Huizinga en de deftigheid

Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw, het werk dat Huizinga in 1941 publiceerde op basis van een eerdere Duitse publicatie, en dat nu vooral gevoelens van vaderlandsliefde moest dienen, bevat een passage over ‘de grenzen van Rembrandt's genie’. Rembrandt, meende Huizinga, ‘heeft zijn leven lang de idee nagestreefd om een andere wereld, een andere vorm van leven weer te geven dan die waarin zijn dagelijks bestaan verliep’. Hij slaagde in dit streven maar gedeeltelijk. In de schilderijen waar hij zich het meest inspande om het effect van het grandioze en verhevene op te roepen, bleef hij soms halverwege steken, en werd het resultaat een onevenwichtig compromis tussen burgerlijk realisme en barokke plechtstatigheid. Zelfs een nationaal monument als de Nachtwacht riep bij Huizinga het gevoel op ‘dat Rembrandt hier iets groters heeft gewild dan hij vermocht te scheppen’.

Huizinga's opmerkingen staan in een lange traditie van Rembrandt-kritiek. Maar in de omstandigheden van 1941 kregen zij een bijzondere betekenis. Het idee van de Nederlandse nationale identiteit was nauw verbonden geraakt met ideeën over Rembrandt. ‘Men begrijpt Rembrandt uit Nederland, en Nederland uit Rembrandt’. Als Rembrandt, de grootste Nederlandse kunstenaar, zijn beste werk maakte in de meer bescheiden genres van het portret en het landschap, in sommige bijbelse taferelen, de etsen en de tekeningen, dan zou daaruit de conclusie kunnen worden getrokken dat de grote stijl in Nederland nooit werkelijk op zijn plaats is geweest, en misschien wezensvreemd was aan de Nederlandse culturele traditie. Huizinga dacht onmiskenbaar in deze termen. Zoals altijd bij definities van nationale eigenschappen, ging het eerder om een aanmaning en een voorschrift dan om een nauwkeurige sociologische analyse. De nadruk waarmee Huizinga telkens terugkwam op de ingetogenheid, de werkelijkheidszin, de soberheid en het pragmatisme van de Nederlandse beschaving, kreeg in 1941 de functie van een oproep om niet toe te geven aan de propaganda van het nationaal-socialisme met al zijn grootspraak en heldenverering. Huizinga had de Nederlandse cultuur al eerder gekenschetst als door en door burgerlijk. Deze burgerlijkheid, die voor hem toen nog veel schaduwzijden kende, leek hem nu de belangrijkste garantie voor een zelfstandig voorbestaan van de Nederlandse natie.

Naast de politieke strekking schuilt er in Huizinga's oordeel over Rembrandt mogelijk een meer persoonlijke bedoeling. Zijn gevolgtrekkingen kunnen ook worden gelezen als een zelfkritiek. Huizinga heeft van het begin af aan geprobeerd om zijn eigen werk en levenshouding iets van de grote stijl mee te geven. Hij werd in zijn studententijd en nog lang daarna diepgaand beïnvloed door de geest van het fin de siècle en van de art nouveau. In navolging daarvan was hij geneigd om esthetische en ethische kwaliteiten op één lijn te stellen, en ging hij uit van een nauwe samenhang tussen vormgeving en gedachte-inhoud. Zijn levensideaal was aanvankelijk beslist antiburgerlijk. Hij voelde geen verwantschap met een antisociaal kunstenaarsbestaan of vie de bohème, maar trachtte boven de burgerlijkheid uit te stijgen door voornaam en kieskeurig gedrag. Het woord ‘aristocratisch’, dat hij vaak als aanduiding gebruikte voor de wereld waaraan hij deel wilde hebben, vatte hij niet alleen op in overdrachtelijke zin, als een norm van intellectuele voortreffelijkheid. Hij zocht ook in de sociale omgang graag contact met personen van stand. Huizinga heeft het zelf toegegeven: hij was, zeker in zijn jonge jaren, in niet geringe mate een snob, die een meer dan gewone betekenis hechtte aan maatschappelijke status en afkomst uit aanzienlijke familie.

