechts


Fundamentalistische tendensen in de Amerikaanse politiek: de neiging de rest van de wereld als bedreigend te beschouwen, de idee dat Amerika voor ‘het goede’ staat en het de rijen dient te sluiten om zich te verweren tegen ‘het kwaad’ dat van elders komt, een nadrukkelijk wantrouwen jegens het gedrag van zijn eigen bondgenoten, dat alles kan natuurlijk het min of meer toevallige resultaat zijn van min of meer onbeslist gebleven verkiezingen en van de even min of meer toevallige coterie rond George Bush jr., of niet meer dan een tijdelijke reactie op de gruwelijke aanslag op New York en Washington. Dat kán zo zijn, maar is het ook zo? De recente ontwikkelingen in Europa wijzen in ieder geval in een andere, meer verontrustende richting. Die richting wordt zichtbaar als we de term ‘fundamentalisme’ loskoppelen van zijn religieuze connotaties, zoals Castells en Barber al deden, en vervolgens een historische vergelijking maken met de rol die het fascisme ruim een halve eeuw geleden in Europa speelde. Om onmiddellijke demonisering te vermijden gaan wij nu op het fascisme in zonder daarbij de holocaust te betrekken. Antisemitisme speelde in veel fascistische bewegingen een rol, in vele ook niet, soms was het een vorm van uitgesproken haat jegens joden, soms meer onderdeel van een meer algemene vorm van xenofobie - in ieder geval vormde het niet de kern van de ideologie van vele fascistische bewegingen in Europa, afgezien natuurlijk van het Duitse nationaal-socialisme. Ook nu speelt antisemitisme een rol in de opkomst van een nieuwrechtse beweging in Europa, maar meer dan tevoren zijn daarbij ‘joden’ symbool voor een veel algemenere vorm van xenofobie en vreemdelingenhaat geworden.


De etnische zuiveringen in voormalig Joegoslavië, het antisemitisme in Hongarije, de vrij algemene haat en het geweld jegens ‘zigeuners’ in met name Tsjechië en Slowakije, het extreme anti-Albanese en anti-Macedonische nationalisme in Griekenland: op het eerste gezicht ben je wellicht geneigd het allemaal op het conto te schrijven van lokale condities en specifieke culturele omstandigheden, maar dat verklaart niet waarom xenofobe en racistische bewegingen en tendensen zich de laatste jaren ook succesvol manifesteren in gevestigde liberale parlementaire democratieën met een lange en stabiele geschiedenis, zoals Frankrijk, Nederland, Denemarken of België. Of Oostenrijk, waar fascisme na de Tweede Wereldoorlog werkelijk tot een totaal taboe was verklaard en waar toch (of juist daarom) een politicus succes had die het fascisme haast uitzweette: Jörg Haider. In België werd mede dankzij de aloude taalstrijd het Vlaams Blok een prominente politieke factor, met Philip de Winter als charismatische voorman van een extreem xenofobe beweging. In Nederland bleef nieuw of extreem-rechts altijd verwaarloosbaar, tot na 11 september. Na de aanslagen op wtc en Pentagon kwamen extreem-rechtse en xenofobe sentimenten plots samen met een al langer door politici als Bolkestein verwoord populair ongenoegen over de multiculturele samenleving als zodanig: een samenleving namelijk die het resultaat was van het door jaren-zestig-sentimenten gedomineerde gedoogbeleid dat Nederland al veel te lang in de greep zou hebben. Maar zoals gezegd: Nederland bleek na 9-11 allesbehalve uniek: een nieuwrechtse revolte lijkt Europa te overspoelen - te beginnen in Frankrijk.


