Hubrechts Gids-artikelen over de evolutietheorie

In de relatie van De Gids met de natuurwetenschappen is 1893 een jaartal van enige historische betekenis. Na meer dan twintig jaar kreeg de redactie toen weer een natuurwetenschapper in haar gelederen. Sedertdien heeft er altijd een bèta deel uitgemaakt van de redactie. Aan het begin van deze traditie stond de Utrechtse dierkundige en hoogleraar Ambrosius Arnold Willem Hubrecht (1853-1915).

Het is niet meer precies te reconstrueren welke overwegingen de redactie ertoe hebben gebracht om Hubrecht in hun midden op te nemen. Het is echter zeker niet toevallig dat de keuze op hem viel. Hij was een gerenommeerd onderzoeker met een internationale reputatie. Belangrijker was ongetwijfeld het feit dat hij zich had doen kennen als iemand die belangstelling had en ook over de vaardigheden beschikte om zich met zijn geschriften niet uitsluitend tot zijn geleerde vakbroeders te richten. Hubrecht is al vroeg begonnen voor een breed publiek over wetenschappelijke zaken te schrijven.

Zijn eerste populaire artikel verscheen in 1876 toen hij als conservator verbonden was aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden. In het veelgelezen tijdschrift Nederlandsche Spectator kritiseerde hij een Duits initiatief voor een huldeblijk aan Darwin dat zijns inziens weinig geschikt was om de verdiensten van de door hem zeer bewonderde Engelsman te eren. Het jaar daarop volgden artikelen in Eigen Haard en in De Gids. In het laatste geval ging het om een korte bespreking van D. Huizinga's Dierkunde voor Eerstbeginnenden.

Toen Hubrecht in 1882 Leiden voor Utrecht verruilde, waar hij tot hoogleraar in de dierkunde en vergelijkende anatomie was benoemd, kwamen zijn populariseringactiviteiten pas goed op gang. Hij publiceerde in kranten (in het Algemeen Handelsblad over een Nederlandse zoölogische expeditie naar Afrika) en buitenlandse periodieken (Popular Science Monthly, waarin hij de evolutionaire denkbeelden van Darwin en Wallace vergeleek) maar De Gids werd al snel zijn favoriete medium.

In eerste instantie was dit vooral te danken aan de redactie die hem verzocht in memoriams te schrijven van wetenschappers die hij van nabij had gekend, zoals Schlegel (directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie) en zijn Utrechtse leermeesters de dierkundige Harting en de fysicus Buys Ballot. Hubrecht was niet zonder talent voor dit soort werk. Zijn geschreven portretten zijn zeer leesbaar en informatief zowel waar het gaat om de wetenschappelijke betekenis van de betreffende persoon als om de mens achter de onderzoeker.

Hubrecht heeft een verscheidenheid aan artikelen gepubliceerd in De Gids. Hij schreef onder andere over de invoering van een nieuwe tijdrekening voor Nederland, over onderwijshervormingen, over zijn wetenschappelijke reizen in Nederlands-Indië, over de noodzaak van meer overheidssteun voor de zeevisserij en over biologische expedities. Hubrecht heeft zich in zijn bijdragen echter vooral toegelegd op de evolutietheorie en allerlei onderwerpen die daarmee samenhingen. Rond de eeuwwisseling was hij op dit gebied de meest productieve popularisator in Nederland.

De evolutietheorie was meer dan een thema voor populaire artikelen. De theorie speelde ook een cruciale rol in het onderzoek dat Hubrecht in Utrecht startte. Hij had zich tot taak gesteld om als vervolg op Darwins theorie de stamboom van het leven te reconstrueren. Hubrecht behoorde tot de pioniers die daarbij vooral gebruikmaakten van embryologische kenmerken. Zijn onderzoek concentreerde zich op de evolutionaire oorsprong van de gewervelde dieren en van de zoogdieren.