Door de politieke ontwikkelingen van de jaren 1930 en 1940 kreeg hij meer oog voor de positieve kanten van de burgerlijke traditie. Hij raakte ervan overtuigd dat een al te exclusief beschavingsideaal in de moderne tijd niet paste en zelfs gevaarlijk kon zijn. Zijn grote vriend André Jolles, aanvankelijk voor hem een voorbeeld van iemand die zijn leven tot een kunstwerk wist te maken, had tenslotte zijn toevlucht gezocht bij het nationaal-socialisme. De liberale opvattingen van vrijheid en gelijkheid, waarin hij vaak een bron had gezien van onverschilligheid en platvloersheid, begon hij nu te beschouwen als onvervangbare grondslagen van de bedreigde democratie. In het vooroorlogse Nederland was een nadrukkelijk cultiveren van standsverschil niet ongewoon, maar de adel speelde in de Nederlandse samenleving nu eenmaal al lang geen rol van betekenis meer. De navolging van een aristocratische levensstijl kon gemakkelijk uitlopen op excentriciteit of gewoon maar aanstellerij. Wie een oprecht vaderlander wilde zijn - en Huizinga wilde in dit opzicht graag een voorbeeld stellen - deed er goed aan zich bewust te zijn van het burgerlijke karakter van de Nederlandse cultuur.

Ook zijn manier van schrijven paste hij bij zijn nieuwe inzichten aan. Hij had altijd verschillende registers benut. Herfsttij der Middeleeuwenwas bedoeld als een echt kunstwerk. Met zijn talloze herinneringen aan de literatuur van het fin de siècle staat het in scherp contrast tot de werken in essayistische stijl, zoals de boeken over Amerika. Maar in een boek als Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw lijkt het alsof hij, in overeenstemming met zijn visie op het onderwerp, opzettelijk naar grotere soberheid streefde. Wat hij naar aanleiding van Rembrandt betoogde, gold misschien ook voor hemzelf. Was het wel verstandig om hoger te mikken dan zijn tijd, zijn omstandigheden en zijn omgeving toelieten? Zijn huwelijk in 1937 met Auguste Schölvinck heeft hem wellicht eveneens tot vereenvoudiging aangezet. ‘Goes’ Schölvinck, Huizinga's tweede echtgenote, was van fatsoenlijke burgerlijke afkomst, maar had weinig intellectuele opleiding. Huizinga moest nu rekening houden met ten minste één lezeres die niet beschikte over zijn brede literaire, taalkundige en historische kennis. En tot slot is het mogelijk dat hij zich iets heeft aangetrokken van de kritiek die, naast alle ontzag en eerbied waarmee hij doorgaans werd bejegend, in de loop van de jaren 1930 op zijn werk en zijn maatschappelijke overtuigingen hoorbaar werd.

Menno ter Braak, Huizinga's opstandige achterneef, heeft in diverse publicaties het beeld geschetst van Huizinga als een man die zich na de avontuurlijkheid van zijn Herfsttij had teruggetrokken achter de veilige muren van de academische wetenschap. Huizinga's bezwaren tegen de journalistiek zag hij als een mengeling van angst en arrogantie. Zijn herwaardering van Nederland als burgerlijke natie beschouwde hij als een teken van uiterste zelfvoldaanheid. Huizinga was, schreef Ter Braak, ‘nu uit puur anti-heroïsme ongemeen ingenomen met de "bourgeois satisfait" en de pruikentijd’. Toen Huizinga in 1936 weigerde om openlijk stelling te nemen tegen het fascisme door steun te betuigen aan het ‘Comité van Waakzaamheid’ onderging hij dit als een persoonlijke afwijzing. Wat hem misschien nog het meest ergerde, was de onverstoorbare welwillendheid waarmee Huizinga op zijn polemische uitlatingen reageerde. In zijn brieven aan Du Perron zocht Ter Braak vergeefs naar een term die Huizinga's houding het beste samenvatte. ‘Een volmaakte centenbezitter’, schreef hij, en ‘een Leidse papa’. Jacques de Kadt, toen nog links publicist en in sommige opzichten medestander van Ter Braak, vond in 1936 een doeltreffende formulering toen hij Huizinga's cultuurkritiek besprak onder de titel ‘De deftigheid in het gedrang’.

