Het Verne-enthousiasme

Eerst drie citaten.

‘Hij was zeker het wonderlijkste type dat ik ooit ontmoet heb. Als bijzonderheid merkte ik op dat zijn ogen, die tamelijk ver van elkaar stonden, een vierde deel van de gezichtseinder konden omvatten, waardoor, zoals later ook bewezen werd, zijn gezichtsvermogen nog veel scherper was dan dat van Ned Land. Als de onbekende naar een of ander voorwerp keek, fronste hij de wenkbrauwen, kneep het oog zover dicht, dat alleen de pupil zichtbaar bleef en beperkte daardoor zijn blik alléén tot het bewuste voorwerp en keek. Maar met wat voor een blik! Hoeveel duidelijker werden de door de afstand kleiner wordende voorwerpen! Hoe drong die blik door in de ziel! Hoe drong hij ook door in de vloeistof, die voor ons oog ondoorzichtig is; hoe las hij in de diepten der zee!’

‘Oh kapitein,’ riep ik volkomen overtuigd uit, ‘uw Nautilus is werkelijk een wonder!’

‘Wat een wonderlijke speling van de natuur: een weekdier met een vogelbek!’

Drie keer duikt het woord ‘wonderlijk’ op. Drie keer schallen de uitroeptekens. Drie keer klinkt de uitdrukking van een emotie die je kunt omschrijven als het naar voren springen van het hart uit bewondering. De spreker in de drie citaten is dezelfde, professor Aronnax uit 20.000 mijlen onder zee, en hij is weerloos tegen die gemoedsbeweging. Hij wordt meegesleept, hij is enthousiast.

Het menselijk vermogen in een staat van enthousiasme te raken werd van oudsher met ontzag beschouwd. Het woord roept archaïsche vormen van religiositeit op, waarin deelnemers aan ceremonieën in bezit genomen werden door goden of het goddelijke. In die lucide vorm van trance stegen ze boven hun menselijke beperkingen uit, maar waren ze ook (denk aan de mannen verscheurende maenaden die achter Dionysus aanreisden) tot beestachtige daden in staat. Enthousiasme was een heilige roes, die tot een Platoons zicht op de Ideeënwereld kon leiden, maar ook tot kannibalistische orgieën.

Het enthousiasme als een versterker van het reguliere menselijke signaal. Een toestand waarin alle uitersten aan de menselijke natuur piekwaarden bereiken en contact met het hogere lijkt te worden gelegd. Niet zo vreemd dat het enthousiasme behalve in religieuze context vooral de kop opsteekt in tijden van politieke turbulentie c.q. (burger)oorlogen. Aan het eind van de achttiende eeuw krijgt het woord definitief een moderne en overwegend positieve klank, als het gekoppeld wordt aan het project van de Verlichting. De duistere zijde van het enthousiasme, de verblinding en destructie die het in zich bergt verdwijnen in de achtergrond. Het hogere is dan een humanistische vorm van redelijkheid, die met behulp van wetenschap, kritische discussie en ethiek de wereld zal verbeteren. Kant beschrijft hoe in Duitsland bij geruchte vernomen wordt van het uitbreken van de Franse Revolutie; hij noemt de reacties een golf van enthousiasme. Dat opspringen en meeleven, die bedwelmende mix van denkbeelden, emotie en toekomstverwachting, dat is het enthousiasme van de moderne tijd. Tot aan het enthousiasme van fascistische en communistische massa's in de stadions van de twintigste eeuw. Tot aan het enthousiasme rond sportvelden en beeldschermen. Het enthousiasme voor het heil van de digitale toekomst.