Een van zijn eerste Gids-artikelen waarin de evolutietheorie meer dan in het voorbijgaan aan de orde kwam, was getiteld ‘Verwording’ (1885) en behandelde het verschijnsel degeneratie in de context van het darwinisme. Een aantal boeken dat recentelijk daarover door vooraanstaande dierkundigen was gepubliceerd, vormde zijn inspiratiebron. Het meest opvallende en ook het meest originele onderdeel van het artikel is Hubrechts slotbeschouwing waarin hij zich afvraagt of de mens geestelijk en intellectueel kan degenereren. Hij denkt dat dit zeer wel mogelijk is. De oorzaken zijn voor hem duidelijk: ‘Autoriteitsgeloof, bijgeloof, welbehagen in de producten der praatziekte door tong of pers verspreid, zijn even zoovele voorbeelden van geestelijk parasitisme [...] Ziedaar factoren, die meermalen geestelijke verwording, althans partiëele, te voorschijn roepen.’ Over de remedie voor deze kwaal had Hubrecht geen enkele twijfel: ‘In den zuiversten vorm wordt de strijd tegen de verwording op geestelijk gebied gevoerd door hen, die de wetenschap om harentwil beoefenen en telkens een van de slagbomen omverwerpen, die den vooruitgang van den mensch belemmeren.’ Darwin en Pasteur waren onderzoekers die zijns inziens hieraan hadden bijgedragen. Het blijkt hier duidelijk dat natuurwetenschap voor Hubrecht meer was dan een middel om kennis van de natuur te verkrijgen. Hij achtte deze absoluut onmisbaar voor de progressie van de menselijke geest.

Zijn eerste uitvoerige artikel over Darwin verscheen in het voorjaar van 1888 in De Gids en was een bespreking van het kort daarvoor gepubliceerde Life and Letters of Charles Darwin, uitgegeven door diens zoon Francis. Nadat hij redacteur was geworden, is Hubrecht voortgegaan met de evolutietheorie en haar ontwikkelingen te populariseren. De belangrijkste vooruitgang sedert Darwin was volgens Hubrecht te danken aan de mutatietheorie van zijn Amsterdamse collega Hugo de Vries. Hij was zeer enthousiast over diens theorie en heeft daaraan in De Gids ruime aandacht besteed. Allereerst deed hij dat in een uitgebreide recensie van het eerste deel van De Vries' boek en korte tijd daarna in de rede die hij hield als rector magnificus van de Utrechtse universiteit, getiteld ‘De evolutie in nieuwe banen’ (1902), en die ook inDe Gids werd afgedrukt.

Volgens De Vries' model verliep evolutie schoksgewijs, via discontinue sprongen. Het plotselinge optreden van een nieuw type genen (door De Vries destijds aangeduid als ‘pangenen’), een zogenaamde mutatie, lag ten grondslag aan die sprongen. Aldus kon van de ene op de andere generatie een nieuwe soort tevoorschijn komen. De Vries meende dat hij met zijn befaamde kruisingsproeven aan de teunisbloem hiervoor het experimentele bewijs had geleverd. Twintig jaar later zou blijken dat deze conclusie niet gerechtvaardigd was. In het begin van de twintigste eeuw echter werden zijn bevindingen met open armen ontvangen door Hubrecht en tal van diens collega's in binnen- en buitenland. Voor hen hadden De Vries' proefnemingen het onomstotelijke bewijs geleverd dat evolutionaire soortvorming een realiteit is en daarmee dus de juistheid van een essentieel punt in Darwins theorie bevestigd. Hubrecht zag het werk van De Vries als een grote stap op weg naar de afronding van de evolutietheorie.

Hubrecht hoopte dat de mutatietheorie de weerstand tegen Darwin op grond van levensbeschouwelijke overwegingen zou doen verminderen. Volgens hem was onder rooms-katholieken een proces op gang gekomen dat tot aanvaarding van de evolutietheorie leek te leiden. In gereformeerde kring daarentegen was het verzet juist aan het toenemen. Hubrecht herinnerde de Gids-lezers aan de rectorale rede die Abraham Kuyper drie jaar eerder had gehouden en die hij niet zonder reden karakteriseerde als een oproep tot een kruistocht tegen Darwins theorie. Hubrecht probeerde het tij te keren door te wijzen op het werk van enkele paleontologen die een teleologische interpretatie van mutaties hadden gegeven. Met stelligheid beweerde hij dat Kuyper hierin de mogelijkheid zou vinden ‘om de nieuwste beschouwingen over het evolutieproces, neergelegd in de mutatietheorie van De Vries, met zijn calvinistische levensbeschouwing volkomen te verzoenen’.