De uitdrukking is sindsdien blijven hangen. Huizinga heeft altijd bewonderaars gehad, maar hij heeft ook altijd lezers afgestoten door de onmiskenbare sfeer van deftigheid die van zijn werk uitgaat. Deze sfeer ontstaat niet alleen door de meningen die Huizinga naar voren bracht, maar ook door zijn stijl, zijn woordkeus en zelfs zijn toon. Literaire stijl ligt dicht bij politieke stijl. Huizinga maakte er geen geheim van dat hij conservatieve standpunten huldigde. Maar ook wanneer hij over onderwerpen schreef die met de actualiteit weinig te maken hadden, kenmerkt zijn stijl zich dikwijls door een onnavolgbare plechtigheid en voornaamheid. Dit betekent niet dat Huizinga's werk als geheel geschreven is met de bedoeling om een samenleving te handhaven die wordt beheerst door standsverschil en privileges. Huizinga's deftigheid is een onderdeel van de manier waarop hij zich als schrijver en als publieke persoon presenteerde. Dat hij de noodzaak voelde om zich juist zo voor te doen, zegt iets over zijn eigen innerlijke gesteldheid. Dat zijn deftigheid al tijdens zijn leven als problematisch werd ervaren, veel meer dan een soortgelijke houding bij buitenlandse auteurs van dezelfde generatie, zegt iets over Nederland. Het is daarom de moeite waard om nog wat uitvoeriger op het onderwerp in te gaan.

De Groningse familie van boeren en doopsgezinde predikanten waaruit Huizinga afkomstig was, onderscheidde zich niet door een bijzondere sociale status. Huizinga's grootvader, predikant op Texel, heeft uitvoerige dagboeken nagelaten die getuigen van een tamelijk beperkte, zelfs kleinburgerlijke kijk op de wereld. Huizinga's vader, Dirk Huizinga, brak in het laatste jaar van zijn theologische scholing op een tamelijk dramatische manier met het voorvaderlijk geloof. Hij studeerde vervolgens medicijnen, en klom op tot een gerespecteerd hoogleraar in de fysiologie aan de Groningse universiteit. Zijn eerste vrouw, Jacoba Tonkens, was de dochter van een hoofdonderwijzer uit Groningen. Met haar kreeg Dirk Huizinga twee zoons, Jakob en Johan, de latere historicus. Zij overleed aan een hartafwijking toen Johan nog geen twee jaar oud was. Pas de tweede echtgenote van Dirk Huizinga, Hermanna de Cock, bracht in het gezin een nadrukkelijk besef tot de betere standen te behoren. De familie De Cock, waarvan ook de predikant Hendrik de Cock, de bekende leider van de kerkelijke afscheiding van 1834 deel uitmaakte, genoot in de provincie Groningen een bepaald maatschappelijk aanzien. Hermanna de Cock was zich zeer bewust van haar positie als hoogleraarsvrouw, en heeft dit besef op haar stiefzoons overgedragen. Zij heeft ongetwijfeld de ‘geheime zonde’ aangemoedigd, zoals Huizinga het tegen het einde van zijn leven formuleerde, ‘die ik nooit geheel verzaakt en afgezworen heb, namelijk een zeker zwak, al jong ontwikkeld, voor patricische afkomst en namen’.