Nieuw rechts in Europa is niet noodzakelijk fundamentalistisch. Om te beginnen is het overal anders en ontbeert het de ideologische eenduidigheid die kenmerkend is voor fundamentalistische bewegingen. In Denemarken is het gekoppeld aan anti-etatistische en anti-Europese sentimenten, in Italië is het terug te vinden in drie politieke uitdossingen, die elkaar aanvullen ofschoon ze elkaar deels ook uitsluiten: het separatisme van de Lega Nord, het ‘respectabele’ neofascisme en het populistische radicale liberalisme van Berlusconi. In Vlaanderen is het weer vermengd met extreem nationalistische elementen, in Nederland is het succes vooral te danken aan het charisma en de mediageniekheid van één persoonlijkheid, die als politieke querulant de sluimerende onlustgevoelens jegens ‘de’ politiek en tegen ‘de’ migranten in het algemeen op unieke wijze wist te vermengen tot een ideologisch moeilijk te plaatsen populistische cocktail. Toch heeft Europees nieuw rechts een aantal markante eigenschappen, die overal terugkeren: het is per definitie xenofoob, het heeft als meest uitgesproken politieke eis veiligheid, het cultiveert de nationale identiteit en het komt op voor ‘gewone (vooral autochtone) mensen’, voor de doorsneeburger die zichzelf verdoold acht in de nieuwe en onvoorspelbare ‘multiculturele’ samenleving. Deze kenmerken tezamen genomen, gecombineerd met de cruciale rol van een charismatische leider die nadrukkelijk als ‘redder’ optreedt (Fortuyn, De Winter en Haider), heeft de huidige nieuwrechtse beweging vrij veel gemeen met het fascisme van de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw. Het lijkt erop dat één element ontbreekt: het militarisme dat zo kenmerkend was voor Mussolini, Franco en Hitler, en het daarmee verbonden verlangen naar een ‘sterke staat’. Er marcheren geen militanten door de straten, en zelfs de meest openlijk racistische bewegingen onder nieuw rechts, het Franse Front National en het Vlaams Blok, hebben geen opvallende traditie van politiek geweld. Meer dan de twintigste-eeuwse fascisten poseert Europees nieuw rechts als een fatsoenlijke, democratische beweging voor nationale veiligheid en een zuivere nationale identiteit, maar net als de klassieke fascisten leeft nieuw rechts van antipolitieke en antibureaucratische sentimenten, van kritiek op een dirigistische en bureaucratische overheid en op de ‘geldverslindende’ en ‘ondemocratische’, onbereikbare Europese instituties.


‘9-11’ heeft nieuw rechts een enorme impuls gegeven door de tot dan toe nogal diffuse en ongerichte vijandbeelden samen te smeden tot één uiterst zichtbare en identificeerbare vijand: de islam. Verspreide en doorgaans onmiddellijk omstreden uitspraken over de islam als een bedreiging van de westerse beschaving, zoals Berlusconi's opmerking dat het een achterlijke beschaving betreft of Bolkesteins uitspraak dat de moslims geen Verlichting hebben gekend zoals het christelijke Europa die wel heeft doorgemaakt, vielen plotseling op hun plaats in de volkomen onomstreden kruistocht tegen de terroristen van Al-Qaeda. Ineens leek het enkele jaren eerder gepubliceerde boek van Samuel Huntington, The Clash of Civilizations, het meest realistische scenario voor de nabije toekomst te bevatten: een oorlog tussen twee radicaal verschillende beschavingen. En als het nieuwrechtse nationalisme in Europa, tezamen met het huidige half isolationistische en half fundamentalistische buitenlandse beleid van de vs jegens ‘de as van het kwaad’, zichzelf de komende tijd weet te handhaven, dan lijkt zo'n oorlog tussen beschavingen inderdaad tot de gruwelijke mogelijkheden te behoren. Voorlopig echter lijkt er vooral sprake te zijn van een interne politieke strijd - zowel in de westerse als in de islamitische wereld. Net zomin als nieuw rechts de dominante politieke factor in Europa of de vs is, is het fundamentalisme dat in de islamitische wereld. In Iran speelt zich bijvoorbeeld al jaren een fascinerend en sluimerend politiek conflict af tussen democratische en moderniseringsgezinde krachten enerzijds en de fundamentalistische dogma's van de mullahs anderzijds. Algerije en Egypte worstelen met hun fundamentalisten én met de politieke legitimiteit van hun regeringen. Arafat heeft meer last dan profijt van de Hamas- en andere terroristen.


