De Richard Simmillion-hoogleraar

Universiteitshoogleraar zou Hermans tegenwoordig zijn geworden. Wat je Plasterk ziet denken, dat zou Hermans doen, elke zondagmiddag op tv hardop herhalen: ‘Ik heb altijd gelijk.’ De atheïstische boodschappen van Philipse zou Hermans overtreffen door steevast zijn columns af te sluiten met: ‘Zo zal de menselijke soort eenmaal uitsterven aan het besef van zijn overbodigheid.’ Robbert Dijkgraaf zou niet gemist worden bij Zomergasten zolang Hermans beschikbaar was voor foto's, filmfragmenten, toneelstukken en interviews over: Ter Braak, Wittgenstein, Gomperts, Malraux, Soekarno, Sartre, Huizinga, Weinreb, Multatuli, Joyce, Reve, God, Mulisch en vele anderen, inclusief Richard Simmillion. Paul Schnabels zoete recensies van vaderlandse proefschriften zouden plaats moeten maken voor de ‘Boze Brieven van Bijkaart’. Als Hermans nog geleefd had, was hij de rector magnificus onder de universiteitshoogleraren en had alle publiciteit voor zich opgeëist. In Buitenhof had hij de plaats ingenomen van Plasterk en Philipse, in Zomergasten die van Robbert Dijkgraaf en in NRC zou hij Paul Schnabel verdringen. Zou het zwavelzuur zich beperken tot de mandarijnen van literatuur en wetenschap? Of werd hij ook nog onze ware politiek revolutionair die in plaats van de exhibitionist Pim Fortuyn of de straatvechter Theo van Gogh zou worden terechtgesteld?

Willem Frederik Hermans vond zichzelf een wonderkind, maar was o zo bang een ‘total loss’ te worden. Hij stak niet onder stoelen of banken wat zijn ambitie was: hoogleraar worden in de fysische geografie. Dat is hem niet gelukt en waarschijnlijk kwam dat door zijn schrijverschap. De Nederlandse universiteiten en Groningen voorop konden (nog) niet omgaan met dit dubbeltalent. Stel dat Hermans wel benoemd was tot hoogleraar, zou hij dan niet naar Parijs zijn vertrokken, had deze braindrain voorkomen kunnen worden? En wat zou er van zijn schrijverschap zijn geworden? Zou hij nog steeds geschreven hebben om wraak te nemen? En: ‘Zelfs na wraak genomen te hebben, schonk ik geen vergiffenis. Toch eis ik hun verering. Ik eis meer dan er op deze wereld te vinden is.’ Als universiteitshoogleraar? Dat kan toch niet?

Hoe Hermans zich voelde na twintig jaar Groningse universiteit, is te lezen in Onder professoren als Nobelprijswinnaar Dingelam in de Aula is voor de huldiging: ‘Zijn hand zag zwart, zwart als zijn toga. Toen hij zijn hand, met de rug naar boven, onder zijn toga duwde om zijn zakdoek te pakken, zag hij hoe groot het stuk stof was dat, van het plechtige kledingstuk afgescheurd, er nog met enkele draden aan vastzat en over de grond slierde. Uit voorzorg niet te struikelen, raapte hij het afgescheurde stuk op en bleef het in zijn hand houden.

Zo kwam hij de aula weer uit, in zijn linkerhand het stuk van zijn toga, in zijn rechterhand de uitgebrande rookbom.

Zo liep hij naar de faculteitskamer en ging naarbinnen. Er was niemand. Maar in een hoek stond een prullenmand en die had hij nodig. Hij gooide het restant van de rookbom erin, aarzelde of hij de zwarte lap er ook maar in zou gooien. Deed het toch maar niet. Hij rukte de bef van zijn hals, de baret van zijn hoofd, smeet ze op een stoel, legde z'n toga er overheen, veegde zijn handen eraan af en trok zijn regenjas aan.’

Aanvankelijk zag het er juist zo goed uit voor Hermans' ambities. In 1950 legde hij in Amsterdam het doctoraal examen af in de fysische geografie met als bijvak filosofie. Per 1 oktober 1952 werd hij assistent in de fysische geografie in Groningen en reeds met ingang van 1 juni 1953 hoofdassistent. Na zijn promotie (cum laude) op 6 juli 1955 werd hij met ingang van 1 januari 1956 wetenschappelijk ambtenaar eerste klas bij het Economisch Geografisch Instituut. Bij Koninklijk Besluit van 24 maart 1956 kreeg hij de onderwijsopdracht in de natuurkundige aardrijkskunde. In het voorjaar van 1958 werd Hermans benoemd tot lector in de fysische geografie op voordracht van de verenigde faculteiten der wiskunde en natuurwetenschappen en der letteren en wijsbegeerte, een benoeming die hij op 9 december 1958 aanvaardde met het uitspreken van een openbare les. Daarna kwam de klad erin: drie jaar na zijn promotie al lector, maar na twintig jaar nog steeds geen hoogleraar.