‘Geheime zonde’ is in dit verband een opmerkelijke omschrijving. De uitdrukking werd in de tijd dat Huizinga opgroeide doorgaans maar voor één ding gebruikt: de zonde van de ‘zelfbevlekking’ of masturbatie. Omdat deze handeling gold als een teken van karakterzwakte en als mogelijke oorzaak van allerlei ziekten, ging zij onvermijdelijk samen met angst. Huizinga's terminologie wijst erop dat hij zijn verlangen om deel uit te maken van de aristocratie onderging als iets van seksuele aard. Het vervulde een gemis, maar het was tegelijkertijd beschamend en verontrustend. In zijn autobiografische notities uit 1943 kon hij op dit soort gevoelens met gelijkmoedigheid terugkijken. Tijdens zijn jeugd was dat anders. De oplossing die hij koos was niet een aanpassing aan de realiteit, dat wil zeggen een aanvaarding van zijn eigen ‘al te bewuste plebejische afkomst’. Om het gevoel van gêne over zijn fantasieën te onderdrukken, probeerde hij het voor te stellen alsof het object van zijn wensen daadwerkelijk was vervuld. Hij koesterde niet alleen maar de heimelijke wens een aristocraat te zijn, hij deed alsof hij dit altijd al was geweest. In deze maskering slaagde hij in ruime mate. Maar er bleef in zijn levenshouding lange tijd iets dat overwonnen moest worden, en dat iets krampachtigs met zich meebracht. Pas later herkende hij zijn gedrag voor wat het was: een spel.

Het beeld van een ondoordringbare zelfvoldaanheid dat Ter Braak in de loop van hun onregelmatige contacten van Huizinga opvatte, en dat vervolgens door vele anderen is herhaald, weerspiegelt Huizinga's fantasieën in het negatieve. Huizinga was veel gemakkelijker van zijn stuk te brengen dan Ter Braak zich voorstelde. Zijn emotionele evenwicht was moeizaam bevochten en moest zorgvuldig worden bewaakt. In dit opzicht kwam de aristocratische attitude, die koelheid, distantie, onbewogenheid veronderstelde, hem zeer goed van pas. Huizinga's wens om in sociaal opzicht afstand te scheppen tot zijn verwanten en voorouders had te maken met ambitie en met kinderlijke grootheidsvoorstellingen. Maar de sociale afstand betekende ook een emotionele afstand. Veel van Huizinga's naaste verwanten vertoonden een heftig en soms onbeheerst gemoedsleven, een overgevoeligheid en lichtgeraaktheid waardoor zij dikwijls met hun omgeving, en soms ook met zichzelf in conflict kwamen. Huizinga heeft op deze emotionaliteit en de tragische gebeurtenissen die daarvan een aantal malen het gevolg waren gereageerd door zich in zichzelf terug te trekken. Hoezeer anderen zich ook lieten meeslepen, hij zou tonen dat hij zich beheerste en zijn stemmingen de baas bleef.

De sterke bewogenheid die veel leden van de familie Huizinga aan den dag legden, kwam niet alleen voort uit karakteraanleg. Het vertoon van emoties was ook onderdeel van een culturele traditie. Volgens de doopsgezinde opvatting is de religieuze beleving een zaak van persoonlijke verstandhouding tussen God en de gelovige. Om de waarheid van het geloof te beseffen is een volgehouden zelfonderzoek nodig. Dit kan leiden tot zelfkwelling en gevoelens van verworpenheid. En als de waarheid eenmaal is ontdekt en tot vaste overtuiging is geworden, moet zij in de wereld worden uitgedragen. Het beroep op het eigen geweten, desnoods tegen de wereld in, brengt in het sociaal verkeer gemakkelijk botsingen met zich mee. Ook al liet hij het geloof los, Huizinga's vader handelde toen hij besloot dat hij geen predikant wilde worden nog geheel op de manier die de religieuze traditie waaruit hij stamde hem voorhield. Zijn gevoelens overweldigden hem en leidden bijna tot zelfdestructie. Uiteindelijk bleven zijn zelfmoordplannen slechts een dreigement. Maar sommige leden van de familie gingen verder. Van Huizinga's naaste verwanten hebben verscheidenen zich in diepe depressie of in moeilijkheden met hun maatschappelijke omgeving het leven benomen, zoals zijn halfbroer Herman, zijn oom Menno en uiteindelijk ook Menno ter Braak. Anderen werden door hun onaangepastheid tot een bestaan in de marge veroordeeld, zoals Huizinga's neef Menno, die een zekere naam maakte als Rein Leven-activist.