Iets dergelijks geldt ook voor de Europese situatie: meer dan een frontaal conflict met de islam groeit hier de interne politieke en ideologische verdeeldheid. Net als in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, toen de opkomst van het fascisme was ingebed in een breder ideologisch klimaat waarin cultuurpessimisme en conservatisme juist ook in intellectuele kringen opgang maakten, bloeit ook nu de conservatieve intellectuele cultuurkritiek. Zoals gezegd: ideologisch gaat het om een nogal diffuus verschijnsel, zeker als we ons tot Nederland beperken. Wel is het koor van cultuurpessimisten en de toon die het aanslaat sinds ‘9-11’ groter en duidelijker geworden. Het meest opvallend was natuurlijk de ideologische implosie van het paarse kabinet, dat in ieders ogen met hoge waarderingscijfers de eindstreep leek te gaan halen, maar dat sinds de terreuraanslagen in de vs ineens werd overspoeld met kritiek uit vrijwel iedere ideologische hoek. Vooral het ‘apolitieke’, technocratische en ideologisch neutrale karakter van het paarse compromis en zijn cultuurpolitieke waarmerk, het zogeheten ‘gedogen’, moesten het ontgelden. Dat sluit aan bij een dieper liggende stroom van cultuurpessimisme, dat de laatste jaren en vooral na 9-11 werd verwoord door uiteenlopende essayisten, columnisten en wetenschappers: Frits Bolkestein, Paul Scheffer, Jos de Beus en anderen hekelen al jaren de neiging van vooral linkse beleidsmakers en intellectuelen om de problemen van de ‘multiculturele samenleving’ uit de weg te gaan. In plaats daarvan braken zij een lans voor een meer confronterende houding: meer nadruk op snelle culturele integratie van minderheden, meer trots en nadruk op de eigen, nationale identiteit en culturele erfenis. Scheffer riep de intellectuelen zelfs nadrukkelijk op hun aloude civiliserende taak weer serieus te nemen. Dergelijke kritiek kreeg een veel militantere verwoording in de geschriften van Trouw-redacteur Jaffe Vink en Elsevier-columnist Pim Fortuyn, die allebei tot een regelrechte confrontatie met ‘de islam’ opriepen. Onze veiligheid én onze zeden en gewoonten stonden acuut op het spel, de verloedering greep om zich heen. En recent sloot Volkskrant-redacteur Michaël Zeeman zich bij het cultuurpessimistische koor aan in een frontale aanval op Nederlandse intellectuelen, die zich in zijn ogen hebben neergelegd bij de teloorgang van de culturele elite en dus bij de culturele en ideologische verloedering van het land. Behalve de islam en de migratie wordt daarbij ook nogal eens de commercialisering van de cultuur aangewezen als destructieve factor. Daarbij wordt doorgaans gewezen op de toegenomen invloed van commerciële televisiezenders, de opmars van de pretparkencultuur, de dominantie van de Amerikaanse amusementscultuur en de popmuziek, kortom: de dominantie van een strikt hedonistische cultuur en leefwijze, aangestuurd door de overmachtige en anonieme wereldmarkt. Het afgelopen jaar trokken leden van de beweging ‘Stop de uitverkoop van de beschaving’ langs de universitaire podia in Nederland met een sterk communitaristisch getinte boodschap: tegen de markt, tegen het hedonisme, tegen het gedogen, en voor een terugkeer naar gemeenschapszin, spiritualiteit en traditionele normen en waarden. Het programma waarmee Pim Fortuyn vervolgens politiek succes had, verschilt niet zo heel sterk van de cultuurkritiek van deze mede door de Socialistische Partij gestarte beweging van kritische intellectuelen. Alleen Fortuyns grote nadruk op ondernemerschap en particulier initiatief onderscheidde zich van de meer pastorale houding die uit het manifest ‘Stop de uitverkoop’ sprak - waarmee beide overigens nadrukkelijk refereerden aan de mythe van de kleinschalige en relatief homogene, gesloten samenleving van de jaren vijftig: het tijdperk van voor de migratie, maar ook van voor de amerikanisering en het hedonisme van de jaren zestig!