Het enthousiasme is de motor van de romans van Jules Verne. Ik bedoel niet dat hij als auteur enthousiast aan zijn werk schreef en dat we dat teruglezen. Dat kan wel waar zijn, maar dat is iets anders. Ook wil ik niet beweren dat enthousiasme de voornaamste drijfveer of geestestoestand van de personages in de boeken is. Er treden tenslotte in iedere roman verre van enthousiaste karakters op en de enthousiastelingen zijn vaak genoeg de minder interessante personages. Wat ik ermee wil zeggen is eerder dit: het enthousiasme is de kracht die de vertelling voortstuwt. Die maakt dat er überhaupt een vertelling is en iets te vertellen valt. Het enthousiasme van professor Aronnax in 20.000 mijlen onder zee is het noodzakelijke medium voor het verhaal van kapitein Nemo en zijn Nautilus. Natuurlijk zijn ook de klassieke Verne-bijfiguren nodig voor het contrast. Er

zijn Koenraad (de gehoorzame, onaangedane Vlaamse knecht, die alle schelpen en vissen kan benoemen en in klassen indelen, maar iedere wetenschappelijke nieuwsgierigheid mist) en Ned Land (de luidruchtige, opvliegende Amerikaanse harpoenier, die alleen maar bezig is met goed eten en ontsnappen en mij steevast aan Hergés kapitein Haddock doet denken), maar ze zijn klankborden voor de eigenlijke handeling: de bewondering, de opwinding, de huiver, de verwondering die Aronnax voelt in zijn ontmoeting en zijn avontuur met kapitein Nemo. Het boek bestaat dankzij die emotie en dient om die emotie over te brengen.

Er is geen betere manier om in korte tijd veel van een kennisgebied of een ambacht te leren dan regelmatig in de aanwezigheid te zijn van een enthousiaste leraar en meegesleept te worden door zijn enthousiasme. Enthousiasme is een ideaal didactisch medium. Jules Verne, die een hoop feitelijke gegevens en technische uitleg in zijn boeken verwerkt, maakt optimaal gebruik van dat potentieel. Enthousiasme is niet te vergelijken met pijn, verliefdheid of woede; dat zijn aandoeningen die in hun uitingen algauw terugverwijzen naar het individu dat ze ondergaat. Naar dat deel van ieder van ons dat onoverdraagbaar is. Enthousiasme is een extreem communicatieve emotie, die eigenlijk nauwelijks kan bestaan zonder aanstekelijk te zijn. Je zou het een performatieve emotie kunnen noemen, een zichzelf, in de uitdrukking en de overdracht ervan, aanzwengelende emotie.

Dat enthousiasme alleen kan duren als het zich voedt met de overdracht op anderen, maakt dat hetgeen het enthousiasme opwekt keer op keer benoemd, opgesomd, bepleit, uitgelegd wordt. Het enthousiasme van Aronnax overwint zijn wrok om zijn gevangenschap, zijn angst voor de toekomst, de zwijgzaamheid en gereserveerdheid van Nemo en zelfs de morele bedenkingen tegen diens praktijken. Zou dat niet gebeuren, dan zouden we weinig te weten komen van de Nautilus en de reis van de drie gevangenen. Het enthousiasme is de kracht die ervoor zorgt dat alles wordt uitgelegd, tentoongespreid, expliciet gemaakt. En die toon waarop Aronnax en Nemo hun biologische, geologische, historische en technische wonderbaarlijkheden uitwisselen doet de vonk van het enthousiasme op de lezer overslaan. Hij wordt deel van een groepje mensen dat is aangestoken door eenzelfde lucide droomkoorts. Een virtuele verbondenheid, zou je het kunnen noemen. De roes die het bij de vooral jonge lezer oproept is die van een pure versnelling. Mentale acceleratie. Opeens passen allerlei feiten en namen, plaatsen en dromen in elkaar. Ze grijpen in elkaar als onderdelen van een machine en althans zolang je leest werkt die machine en beweegt en voert je mee.

