Nieuws van het westelijk front

Stéphane Audoin-Rouzeau en Annette Becker, 14-18, retrouver la Guerre (Parijs 2000)

Gerhard Hirschfeld, Gerd Krumeich en Irina Renz (red.), Enzyklopädie Erster Weltkrieg (Paderborn 2003)

Gary Sheffield, Forgotten Victory. The First World War: Myths and Realities (Londen 2001)

Hew Strachan, The First World War (Volume 1: To Arms) (Oxford 2001)

Velden van weleer is in Nederland een van de populairste boeken over de Eerste Wereldoorlog. De gids voor een bezoek aan de slagvelden van het westelijk front, oorspronkelijk verschenen in 1993, is binnenkort aan zijn zevende druk toe. Met kaartjes en routebeschrijvingen leiden de criminologe Chrisje Brants en haar echtgenoot Kees Brants de reiziger door het zuiden van België en het noorden van Frankrijk. De auteurs schrijven zoveel mogelijk vanuit het perspectief van tijdgenoten die de oorlog meemaakten en aan het front streden. De gids is verlevendigd met foto's, fragmenten uit dagboeken, romans en gedichten van Belgische, Franse, Engelse, Amerikaanse en Britse auteurs.

Wie de reisgids leest, krijgt het vertrouwde beeld van de oorlog voorgezet. Jonge mannen, van God en iedereen verlaten, tot hun knieën in de modder van de loopgraven en tussen de ratten, creperen of raken gewond in een uitzichtloze strijd tegen een vijand die in vergelijkbare omstandigheden verkeert. We zijn eraan gewend om over deze oorlog te denken en spreken in termen van gekte. De Grote Oorlog - zoals tijdgenoten hem aanduidden - wordt vrij algemeen gezien als een periode waarin de waanzin Europa regeerde. De zinloze verspilling van honderdduizenden, ja miljoenen mensenlevens is een cliché.

In de inleiding van de gids schrijven de auteurs terecht dat het gangbare beeld van de oorlog door kunstenaars is bepaald. Menigeen maakt kennis met de Eerste Wereldoorlog via de literatuur. De memoires van de bekende Britse oorlogsdichters Siegfried Sassoon (Memoirs of a Fox-Hunting Man) en zijn vriend Robert Graves (Goodbye to All That) waarin zij hun oorlogsjaren uitvoerig beschrijven, verschenen eind jaren twintig en zijn klassiekers geworden. Sassoon en Graves begonnen enthousiast aan de strijd, overtuigd dat deze een heilzaam effect zou hebben, maar wendden zich in de loop van de oorlog ontgoocheld en gedesillusioneerd van de oorlog af. Ook in het internationaal meest invloedrijke boek over de Eerste Wereldoorlog, The Great War and Modern Memory van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Paul Fussell, figureren Sassoon, Graves en andere zogeheten War Poetsprominent. Fussell onderzocht de Britse ervaring van de oorlog via de literatuur. Na verschijning in 1976 werd zijn boek vele malen herdrukt.

Wie dit allemaal had gemist, kreeg in de jaren negentig een nieuwe kans met de trilogie Regeneration (1991-1995) van de Britse schrijfster Pat Barker. De drie romans, die erg populair waren en Pat Barker internationale bekendheid brachten, spelen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië. Centraal staan de oorlogsneurosen van een aantal Britse militairen, onder wie de bekende Britse War Poets Wilfred Owen, Sassoon en Graves, en de ethische dilemma's van de legerarts die de mannen beter maakt zodat ze kunnen terugkeren naar het front. Het moge duidelijk zijn dat de culturele benadering van de Eerste Wereldoorlog de media en de populaire cultuur in de Angelsaksische wereld, maar ook daarbuiten domineert.

De laatste jaren zijn vooral Britse historici krachtig in het geweer gekomen tegen het bestaande beeld, dat in hun ogen een verdraaiing is van de geschiedenis, ingegeven door hedendaagse opvattingen. Het doet geen recht aan de wijze waarop tijdgenoten over de oorlog dachten, en in het verlengde daarvan evenmin aan de inzet van de oorlog. Het cliché van een waanzinnige, zinloze verspilling van mensenlevens is naar hun mening eenzijdig, onvolledig en zelfs misleidend.