Veiligheid, angst en terrorisme


Het ideologische landschap is na ‘9-11’ nadrukkelijk veranderd. Aan het optimistische en door de ict-revolutie sterk aangewakkerde sociaal-liberale klimaat in Europa en de vs is vermoedelijk voor langere tijd een eind gekomen. Sociaaldemocraten maken overal plaats voor conservatieven uit christelijke, nationalistische of rechtsliberale hoek. Hier en daar slaagt nieuw rechts erin om zelf een stempel op de politieke besluitvorming te drukken. De hoofdrol in dit proces wordt heel nadrukkelijk gespeeld door het thema van de veiligheid. Het is het thema dat fundamentalistische bewegingen en nieuw rechts gemeen hebben met de intellectuele cultuurpessimisten en -critici en dat de kern zou kunnen gaan vormen van een sterke conservatiefcommunitaristische coalitie, die de politieke agenda op verschillende plaatsen in de wereld kan gaan bepalen. Het probleem van het veiligheidsthema is zijn ongrijpbaarheid: onveiligheidsgevoelens kunnen gemakkelijk met de meest uiteenlopende processen worden verbonden, met sociaal-economische onzekerheid, met culturele en etnische spanningen, met criminaliteit (‘zinloos geweld’), met de onvoorspelbaarheid van globaliseringsprocessen en de grillen van de wereldmarkt, én met het al even ongrijpbare fenomeen van het terrorisme. Een zekere mate van onveiligheid en onzekerheid is in open samenlevingen onvermijdelijk. De belangrijkste verklaring voor de ongrijpbaarheid van de veiligheidsproblematiek is echter gelegen in het feit dat zij allereerst een zaak van onze culturele verbeelding is. De toename van onveiligheidsgevoelens hangt dan ook in hoge mate samen met een belangrijke verandering in de organisatie en beïnvloeding van die verbeeldingswereld. Met name de historicus Mike Davis en de etnograaf Arjun Appadurai9. hebben hier de laatste jaren op gewezen. De eerste wees er met zijn notie van een ecology of fear op dat de beleving van onze alledaagse leefwereld meer dan ooit tevoren wordt beïnvloed door de moeilijk te controleren beeldvorming daarvan door de visuele media, in het bijzonder de televisie. Die media benadrukken met name spectaculaire gebeurtenissen, en dat zijn vaak ook gewelddadige gebeurtenissen, zoals rampen, ongelukken en criminaliteit. Het kan gaan om etnisch geweld, of om afrekeningen in de wereld van de georganiseerde misdaad, maar ook om alledaagse zaken als kleine criminaliteit, verkrachting, ‘zinloos geweld’ en dergelijke. Soms groeien zulke gebeurtenissen uit tot nieuwe, invloedrijke urban myths die een langdurige emotionele impact hebben, zoals de Rodney Kingrellen in Los Angeles, de dood van Lady Di, de Dutroux-affaire of de moord op Fortuyn. Appadurai meent dat onze alledaagse leef- en verbeeldingswereld op dit punt meer dan ooit wordt bepaald door de verhalen, de beelden en de mythes die worden verspreid door een wereldwijd netwerk van vooral visuele media (hij spreekt van een nieuw ‘medialandschap’, een mediascape) dat dankzij satellietverbindingen voor een groot deel van de wereldbevolking toegankelijk is, en waarin mondiale zenders als cnn een cruciale rol spelen. Het is overigens onzin om deze media de schuld te geven van de opkomst van nieuw rechts of van de invloed van het religieuze fundamentalisme; zij kunnen ook een cruciale rol spelen in de politieke en ideologische discussies en de culturele uitwisseling in een open samenleving, maar daarin speelt spectaculaire beeldvorming op mondiale schaal wel een grote rol. Het komt er op dit punt vooral op aan monopolievorming in de mediawereld te bestrijden en de publieke controle op de diverse media te vergroten. Het heeft weinig zin je nationaal te verschansen tegen de invloed van het wereldwijde medianetwerk, dat bewees Radio Free Europe al in de Koude Oorlog en werd op tragikomische wijze nog eens bevestigd door de juichende Noord-Koreaanse militairen aan de grens met Zuid-Korea die via luidsprekers getuige waren van de voetbalsuccessen van de Zuid-Koreanen. Zelfs met zulke simpele technische middelen kun je de zwaarst bewaakte nationale grenzen ter wereld overschrijden.