Huizinga's jeugd is niet ongelukkig geweest, maar zij werd overschaduwd door een aantal tragische gebeurtenissen. Aan zijn moeder kan hij nauwelijks een herinnering hebben gehad, maar het feit dat hij eerst door een tante, later door een stiefmoeder is opgevoed heeft stellig zijn neiging tot eenzelvigheid bevorderd. Toen hij naar het gymnasium ging, en nog in sterkere mate tijdens zijn studententijd, werd het huiselijk leven bedrukt door de langdurige en pijnlijke syfilitische aandoening van zijn vader, die allengs verviel tot volledige invaliditeit en ten slotte ook tot geestelijke onmacht. Kort nadat Huizinga was getrouwd en een eigen gezin was begonnen, pleegde zijn veel jongere halfbroer Herman op zeventienjarige leeftijd zelfmoord. Verder heeft hij zijn leven lang reden gehad zich zorgen te maken over zijn oudste broer. Jakob Huizinga mislukte als student, werd na een schandaal naar Zuid-Afrika gestuurd, voltooide vervolgens de opleiding tot scheepsarts, maar raakte verslaafd aan de morfine en moest in de kliniek van Frederik van Eeden behandeld worden. Deze familiale achtergrond beantwoordt niet precies aan het beeld van uitgestreken deftigheid dat Huizinga later bij veel mensen opriep. De achtergrond maakt echter wel beter begrijpelijk waarom hij zo sterk de behoefte voelde om zijn leven een nieuwe wending te geven en naar eigen inzicht te stileren.

‘Dit alles werd volstrekt anders, sedert ik in maart 1902 was getrouwd met Mary Vincentia Schorer,’ schreef Huizinga in 1943 in zijn autobiografische schets. Hij doelde op de stemmingen van neerslachtigheid die hem tijdens zijn leraarschap in Haarlem regelmatig achtervolgden. Maar vanaf die datum werd voor hem werkelijk alles ‘volstrekt anders’. Door zijn huwelijk met de dochter van een vriendin van zijn stiefmoeder, uit een gegoede en aristocratische Zeeuwse familie, werd hij opgenomen in het milieu dat hij al zo lang als zijn natuurlijke bestemming beschouwde. Het was een huwelijk uit liefde, daaraan bestaat geen twijfel. Als hij zich niet waardig had getoond, zou het niet zijn gesloten. Toch moet hij zich bewust zijn geweest dat niet alleen zijn gemoedstoestand, maar ook zijn maatschappelijke positie en zijn beroepsperspectieven nu op een ander plan kwamen. Wat zou er zijn gebeurd als hij was getrouwd met een meisje dat over even weinig vermogen beschikte als hijzelf? Zou hij nog jaren leraar aan de Haarlemse hbs zijn gebleven, en in de avonduren geprobeerd hebben zich door wetenschappelijk werk te onderscheiden? Na 1902 kon hij op school met een halve werkweek volstaan, en voor de overige tijd leven als een ‘private scholar’. Hij nam zijn studies als oriëntalist weer op, en gaf als onbezoldigd docent aan de Universiteit van Amsterdam college over de oude godsdiensten van India. Toen het duidelijk werd dat een academische positie als lector of hoogleraar in het Sanskriet voorlopig niet beschikbaar zou komen, voltooide hij, opnieuw op eigen kosten, de historische studies over het stadsrecht van Haarlem die hem in 1905 in Groningen het professoraat in de geschiedenis bezorgden.