Het expansieve, grensoverschrijdende en toekomstgerichte van het enthousiasme past helemaal bij het populaire karakter dat Vernes uitgever Hetzel met de reeks beoogde. Tenslotte was het een tijd van veroveren, nuttig maken, ontginnen, onderwerpen, industrialiseren. En dat alles als een fris, deugdzaam, burgerlijk beschavingsideaal; perfecte lectuur voor de jeugd. Verne, als gedoodverfde stamvader van de moderne sciencefiction is bijna een eeuw lang afgeschilderd als een vooruitgangsgelovige. Maar een herlezing van zijn boeken haalt dat radicaal onderuit. Nergens is Verne te betrappen op een utopische uitleg van de technische wonderen die in zijn boeken worden opgevoerd. Nergens valt te lezen dat de wereld beter, mooier of zelfs maar leuker zou worden dankzij de Nautilus, de helikopter van Robur, de reis naar het middelpunt van de aarde of het avontuur op de komeet van Hector Servadac en de zijnen. Het zijn stuk voor stuk in zichzelf besloten, virtuele werelden, die tijdelijk bezocht worden door enthousiaste vertellers.

Het is wel vaker gezegd dat de ‘Voyages Extraordinaires’ van Verne niet zozeer reisverhalen of gefictionaliseerde technologische speculaties zijn, maar eerder droomverhalen, waarin verlangens en angsten volgens eigen irreële wetten tot een verhaal stollen. Dromen van een honkvast autodidact. Verhalen die ontstaan uit de droomenergie die is opgeslagen in atlassen, kranten, tijdschriften, encyclopedieën en wetenschappelijke standaardwerken. Iedere wonderreis is het aanbreken van een parallelle tijd, een tussenwereld, waarin de feiten en theorieën niet langer redelijk en werkelijk, lees: zichzelf zijn, maar een nieuw, virtueel leven krijgen: als onderdeel in de machinerie van het verhaal. Wat die machine opwekt: een droom, of misschien beter, dreigender, een delirium.

Hoe zit het met de rol van het enthousiasme in deze voorstelling van zaken? Valt Verne, als auteur, samen met die enthousiaste vertellersdynamiek van professor Aronnax? Nee. Het enthousiasme is niet alleen de noodzakelijke motor, het belangrijkste medium van Vernes boeken, het is er ook een dieper thema van. 20.000 mijlen onder zee begint zelfs met de gijzeling van de nieuwsgierige, enthousiaste wetenschapper Aronnax en zijn gezelschap, door Nemo. De kapitein van de onderzeeboot de Nautilus is iemand die Niemand wil zijn, die niet langer wil meedoen met de mensheid, die een autarkische levenswijze heeft ontwikkeld en van zichzelf zegt dat hij dood is. Zijn activiteiten zijn geheimzinnig, maar zeker is: hij bergt schatten uit scheepswrakken en steunt daarmee bevrijdingsbewegingen in de gekoloniseerde wereld en andere onderdrukten en opstandigen. Hij heeft een somber, eenzelvig, onbuigzaam karakter. Een man die zijn technisch vernuft per se niet aan de wereld toevertrouwt, juist uit angst voor de destructieve toepassingen. Tegelijkertijd schrikt hij er niet voor terug zelf met zijn Nautilus aanslagen te plegen op Amerikaanse koopvaardijschepen, zodat ze met man en muis vergaan.

In meer boeken van Verne staat een enthousiaste, verwonderde verteller tegenover een geheimzinnig, somber, maar zeer geleerd en visionair personage. Samen vormen ze een organisme. Een al dan niet bedoeld zelfportret van Verne. De een is de Verne zoals hij moet zijn om te kunnen schrijven, om Jules Verne, de beroemde auteur te kunnen zijn; de ander geeft eerder een beeld van wie hij zou willen zijn, maar onmogelijk kan worden. Aronnax is de kracht die alle feitelijke ingrediënten van de wonderreis tot leven wekt. Hij vraagt en vult aan, hij weet en redeneert. Hij bewondert en verbaast zich, niet alleen over de Nautilus en Nemo, ook over de dieren en plaatsen die hij te zien krijgt. Hij brengt de roes op gang die het machinale wonder van de Nautilus koppelt aan de wonderbaarlijke wereld van de diepzee. Hij maakt dat alles in elkaar klikt en werkt. En dat de vonk van dat in elkaar grijpen, de ‘kick’ ervan, op de lezer overslaat.