Het terrorisme heeft op de collectieve beleving van onze alledaagse leefwereld en de veiligheid daarvan al sinds enkele decennia grote invloed. Lockerbie, de treinkapingen in Nederland, de Aquile Lauro, de Palestijnse vliegtuigkapingen, de ira en de eta, de zelfmoordaanslagen in Israël, de aanslagen van neonazi's in Duitsland, en nu beperken wij ons nog tot Europa en het Midden-Oosten, terrorisme is deel geworden van de internationale politieke verhoudingen en grijpt als niets anders op volkomen irrationele en overrompelende wijze in het alledaagse leven van mensen in, mensen die vrijwel nooit iets te maken hebben met de achterliggende problematiek. ‘9-11’ heeft het terrorisme definitief van zijn incidentele en vaak ook lokale karakter beroofd en daarmee de veiligheidsproblematiek een universelere betekenis gegeven dan zij al had. Nieuw rechts heeft, net als de huidige Amerikaanse regering, de neiging om terrorisme te beschouwen als een gevaar dat van buiten komt, als een product van een antiwesters kwaad, dat de antibeschaving vertegenwoordigt. Een grotere misvatting is haast niet denkbaar. Terrorisme hoort bij onze samenleving zoals Jesse James bij het ‘wilde Westen’. Al ten tijde van het radicaal linkse terrorisme van de Duitse raf en de Italiaanse Rode Brigades wees de socioloog Jean Baudrillard op de innige verbondenheid van terrorisme en de moderne media. Terrorisme hoort bij televisie, beide zijn tegelijk abstract en anoniem enerzijds, en zeer nabij anderzijds. De effecten van een terreuraanslag worden dankzij de televisie verveelvoudigd en op spectaculaire wijze bij de kijkers ingeprent. Zonder de media zouden terreuraanslagen niet meer dan lokale effecten sorteren, dankzij cnn was de aanslag op het wtc vrijwel onmiddellijk een mondiale gebeurtenis. Terrorisme is bovendien ook niet een bijproduct van armoede, zoals vlak na de aanslag wel werd geopperd, het is geen instrument van de allerarmsten, maar wordt bedreven door vaak goed opgeleide daders, die zich makkelijk over de hele wereld bewegen. De daders van ‘9-11’ konden succesvol zijn omdat zij zich in weinig onderscheidden van gewone Amerikanen of Europeanen. Als terrorisme ‘het kwaad’ is, dan is dat een zeer westers en zeer modern kwaad. Zonder het tot een natuurverschijnsel te verklaren, lijkt het in ieder geval een gevaarlijke illusie te suggereren dat het terrorisme valt uit te bannen, bijvoorbeeld door de grenzen te sluiten of scherper te bewaken, of door het dagelijks leven te militariseren. Ook de poging van de Amerikanen om het terrorisme territoriaal te fixeren en te bestrijden middels een min of meer traditionele oorlog, zoals in Afghanistan, is illusoir en ook moreel en politiek nogal twijfelachtig: de vernietiging van de infrastructuur en de hoeveelheid onschuldige slachtoffers lijken buiten proporties in vergelijking met het geboekte succes: Al-Qaeda bestaat nog steeds en de Amerikaanse regering zelf waarschuwt haar bevolking dan ook voor nieuwe aanslagen. Ook het symbool van de door de vs zelf gecreëerde ‘as van het kwaad’, Osama bin Laden, bleek niet te pakken. Terrorisme is doorgaans geen politiek instrument van gevestigde natiestaten en het is onvergelijkbaar met traditionele oorlogsvoering, zelfs met guerrillatactieken. Het doel van terroristen is niet het doen van veroveringen of het fysiek verzwakken van de tegenstander; het doel is het scheppen van emotionele ontreddering en chaos. Terrorisme is een vorm van psychologische oorlogsvoering en past daarom zo goed in een ‘spektakelmaatschappij’, een samenleving waarin visuele media een grote rol spelen. Uiteindelijk is het niet anders te begrijpen dan als een vorm van politieke of ideologische criminaliteit, die parasiteert op politieke crises, patstellingen en besluiteloosheid en die geen ander doelt dient dan escalatie van spanningen en tegenstellingen door het versterken van haaten angstgevoelens. De terreuraanslagen in de vs parasiteren op de angst- en haatgevoelens in de Arabische en islamitische wereld, die moeilijk tot één probleem zijn te reduceren. De eindeloze patstelling in het Israëlisch-Palestijnse conflict speelt daar zeker in mee, maar ook de dieper liggende tegenstellingen tussen modernisering en lokale religieuze gemeenschappen, de gebrekkige politieke legitimiteit van de meeste Arabische staten en de dictatoriale regiems die her en der aan het bewind zijn. Het zoeken naar eenduidige oorzaken van de terreuraanslagen is op dit punt even oneindig als het speuren naar het juiste antwoord op het terrorisme of het beste bestrijdingsmiddel tegen de misdaad.


Het enige, indirecte, antwoord op het terrorisme bestaat in het repolitiseren van de problematiek die vermoedelijk ten grondslag ligt aan dat terrorisme. Het wegnemen van angst- en haatgevoelens is daarbij van het grootste belang, omdat het terrorisme leeft van het politieke onderbewuste in een samenleving, van moeilijk te lokaliseren en ongerichte vormen van ressentiment en van diepliggende onvrede en onmacht.