Huizinga was tweeëndertig jaar bij zijn benoeming in Groningen. Hij heeft er bijna tien jaar gewerkt, in een buitengewoon gemoedelijk tempo, zonder precies te weten wat of waarheen hij wilde. Hij leidde het bestaan van een man van smaak in een afgelegen universiteitsstad. Hij woonde op stand, de laatste jaren in een prachtige villa, hij was nauw betrokken bij het plaatselijke kunst- en muziekleven, hij werd gerespecteerd door zijn collega's, en hij beleefde veel vreugde aan zijn groeiende gezin, waarin vijf kinderen werden geboren. Hij publiceerde van alles, maar zonder veel duidelijke lijn en meestal van bescheiden omvang. De vraag dringt zich nogmaals op wat er zou zijn gebeurd als er niets was veranderd. Zou hij tot het einde van zijn loopbaan tevreden zijn geweest met de rol van een intellectuele levensgenieter, een erudiet en kunstliefhebber die zich in de rust van de provincie heeft teruggetrokken? Hij had een levensdoel bereikt, en het duurde enige tijd voor hij zichzelf nieuwe opgaven stelde. Zijn nieuw verworven status, die hem een grote vrijheid verschafte, heeft hem als auteur aanvankelijk misschien juist geremd. In één opzicht verschilde hij, als het over kunst ging, van mening met zijn collega's, van wie een aantal diep onder de indruk was gekomen van de destijds vermaarde ‘kunstleraar’ H.P. Bremmer. Huizinga vond het niet stijlvol om veel te praten over de gevoelens die men in aanraking met kunst ondergaat. Het was immers ook niet gepast om voortdurend te spreken over het eigen geloof. Maar als men over de dingen die men het hoogste waardeert niets mag zeggen, wat blijft er dan nog over behalve elegante beleefdheidsfrasen? Later zou Huizinga in zijn houding een vorm van hoogmoed herkennen. ‘De superbe zwijgers worden terecht vergeten,’ schreef hij toen.

Het is bekend hoe het verder ging. In de zomer van 1914 overleed Huizinga's echtgenote, nog maar zevenendertig jaar oud, aan kanker. In het najaar aanvaardde hij een benoeming tot hoogleraar in de algemene geschiedenis aan de universiteit van Leiden. Hij verloor zijn persoonlijke levensgeluk, en met het uitbreken van de Wereldoorlog verloor hij ook zijn vertrouwen in de toekomst van de Europese beschaving. Om zich staande te houden, stortte hij zich met grote intensiteit op het werk. Zijn nationale en vervolgens ook internationale roem als historicus en als prominent Nederlands intellectueel is in de jaren na 1914 begonnen. In een periode van tien jaar tijd voltooide hij zijn Herfsttij der Middeleeuwen, schreef hij zijn Erasmus, zijn Mens en menigte in Amerika, zijn studies over de Renaissance, over Hugo de Groot, en talrijke andere artikelen over historische en actuele onderwerpen. Het kalme en behaaglijke van zijn bestaan in Groningen maakte plaats voor stelselmatig volgehouden harde arbeid. Hij klaagde zelden, zelfs niet tegen zijn beste vrienden, maar het was duidelijk dat hij onder grote druk leefde.

De dood van zijn oudste zoon aan een nierziekte in 1920 kwam als een volgende grote slag. Zijn emoties, die hij door een strikte discipline in bedwang probeerde te houden, kwamen in zijn eigen geschriften maar zelden direct aan de oppervlakte. In de dingen van alledag was hij echter afwerend, prikkelbaar en soms van een pijnlijke arrogantie. Persoonlijk contact met zijn studenten ging hij meestal uit de weg. Wanneer zij in zijn ogen tekortschoten, kon hij buitengewoon hatelijk zijn. ‘Mijnheer heeft zeker staatsexamen gedaan,’ heette het dan, wanneer iemand fouten maakte bij het vertalen van Latijnse teksten. Uit deze tijd dateert ook het verhaal van de student wiens werkstukje door Huizinga ten overstaan van zijn medestudenten werd verscheurd en die zijn hele verdere leven nooit heeft geweten wat hij had misdreven. Bij zijn beoordeling van eigentijdse kunst en cultuur liet Huizinga zich maar al te vaak meeslepen door zijn gevoelens van verbittering. De tirades tegen het werk van Hendrik Marsman, die hij als redacteur van De Gids aan zijn mederedacteuren rondstuurde (‘dit is een schennis’), zijn berucht geworden. Hij was razend en wanhopig. De deftigheid die hij zich had aangemeten stelde hem in staat zich te verschansen in een laatdunkend optreden, maar zij ontnam hem het noodzakelijke gevoel voor proportie. Iemand die na het zien van een lustrumspel in Leiden zeker meent te weten dat de beschaving ten onder gaat, is onmiskenbaar enigszins uit zijn evenwicht geraakt.