Tegenover Nemo steekt hij af als een wat oppervlakkige, onnozele figuur. Ze spreken elkaar heel keurig als gelijken aan met mijnheer en u. Ze gedragen zich als twee burgerlijke heren op een statig buiten. Maar Nemo is het spiegelbeeld van Aronnax. Aronnax, als fantasiegeleerde, wekt voor ons de atlas, het geologie- en biologieboek tot leven. Nemo, die niet eens meer deel uitmaakt van de mensheid, van de werkelijkheid, verhoudt zich nu juist tot al die dingen die in de blik van Aronnax buiten beeld blijven. Wat voor de wetenschap en de openbare mening in de wereld van Aronnax onbekend is, dat is het territorium van Nemo. De diepzee, de Zuidpool, de vergeten episodes uit de geschiedenis, de plaatsen op de wereld waar onderdrukten voor hun vrijheid vechten.

En daar komt bij: hij wil geen verhaal worden. Hij wil niemand zijn, hij wil geen erkenning voor zijn wetenschappelijke en technische ontdekkingen, zelfs niet voor zijn bemoeienis met onderdrukten en hun bevrijdingsoorlogen. Nemo wil geen sporen nalaten, geen berichten sturen, geen boek schrijven. Hij is bereid Aronnax en de zijnen voorgoed te gijzelen of te doden om ervoor te zorgen dat de wereld niets over hem te weten komt. Al met al een beeld van het anti-enthousiasme. Niet de juichende omarming van de rijkdom en werveling van de wereld, geen aanstekelijke verspreiding van wat verwondering en bewondering wekt. Eerder een besef van tragiek, van betrekkelijke machteloosheid en van de gevaren van de verspreiding van aanstekelijke kennis en machtige techniek. Aronnax vertrouwt blind op een toekomst met nog meer wetenschap en ontdekkingen, met nog meer ontwikkeling en beschaving en eindeloze nieuwsgierigheid. Nemo vreest de toekomst, zijn blik is gericht op de ellende en de woede van het lijdende deel van de mensheid. Zijn eigen lot ziet hij als gedoemd, er wordt op hem gejaagd. Hij weet dat hij iets onmogelijks doet: een nobel terrorist zijn.

Aronnax ontstaat uit het ja-zeggen tegen de wereld van kennis, wetenschap, communicatie, optimisme, burgerfatsoen. Nemo ontstaat uit een nee-zeggen tegen die wereld, maar vooral tegen de militaire en economische onderdrukking die bij de westerse expansie horen. Nee ook tegen het idee dat wetenschap en techniek veel zouden kunnen verhelpen aan die ontwikkeling en dat onrecht. Nemo, de verdreven en gekrenkte prins, vertegenwoordiger van een voorbij tijdperk, op de bodem van de oceaan, is een gekweld beschouwer van de menselijke afgrond, the heart of darkness. Aronnax als de goedbedoelende, onnozele verteller, deAufsteiger, die niet beseft wat hij aan ons doorgeeft en die we danken en waarderen om zijn enthousiasme. Al wordt dat zo pijnlijk gespiegeld in Nemo.

De slotzin van het boek vat alles samen in een vorm van dubbelzinnigheid die de ironie overstijgt.

‘Op de vraag die zesduizend jaar geleden door de Prediker gesteld werd: “wie heeft ooit de diepten van de afgrond kunnen peilen?”, hebben twee mensen het recht te antwoorden: kapitein Nemo en ik.’

Verne heeft zich nooit van dit schema, deze literaire machinerie kunnen ontdoen. Altijd weer bewoog hij met de enthousiaste verteller weg van de afgrond en keerde hij terug naar de veilige, fatsoenlijke, ordelijke en verbeterbare wereld. De tussenwereld verdween, de droom hield op, de ballon daalde, de Nautilus verging, Robur ging ten onder. Wat overbleef was het verhaal, aangedreven door het Verne-enthousiasme, dat gekruid is met de smartelijke hoop dat wij opmerken dat het zijn eigen tegendeel meevertelt en zien dat Aronnax en Nemo samen gevangenzitten in de Nautilus.