Voorlopig lijkt het woord aan nieuw rechts en aan het militaristische avonturisme van de coterie rond George Bush, en beide parasiteren even sterk op angst en haat als hun veronderstelde grote vijand, Bin Laden en zijn fundamentalistische islam. Het zoeken is met andere woorden naar een nieuwe politieke en culturele coalitie van al die krachten die een reëel politiek alternatief kunnen vormen voor de huidige nieuwrechtse, nationalistische en fundamentalistische agenda.



Nieuwe coalities?


Het enige alternatief voor de ‘internationale’, maar in wezen Amerikaanse strijd tegen de imaginaire ‘as van het kwaad’ en tegen het defensieve nationalisme dat Europa in de greep lijkt te krijgen, is eveneens een internationaal alternatief. Dat alternatief zal ook lokaal moeten worden vormgegeven, maar is op de lange duur slechts te handhaven wanneer het de grenzen van de ene natiestaat weet te overschrijden. Dat komt omdat, zoals de Duitse socioloog Ulrich Beck in een boek over globaliseringsprocessen, simpelweg Was ist Globalisierung? geheten, opmerkt, natiestaten zich onder de huidige globaliserende condities paradoxaal genoeg alleen kunnen handhaven door delen van hun soevereiniteit af te staan, door kortom te internationaliseren10. Om de globalisering het hoofd te bieden en er zoveel mogelijk van te profiteren, kunnen individuele staten niet zonder internationale afspraken en regelgeving, niet zonder bovenstatelijke samenwerking, van de Europese Unie en de Afrikaanse Unie tot de Wereldhandelsorganisatie en het imf. En op dit punt dient de antiglobaliseringsbeweging zich weer aan. Door ‘9-11’ in de verdediging gedrukt en zelfs in sommige gevallen zelf tot de vijand gerekend, is deze los-vaste coalitie van groepen die zich verzetten tegen zulke uiteenlopende zaken als de ongecontroleerde macht van de multinationals, kinderarbeid, de schuldenlast van niet-westerse landen, economische uitbuiting, milieuvervuiling of het subsidiebeleid van de eu, nu toe aan een bezinning op de gehanteerde tactieken en strategieën.


Allereerst willen velen af van de onjuiste naam ‘_anti_globalisten’. Men is niet tegen globalisering als zodanig, maar tegen de manier waarop die nu plaatsgrijpt. Enkelen menen bovendien dat de huidige internationale crisis na een tijdelijke terugslag juist nieuwe kansen biedt voor de ‘beweging’. Naomi Klein ziet in de crisis een uitdaging en stelt voor de beweging voor sociale rechtvaardigheid en tegen economische ongelijkheid te verbinden met de veiligheidsproblematiek die velen nu bezighoudt: ‘Bush' coalitie representeert niet een echt globaal antwoord op terrorisme, maar betekent de internationalisering van de doelen van de buitenlandse politiek van één land - hét handelsmerk van Amerika's internationale betrekkingen, van de wto-onderhandelingstafel tot Kyoto: je bent vrij om mee te doen volgens onze regels of anders geheel buitengesloten te worden.’ Om die koppeling te kunnen maken dient de beweging een werkelijk multilateralisme te verdedigen en het etiket ‘antiglobalisering’ af te wijzen. Om die reden spreekt Klein dan ook liever over ‘de beweging’ dan over ‘antiglobaliseringsbeweging’.


Hoe dit nieuwe multilateralisme of internationalisme nader kan worden ingevuld, lijkt echter nog allesbehalve duidelijk. Een van de interessantste uitdagingen daarbij, zeker in de Europese context, zou kunnen bestaan in het streven naar een nieuwe coalitie met ‘liberale’ moslims in en buiten Europa. Ondanks verzekeringen van het tegendeel is de ‘war on terror’ meer en meer een ‘war on Islam’ geworden, ook in de stadsstraten in de vs en Europa. Moslims en Arabieren in die landen ‘verwestersen’ soms hun naam en uiterlijk om minder op te vallen. De goedkeurende geluiden die uit sommige moslimkringen na de aanslagen te horen waren, hebben het anti-islamisme slechts aangewakkerd. In de vs zou het eind september 2001 in De Groene Amsterdammer gepubliceerde essay van Mohammed Benzakour ‘Wij zijn niet allen New Yorker!’ vermoedelijk meteen als verraad zijn aangemerkt. In dit essay verwoordt hij het begrip dat vele moderne, niet-fundamentalistische moslims kunnen opbrengen voor de veronderstelde motieven achter de aanslagen, niet voor de aanslagen zelf dus: ‘In Arabische ogen loopt heel het Westen al decennialang meedogenloos over de cultuur en de waarden van de islam heen, om daar de eigen idealen voor in de plaats te stellen. Globalisering en mondialisering zijn in de praktijk steeds minder verhuld Amerikanisering gaan betekenen.’ Ook de Palestijns-Israëlische kwestie speelt hierin een rol: ‘Voor een Arabier zijn dit de feiten: de 34-jarige gewelddadige nederzettingenpolitiek van Israël, de permanente discriminatie van Palestijnen (in Jeruzalem zijn tussen 1967 en 1995 bijna veertigduizend huizen voor joden gebouwd en niet één voor Palestijnen), het bestoken van Palestijnse vluchtelingenkampen met f16's en tanks, de wekelijkse liquidaties, de moordaanslagen, de sancties en embargo's waar de volkeren onder lijden.’