Inmiddels was Hermans hard op weg met zijn boeken De donkere kamer van Damocles en Nooit meer slapen een van de belangrijkste schrijvers te worden van ons land. Waarschijnlijk heeft dit succes een negatief effect gehad op zijn carrière in de wetenschap. Daar gelooft niemand dat je naast onderzoeker ook romanschrijver kan zijn. Het onderzoek kost zoveel tijd en aandacht van de onderzoeker dat lite raire activiteiten onmogelijk lijken. Het ‘publish or perish’ geldt voor publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, niet voor romans. Was Hermans geen romanschrijver geweest, hij zou vrijwel zeker hoogleraar fysische geografie zijn geworden. Nu was een lectoraat voor hem het hoogst haalbare. En het moet gezegd, Hermans kwam niet of nauwelijks toe aan onderzoek. Zelf verweet hij de universiteit dat die hem niet de middelen verschafte, maar het motiveren van de omgeving tot het verstrekken van de noodzakelijke gelden hoort ook tot de taak van de onderzoeker. Daar komt nog bij dat Hermans zijn vakgenoten tartte door zijn romans ook te gebruiken voor kritisch commentaar op zijn eigen vak en zijn collegae. ‘De klassieke geoloog is eigenlijk een soort boekhouder met een kroontjespen in vergelijking met een computer! Zonder geofysica zouden de olie- en gasvoorraden al lang zijn uitgeput,’ schreef Hermans in Nooit meer slapen, terwijl zijn rector een geoloog was en niets moet hebben van de fysische geografie van Hermans, die er nog een schepje bovenop deed: ‘Ik verknoei mijn tijd! Ik ben niet in de wieg gelegd om monnikenwerk te verrichten, ik ben niet een soort boekhouder van het vrije veld, ik wil niet beschrijven, maar ontdekken!’ Alsof Hermans het heeft opgegeven met de wetenschap in ons land klinkt zijn grote teleurstelling, zelfs minachting, door als hij schrijft: ‘Meneer! Ik zeg u, als een heel volk zich eeuwenlang specialiseert in het wonen op een stuk grond dat eigenlijk aan de vissen toebehoort, een terrein dat feitelijk niet voor mensen geschapen is, dan moet zo'n volk er op den duur een speciale filosofie op na houden die niets menselijks meer heeft! Een filosofie die uitsluitend op zelfbehoud is gebaseerd. Een wereldbeschouwing die er alleen maar op gericht is het voelen van nattigheid te voorkomen! Hoe kan een dergelijke filosofie algemene geldigheid bezitten? Waar blijven de grote problemen op die manier?’

Het was pas 1966, het ergste moest nog komen: de democratisering der universiteiten. De studenten eisten projectonderwijs in plaats van hoorcolleges. Aanvankelijk willigde Hermans dit in, maar in de herfst van 1971 staakte hij dit weer omdat hij het rendement te gering achtte. Daarop publiceerde een door studenten sociale geografie uitgegeven blad, Girugten, het bericht dat Hermans niet of nauwelijks college gaf. Het universiteitsblad en vervolgens Trouw namen dit bericht over, hetgeen leidde tot Kamervragen aan de minister voor wetenschapsbeleid. Die liet een onderzoek doen waaruit niet bleek dat Hermans tekortschoot, maar voor hem was het meer dan genoeg: hij nam ontslag en vertrok naar Parijs.

Hermans was voor de universiteit een total loss. Onder professorenwerd een kassucces, maar niet een boek waar academici trots op konden zijn, en eerlijk gezegd de schrijver evenmin. Had dit voorkomen kunnen worden?