Hubrecht heeft onder vooraanstaande gereformeerden overdrukken van zijn Gids-artikel over ‘De evolutie in nieuwe banen’ verspreid maar daar weinig effect mee gesorteerd. Kuyper heeft zijn standpunt niet gewijzigd. Slechts enkele jonge gereformeerde biologen gebruikten de mutatietheorie om de evolutietheorie met hun geloof te verzoenen. Zij deden dit door mutaties te interpreteren als een ingreep van God in het natuurgebeuren. Hoewel Hubrecht niets moest hebben van zo'n bovennatuurlijke verklaring, had hij die liever dan een afwijzing van de evolutietheorie. Kennelijk had hij zeer veel over voor een zo breed mogelijke aanvaarding van de evolutiegedachte.

De mutatietheorie was niet alleen een aanwinst voor de biologie. Hubrecht vond dat dit evenzeer gold voor de sociologie. Hij verfoeide het sociaal darwinisme waarin de individuele strijd tussen mensen werd gezien als motor van de maatschappelijke vooruitgang. Evenals Darwin kende Hubrecht in dit proces juist een centrale rol toe aan het aangeboren altruïsme van de mens. Zonder dit nader te beargumenteren stelde hij dat de mutatietheorie de wetenschappelijke onderbouwing gaf aan deze opvatting. Uit De Vries' theorie meende hij te mogen afleiden dat ‘voor zover de groote wetten der evolutie ook voor de menschelijke samenleving gelden, hare werking zich niet openbaart in een bitteren broederstrijd [...] maar wel in de organisatie van kleinere gemeenschappen, wier inwendige volkomenheid, vooral kenbaar aan onderlinge offervaardigheid, haar in staat stelt aan veel grootere en omvangrijkere gemeenschappen het hoofd te bieden en deze te verdringen.’ Daardoor wordt ‘het menschdom, in geleidelijke evolutie, voorloopig naar een hooger ontwikkelingstrap gevoerd’.

In zijn Gids-artikelen heeft Hubrecht bij herhaling gewezen op het revolutionaire karakter van Darwins theorie. Hij zag dat natuurlijk allereerst tot uitdrukking gebracht in de biologie waar, zoals hij bij de Darwinherdenking van 1909 schreef, we de verschijnselen niet langer als onbegrijpelijke wonderen behoeven te beschou wen omdat we doordrongen zijn geraakt van hun oorsprong in onveranderlijke natuurwetten. ‘De oude scheppingsleer is gevallen; zij oefent op het onderzoek der natuur geen invloed meer uit [...] Daarmede is ons ook onze eigen plaats in de natuur tot helderheid gekomen.’ De invloed van het darwinisme was niet beperkt gebleven tot de natuurwetenschap. Zonder daarover in details te treden, hield Hubrecht zijn lezers voor dat het ‘eene hypothese is, die onze hedendaagsche gedachtengang en onze hedendaagsche maatschappij in nog veel grooter mate beheerscht, dan zelfs hare warmste aanhangers zich bewust zijn’.

Hubrecht beschouwde het als een van Darwins grootste verdiensten dat hij ruim baan heeft gecreëerd voor de vrijheid van denken zowel in de biologie als in vele gebieden daarbuiten. Voor wat betreft het laatste had hij in het bijzonder de theologie op het oog. Darwins optreden had daar geresulteerd in een ‘voorjaarschoonmaak op de achterzolders en in de woonkamers van het menselijk denken’. Hubrecht juichte dit toe. Zijn boodschap was duidelijk. Nu de ‘oude geloofsvormen wankelen’ is het tijd om de theologie te moderniseren. Zonder dat Hubrecht de evolutietheorie verhief tot maat van alle dingen, zoals bijvoorbeeld zijn Duitse collega Ernst Haeckel had gedaan, toonde hij zich toch zeer ingenomen met de positivistische revolutie die ze teweeg had gebracht.

De propaganda die Hubrecht in De Gids heeft gevoerd voor de evolutietheorie behelsde meer dan een populaire uitleg van de strikt vakinhoudelijke kant ervan. Het was voor hem minstens zo belangrijk om de lezers te doordringen van de bredere betekenis van de theorie voor uiteenlopende aspecten van het intellectuele leven. Als geen andere Nederlandse bioloog van zijn tijd heeft Hubrecht zich ingezet om met behulp van de evolutietheorie dogmatisme te bestrijden en opnieuw ruimte te claimen voor het ideaal van ‘durf te weten’.