Huizinga's reis van twee maanden door de Verenigde Staten in 1926 was een keerpunt. Ook al verzette hij zich, Amerika wekte bij hem nieuwe hoop op de toekomst, en verzoende hem tot op zekere hoogte met de democratie. Vanaf deze tijd, en vooral in de jaren 1930, kwamen in zijn werk enkele nieuwe motieven naar voren. Of misschien is het beter te zeggen dat bepaalde elementen die steeds al aanwezig waren nu een nieuwe nadruk kregen. Huizinga hervond zichzelf in zijn rol van moralist. Zijn meningen over de eigen tijd waren niet ingrijpend veranderd, maar hij droeg ze rustiger en beheerster voor, zonder de heftige uitvallen die zijn persoonlijke uitlatingen soms kenmerkten. Op de verschijnselen die hij in de eigentijdse cultuur verwierp - en dat waren er vele - had hij vroeger gereageerd alsof het ging om speciaal tegen hem gerichte beledigingen. Nu koos hij de houding van de oudere wijze, die het gebeuren van een afstand aanziet en er meewarig het hoofd over schudt. De kunst van de dramatische toonzetting verstond hij nog steeds heel goed. Zijn In de schaduwen van morgen uit 1935 laat dat duidelijk zien, alleen al in de fameuze openingszinnen over de geest die is geweken, terwijl de machines nog draaien en de vlaggen nog wapperen. Maar zelf leed hij niet meer zo sterk onder de dingen als tevoren. Hij gedroeg zich soms als een profeet, die in termijnen van eeuwen denkt, en die aan de horizon beschavingen ziet opkomen en instorten. De cultuurfilosofie van Oswald Spengler, die hij op rationele gronden had verworpen, had op emotioneel niveau bij hem nog een lange nawerking. Zijn toenemende neiging om de eigen tijd te interpreteren in het licht van uiterst brede historische ontwikkelingen, getuigt ook van de nieuw verworven zekerheid die hij ontleende aan bepaalde religieuze noties.

Huizinga maakte in de praktijk van het dagelijks leven soms een naïeve indruk. Dat iemand die hij hoogachtte desondanks door laaghartige motieven kon worden bewogen, vond hij moeilijk te begrijpen. Eigenbelang, onoprechtheid, ontrouw of politiek verraad ontkende hij in zijn eigen omgeving zo lang mogelijk, tot hij zoiets onder zijn ogen zag gebeuren en er geen andere verklaring meer te geven viel. Maar Huizinga's naïviteit was meer dan een vorm van persoonlijke onschuld of onwetendheid. Zij had een ideologisch karakter. De moderne voorstelling van de menselijke drijfveren, geïnspireerd door Nietzsche en Freud, bracht naar zijn mening al het handelen terug tot een niveau van primaire driften, en sloot de mogelijkheid van zelfoverwinning uit. Als morele richtlijn had de hedendaagse psychologie weinig te bieden, want zij ondermijnde de vrije wil, en ten aanzien van het maatschappelijk verkeer leidde zij tot een geïnstitutionaliseerde achterdocht. In plaats daarvan stelde Huizinga de aloude christelijke deugden- en zondenleer. Deze bood volgens hem voldoende zedelijk houvast en stelde de mens niet voor als een hulpeloos werktuig van de eigen instincten. Huizinga was daarom moedwillig naïef. Hij wilde mensen graag zien zoals zij zouden moeten zijn. En hij was ervan overtuigd dat mensen in een vroegere periode het zichzelf niet zo moeilijk hadden gemaakt om vertrouwen in de wereld te hebben.