Sommige mensen in zijn omgeving hadden wel degelijk door welk talent zij met Hermans in huis hadden, anders was hij niet zo snel tot lector benoemd en nog wel aan twee faculteiten: natuurwetenschappen en letteren. Weliswaar ontbeerde hij onderzoeksmiddelen, maar Hermans had geen talent voor verleiding. Zo stokte zijn ontwikkeling als fysisch geograaf en lag bevordering tot hoogleraar in de faculteit der natuurwetenschappen ook niet in de rede. Terwijl zijn ster als schrijver naar ongekende hoogten steeg, vooral door zijn brede intellectuele belangstelling voor: literatuur (o.a. Multatuli), kunst (fotografie), filosofie (o.a. Wittgenstein), techniek, politiek en geschiedenis (Tweede Wereldoorlog). Het Gronings universiteitsbestuur wilde nog bevorderen dat Hermans benoemd werd tot hoogleraar literatuurwetenschap (Emile Henssen in Het oog in 't zeil 9, 2 (jan. 1995)), maar Hermans wees dit idee van de hand. Het zou de indruk wekken dat hij als fysisch geograaf zijn plicht had verzaakt. Bij Koninklijk Besluit van 18 december 1979 werden alle lectoren in ons land met ingang van het nieuwe jaar bevorderd tot hoogleraar, voor Hermans kwam dit te laat en waarschijnlijk zou hij een dergelijke benoeming niet hebben aanvaard. Hermans beet de hand die hem voedde.

Waarom Hermans zich zo gedroeg wordt pijnlijk duidelijk bij het lezen van Richard Simmillion, een onvoltooide autobiografie, dat zojuist verscheen. In 1969 publiceerde Hermans zijn Fotobiografie, die ophoudt waar zijn schrijverschap begint (Conserve, 1943), maar tussen 1967 en 1980 publiceerde hij een vijftal verhalen met een (bijna) identieke ikverteller, die Richard of Richard Simmillion heet. Leg die verhalen achter elkaar en je houdt de niet-geschreven autobiografie van W.F. Hermans in handen. Martien J.G. de Jong heeft dit ontdekt en in een persoonlijk gesprek in 1984 bij Hermans bevestigd gekregen, deze verhalen zijn echt en geen fictie (Martien J.G. de Jong, De waarheid (?) omtrent Richard Simmillion of de onvoltooide autobiografie van Willem Frederik Hermans). Nu, twintig jaar later, zijn ze voor het eerst bijeengebracht en nog uitgebreid met een zesde verhaal, ‘Afscheid van Canada’, dat Hermans enkele jaren na het bezoek van De Jong publiceerde. Het zijn fragmenten van een autobiografie omdat ze samen nog geen doorlopend verhaal vormen en niet compleet zijn. Belangrijke elementen ontbreken, Richard Simmillion zwijgt bijvoorbeeld over de gewelddadige maar zelfgekozen dood van zijn oudere zuster en ook over zijn vernederingen aan de universiteit. De ikverteller van het eerste verhaal, ‘De elektriseermachine van Wimshurst’, noemt zich weliswaar Richard Leeuwenhart in plaats van Simmillion, toch gaat het om hetzelfde personage: ‘“Vader! Kijk eens!” Hij kijkt op van zijn krant of slaat zijn ogen open, want hij is al lang op de leeftijd waarop je eigenlijk het liefst zit te slapen in je stoel. “Nou, prachtig hoor.” Hij leest verder of valt weer in slaap. “Ik heb een elektroscoop gemaakt”, zeg ik, maar hij luistert niet. Tien jaar later schrijf ik een verhaal waarin twee gorilla's een kind ter wereld brengen dat (mutatie) onbehaard is en praten kan. De gorilla's denken dat het een misgeboorte is en smijten het de boom uit, waarin het niet terug kan komen omdat het voeten aan zijn benen heeft, geen handen, het kan dus niet zo erg goed klimmen. Het kind gaat op weg door het oerwoud, overwint tijgers en slangen, maar als het tenslotte twee andere mensen ontmoet, wordt het onmiddellijk doodgeschoten want dat zijn jagers.’

Richard staat voor al het onrecht dat kinderen en vooral intelligente kinderen kan worden aangedaan, maar het gefrustreerde jongetje Richard uit het kleinburgerlijke schoolmeestersgezin is ook en vooral de sleutel tot de schrijver Willem Frederik Hermans, die zichzelf wil verheffen tot openbare erkenning en roem. Centraal in Richard Simmillion staat het meest trieste verhaal, ‘Een toerist’, dat jubelend begint: ‘Ik geloof dat ik nog nooit zoveel van Holland gehouden heb als op die dag.’ Richard denkt terug aan de dag dat zijn klas met de biologieleraar per trein 's morgens in alle vroegte naar Abcoude reist en dan in de ochtenddauw van de Ankeveense Plassen naar Bussum wandelt. Dolenthousiast komt hij thuis, met een geelgerande watertor en een bloeiende hyacint als het ongelooflijke gebeurt: zijn vader stelt voor samen met Richard op Hemelvaartsdag te gaan dauwtrappen. ‘Ik kon mijn geluk niet op, want eigenlijk zou ik veel van mijn vader hebben willen houden en was ik blij als hij eens iets deed dat mijn steeds teleurgestelde liefde een reden gaf.’ Het vervolg is onvoorstelbaar triest en maakt schrijnend duidelijk waar het de schrijver aan ontbroken heeft.