Auteurs als Benzakour hebben over het algemeen geen internationaal podium. Auteurs als de links-liberale Palestijn Edward Saïd of de liberaal-joodse romanschrijver David Grossman zijn uitzonderingen, maar juist hun geluid bewijst dat er aan zo'n internationaal podium grote behoefte is. Interessant is op dit punt de positie van een auteur als Tariq Ramadan, kleinzoon van de oprichter van de Moslim Broederschap en schrijver van het boek Être musulman européen. In dat boek zet hij een Europese islam neer die model kan staan voor wat veel moderne moslims als ‘persoonlijk’ geloof ervaren. Hij beschrijft de Europese moslim als een Europeaan met eigen principes, die de westerse cultuur kritisch en selectief benadert, maar zich er niet van laat weerhouden het goede van die westerse cultuur over te nemen. ‘Moslim zijn betekent ook reageren op hetgeen om je heen gebeurt en participeren in de gemeenschap. Reageren doe je als individu en participeren is een collectieve actie. Dit leidt tot een open identiteit. Dat is essentieel omdat het de beste manier is de val te vermijden die de globalisering heeft uitgezet voor verzetsbewegingen: het extremisme.’ Ramadan wijst ook het idee dat globalisering niets anders is dan overheersing van de wereld door ‘het Westen’ als een al te simplistische formule af: ‘Binnen de islamitische wereld zijn er ook regiems, instituten en individuen die volledig participeren in het proces van globalisering, en die achter het economisch liberalisme, de dominantie van het Internationaal Monetair Fonds en de massale import van Amerikaanse en Europese cultuur staan.’ En over zijn eigen positie: ‘Ik verzet me tegen globalisering, maar met de nodige bezorgdheid om op religieus of spiritueel vlak niet te vervallen in sektarische houdingen. Want dat is wat het systeem wil. Gesloten identiteiten, communitaristische bewegingen en sektarische attitudes brengen het systeem zelf niet in gevaar.’