Met de moderne psychologie verwierp Huizinga ook het grootste deel van het vocabulaire dat daaruit was voortgekomen. De traditionele zedenleer werkte met ruime begrippen en grote woorden. In Huizinga's cultuurkritische geschriften wordt op deze begrippen telkens opnieuw een beroep gedaan. Omdat hij ze welbewust vrij wilde houden van het morele bederf dat hij in de eigentijdse opvattingen ontwaarde, klinken zij dikwijls hol en hoogdravend. Het is altijd weer de cultuur, alsof deze een zelfstandige eenheid is, die moet terugkeren tot waarden als soberheid, plicht, trouw, dienstbaarheid, geloof, recht en rede. Zonder context of casuïstiek blijven zulke aansporingen niet meer dan een teken van goede bedoelingen. Huizinga's reputatie van onverbeterlijke deftigheid is er alleen maar door toegenomen. De cultuuruitingen die hij zich als ideaal voorstelde moesten voldoen aan normbesef en vormvastheid, oprecht zijn en integer, authentiek en stijlvol, en waar mogelijk getuigen van een nobele of edele, vooral edele geest. Kan een samenleving als geheel edel zijn? De grote inkeer en vereenvoudiging van het leven die Huizinga als remedie zag voor de kwalen van de twintigste eeuw is uitgebleven. Opmerkelijk is dat in zijn betogen het persoonlijk geluk, waarschijnlijk de hoogste waarde van de tegenwoordige Europese consumentenmaatschappij, nauwelijks ter sprake komt.

Maar dacht Huizinga werkelijk dat zijn aanbevelingen de loop van de geschiedenis zouden keren? Of zei hij veel van dit soort dingen omdat hij vond dat zij nu eenmaal gezegd behoorden te worden, uit troost en bemoediging? In zijn werk uit de jaren 1930 en 1940 verplaatste het accent in zijn werk zich van een esthetische belangstelling naar ethische vraagstukken. Er is geen twijfel aan dat hij oprecht geloofde in de alleszins respectabele waarden die hij verdedigde. En toch bleef er ook in de gedachtegang en formulering van zijn cultuurkritische verhandelingen nog veel esthetisch behagen. Homo ludens, Huizinga's belangrijkste boek uit deze laatste periode, laat de lezer achter met een paradox. Cultuur ontstaat uit spel en is zelf grotendeels spel. Maar daarom is het spel een hoogst ernstige zaak, en moet het met inzet en overgave en geheel volgens de regels worden gespeeld. Dit gold ook voor Huizinga's deftigheid. Hij speelde de aristocraat, en de lotgevallen van zijn leven brachten met zich mee dat hij in die rol werd bevestigd. Dat hij betrokken was bij een vertoning, dat hij anderen iets voorhield dat hij niet zelf was maar een maatschappelijk personage, werd hij zich echter meer en meer bewust. Hij meende wat hij zei, maar hij wist dat hij dit deed in een bepaalde functie. Er zou uit Huizinga's publicaties en brieven een hele theorie over uniformen en ambtskostuums gehaald kunnen worden, die duidelijk maakt hoezeer hij over de samenleving dacht als een toneelstuk.

Deftigheid, als toepassing van het esthetisme van het fin de siècle, werd door talrijke literaire auteurs van zijn generatie tot een vast bestanddeel van hun levenshouding gemaakt. In Duitsland, Frankrijk of Engeland vonden velen van hen een omgeving die bereid was om in de ‘aristocratie van de geest’ te geloven. In Nederland ontbraken de voorwaarden om deze stilering vol te houden. Huizinga merkte na verloop van tijd dat hij met zijn streven naar de fraaie vorm maar weinig weerklank vond. ‘Men zou eens een dissertatie moeten schrijven,’ zei hij in een brief aan Martinus Nijhoff uit december 1934, ‘over de Vloek op het Nederlandse beschavingsleven. Er is iets mis, en altijd geweest. Er is geen milieu van mensen, waarin dat leven wordt opgevoerd’. Een opvoering, dat was wat er nodig was, en daartoe waren de Nederlanders niet te bewegen. Ging hij niet, net als Rembrandt, met zijn verlangen naar de grote stijl de beperkingen van de Nederlandse beschaving te buiten?