Hermans beet de hand die hem opvoedde. Uit de Fotobiografie kennen we reeds de beelden van het kleinburgerlijke onderwijzersmilieu, de bundel Richard Simmillion beschrijft wat voor hel dit is geweest: met een vader die docent is maar de genialiteit van z'n eigen zoon niet wil zien, een moeder die slechts oog heeft voor zijn oudere zuster en een tirannieke grootmoeder die als gehate oude vrouw toch de mateloze eerzucht voedde om zo niet Nobelprijswinnaar dan toch op zijn minst hoogleraar te worden. Voeg daarbij de trauma's van de Tweede Wereldoorlog en je hebt genoeg ingrediënten voor een onverzoenlijk leven, voor een schrijverschap dat kan worden samengevat zoals Richards vijfde verhaal, ‘Het grote medelijden’, eindigt: ‘Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie.’

Wie meent dat dit de hele Hermans is, heeft het samen met Arjan Peters mis. Richard Simmillion, de niet-voltooide autobiografie, is niet geschreven met de haat van het verongelijkte kind. De schrijver is volwassen en kijkt terug met mildheid en mededogen. Het laatste verhaal, ‘Dood en weggeraakt’, is daarvan het beste bewijs. De eerzucht van de kleine Hollandse Richard wordt door de vijfenvijftigjarige Parijse Richard goeddeels geprojecteerd op zijn eigen vader. Als de oude man in het ziekenhuis ligt schept hij tegenover kamergenoten danig op over zijn beroemde zoon en dringt er bij Richard op aan dat hij presentexemplaren van zijn laatste boek zal aanbieden aan de dokter en de hoofdverpleegster. Richard overwint zijn gêne en doet wat zijn vader vraagt. Na diens overlijden blijkt dat Richards vader altijd zo zuinig heeft geleefd om zijn zoon een erfenis van 35.000 gulden te kunnen nalaten. De zo hevig door Richard gehate en bespotte gierigheid van zijn ouders blijkt dus in zekere zin een daad van offervaardigheid te zijn geweest ten behoeve van hun zoon. Richard heeft het geld niet nodig. Dit was volkomen nutteloos. Of moest het dienen ter genoegdoening? We hadden het kunnen weten. Tijdens het gesprek in Parijs vraagt Martien de Jong: ‘Denkt u dat u nu nog in staat zou zijn de ontbrekende delen uit de Richard-biografie op dezelfde manier en in dezelfde, laten we zeggen: rancuneuze schrijftrant aan te vullen?’ Hermans antwoordt: ‘Niet van ganser harte, nee. Want u ziet dat de visie, laat ik zeggen van de hoofdpersoon, op die vader in “Dood en weggeraakt” al anders is geworden dan in “De elektriseermachine”. En zo gaat het met een hoop dingen. Maar ja, ik kan me toch niet... Kijk, volgende week word ik vierenzestig. Een man van vierenzestig kan toch niet in ernst kwaad worden op zijn vader, die al lang dood is. Dat kan toch niet...’

Hermans vond het fijn dat zijn vader nog leefde toen hij een beroemd schrijver werd en al gestorven was voordat de universiteit zijn zoon zo vernederde. Tegenwoordig willen universiteiten graag beroemde mensen aan zich binden, daarvoor hebben ze een nieuw instituut bedacht: universiteitshoogleraar. Deze geniet volledige academische vrijheid onder bescherming van het college van bestuur, heeft eigenlijk dezelfde rechten en plichten als de oude professor van vroeger. Ongetwijfeld zou Willem Frederik Hermans tegenwoordig benoemd zijn tot universiteitshoogleraar. Daarmee zou de universiteit eer hebben ingelegd en het zou de schrijver veel leed hebben bespaard. Misschien was het mededogen wat eerder doorgedrongen in zijn werk.

Dan had de universiteit nog een gunstig effect gehad op een van zijn intellectuelen, en dat is toch een van haar voornaamste taken?

Het zou de Groningse universiteit niet misstaan als zij een nieuwe leerstoel zou instellen speciaal voor dubbeltalenten: de Richard Simmillion-hoogleraar.