Ramadan ziet overigens grote verschillen onder de tegenbewegingen tegen globalisering: deze ‘groeien op verschillende velden, naargelang de realiteit waarmee de mensen geconfronteerd worden. De antiglobaliseringsbeweging verzet zich tegen het grootkapitaal, de Wereldhandelsorganisatie en de vrije kapitaalstromen. Anderen verzetten zich tegen het effect van de globalisering op de eigen cultuur en identiteit. Mijn identiteit als moslim, als jood, als katholiek of protestant verzet zich tegen deze globale overrompeling omdat ze mij iedere houvast ontneemt, omdat het opgelegde model niet is gebaseerd op morele waarden, maar op economische berekening.’ Ramadan lijkt hier over het hoofd te zien dat juist de antiglobaliseringsbeweging net als religieuze bewegingen verzet aantekent tegen de effecten van globalisering op cultuur en identiteit. Zo richt de no-logo-campagne zich tegen logo's die ongevraagd een samenleving binnendringen en trachten te bewerkstelligen dat identiteit samenvalt met een merknaam. Wat dit voorbeeld vooral duidelijk maakt is dat culturele identiteit een gelaagd iets is, iets dat uit meerdere dimensies bestaat. Fundamentalisten en nieuwrechtse nationalisten leggen in wezen de nadruk op één dimensie, de lokale dimensie, die de ene keer religieus, de andere maal nationalistisch wordt ingevuld. Maar ruimtelijk bestaat culturele identiteit uit een lokaal en een globaal of bovenlokaal element, en dat laatste is door modernisering en globalisering steeds invloedrijker en bepalender geworden. Daarnaast omvat identiteit naast een ideologische of spirituele dimensie ook een materiële kant, zowel in het algemeen: zij is neergeslagen in gebouwen, een grondgebied of bepaalde (heilige) plaatsen, als in de meer beperkte economische betekenis: zij vereist een zekere economische bedrijvigheid en welvaart, en vooral het vermogen daar zelf over te beschikken. Spirituele of ideologische autonomie zonder economische zelfbeschikking mondt al snel uit in culturele nostalgie of sektarisme. Hier ligt een belangrijk gemeenschappelijk punt van de zogeheten antiglobalisten en de ‘moderne’ moslims. Voorlopig ontbreekt het hun echter aan een gemeenschappelijk platform met voldoende internationale impact. Bovendien is niet iedereen even enthousiast over de antiglobalisten. Benjamin Barber in een interview in De Groene Amsterdammer: ‘Ze lopen over van de goede bedoelingen en maatschappelijk bewustzijn, maar ze zijn dom en ongeletterd. Weet je: ze lezen niet... Antiglobalisten hebben een sterk hart maar een zwak hoofd.’ Dat ze niet lezen is natuurlijk heel stout van de antiglobalisten, maar zij zijn als geen ander vertrouwd met de nieuwe media, naast televisie vooral met e-mail en internet. En als boeken als No Logo van Klein of Empire van Michael Hardt en Antonio Negri11. zo lang op de internationale bestsellerslijsten kunnen staan, zal het met die leesbereidheid ook wel meevallen. Het grootste probleem is dat een mondiaal herkenbaar podium of platform nog ontbreekt. Internet kan hier een belangrijke rol spelen, maar is als decentraal medium op zich onvoldoende. De Duitse filosoof Jürgen Habermas pleitte niet lang voor ‘9-11’ voor de oprichting van een intellectueel, cultureel en politiek podium op Europese schaal, een krant of tijdschrift dat de vele nationale debatten in dit werelddeel met elkaar zou kunnen verbinden. Zoiets lijkt hard nodig, maar is op zich nog onvoldoende. Het mondiale medialandschap, de ‘mediascapes’ van Appadurai, is te groot en te invloedrijk om een dergelijke papieren spreekbuis van progressieve intellectuelen voldoende kans te bieden enig tegenwicht te bieden. Wat nodig is, zijn initiatieven als de oppositionele radiozender b'92 in het Joegoslavië van Milosevic, maar dan op internationale grondslag, en een serieus alternatief voor cnn. Pas dan kunnen andere coalities dan die van de ‘war on terror’ een kans krijgen, pas dan kunnen andere alternatieven voor de huidige globalisering zichtbaar worden dan die van het fundamentalisme of van nieuw rechts. Het is niet helemaal uitgesloten dat er wellicht in Europa kansen en middelen zijn te vinden om zulke initiatieven van de grond te krijgen. De Amerikanen zullen er de komende jaren in ieder geval niet aan meewerken. Die kennen voorlopig maar één strategie: ‘Let's drop the big one!’, het antwoord op die ene grote klap van 11 september 2001.


Noten


1 Dit artikel is voortgekomen uit een werkcollege cultuurfilosofie, waarin de verbanden tussen de aanslagen van 11 september 2001 en de globalisering werden onderzocht. Naast de auteurs namen ook Anne Stoel en Gerbrand Tholen aan het college deel. De papers van Marije van Dalen, over antiglobalisten en moslims, en van Jaron van Bekkum, over fundamentalisme, vormden de basis voor deze versie, die door René Boomkens onder meer uit die papers werd samengesteld.


2 Francis Fukuyama, The End of History and the Last Man. Free Press, New York 1992.


3 Noreena Hertz, The Silent Takeover: Global Capitalism and the Death of Democracy. Heinemann, London 2001.


4 Naomi Klein, No Logo: No Space, No Choice, No Jobs. Flamingo, London 2000.


5 Ziauddin Sardar, Merryl Wyn Davies, Why Do People Hate America? Icon Books, Cambridge 2002, p. 7.


6 Sardar, Davies, o.c., p. 194.


7 Karen Armstrong, The Battle for God. Fundamentalism in Judaism, Christianity and Islam. HarperCollins, London 2000.


8 Benjamin Barber, Jihad vs. McWorld. Terrorism's Challenge to Democracy. Ballantine Books, New York 2001.