Een van de meest vooraanstaande exponenten van deze Britse historici is Hew Strachan, die sinds 2002 de prestigieuze leerstoel voor militaire geschiedenis in Oxford bekleedt. In 2001 verscheen het eerste deel van wat een driedelig werk belooft te worden, dat vrijwel onmiddellijk tot standaardwerk werd uitgeroepen. In dit eerste deel, getiteld To Arms, staat 1914 centraal, dat wil zeggen de aanloop naar de oorlog, de julicrisis en de eerste maanden van de oorlog. Strachan behandelt deze van meet af aan als een mondiaal conflict en dus krijgt het oostfront net zoveel aandacht als het westelijk front, hetgeen voor een Britse historicus uitzonderlijk is. Het boek heeft naast chronologische ook thematische hoofdstukken waarin hij comparatief te werk gaat. Hoewel de omvang (1200 bladzijden) wel enigszins afschrikt, weet Strachan met zijn fabelachtige kennis van het onderwerp en van de specialistische literatuur een reikwijdte en diepgang te bereiken die bewondering afdwingt.

Doorzetten wordt beloond. To Arms biedt een grote hoeveelheid nieuwe inzichten en analyses van bekende vraagstukken. Met het cliché van verspilling en futiliteit heeft Strachan weinig geduld. Voor tijdgenoten was de oorlog allesbehalve futiel. Integendeel, voor hen stond er destijds veel op het spel. Volgens de meeste onderzoekers draaide de oorlog om economische en geografische belangen. Dat dergelijke zaken op tafel kwamen tijdens de vredesbesprekingen betekent volgens Strachan niet dat zij ook de oorlog veroorzaakten. Hij onderstreept dat de belangrijkste oorzaken van de oorlog moreel en uiteindelijk religieus van aard waren. De oorlog werd gezien als een conflict tussen liberalisme en militarisme, tussen individualisme en gemeenschap, tussen anarchie en orde, tussen kapitalisme en staatssocialisme: antagonisme tussen Engeland en Duitsland. Morele en religieuze motieven wogen voor tijdgenoten dan ook veel zwaarder dan meer praktische zaken zoals nationale belangen. Het was een ‘big war for big ideas’. Daarom kon de oorlog ook zo lang en hardnekkig zijn. In een strijd om grote ideeën is geen compromis of verzoening mogelijk.

In het verlengde hiervan bestrijdt Strachan eveneens, in een hoofdstuk getiteld ‘Willingly to War’, dat de bevolking van de oorlogvoerende landen de oorlog afwees. Strachan dacht dat zelf aanvankelijk ook, zo vertelt hij in de inleiding. In een documentaire van de bbc over de Eerste Wereldoorlog die in 1964 werd uitgezonden, kwam zijn vroegere tekenleraar, de beroemde R.B. Talbot Kelly, die tijdens de oorlog officier was geweest, aan het woord. Deze vertelde hoe intens de ervaring was geweest; hij was zelfs dankbaar dat hij de oorlog had meegemaakt. Strachan biecht op dat hij dit aanvankelijk aanzag voor een geromantiseerde terugblik van een man op leeftijd op zijn jonge jaren. Toen in 1980 diens memoires over de oorlogsjaren verschenen, ontdekte Strachan echter dat hij het bij het verkeerde eind had: ook in 1916 in brieven naar huis was Talbot Kelly enthousiast geweest over de oorlog.

Strachan bespreekt uitvoerig de bereidheid die in 1914 in de diverse landen bestond om ten strijde te trekken. In Groot-Brittannië, waar geen dienstplicht bestond, meldden zich in de eerste weken van de oorlog na een aarzelend begin uiteindelijk honderdduizenden voor de strijd. Daarbij was de boerenbevolking ondervertegenwoordigd. Het volksnationalisme had op het platteland veel minder invloed dan in de steden. Reisverslagen uit de eerste dagen van de oorlog meldden dat het platteland van Duitsland, Frankrijk en Rusland rustig was. Opgewonden menigten van mensen die de oorlog verwelkomden, kwamen voor in de hoofdsteden Berlijn, Parijs en Moskou, maar niet op het platteland. In een vooruitblik naar de volgende delen merkt Strachan op dat de steun voor de oorlog in Europa ook gedurende de oorlog nog lange tijd intact bleef. Dat is een belangrijke correctie op het vertrouwde beeld. Of wij dat nu leuk vinden of niet, veel tijdgenoten stonden achter de oorlog, en dat bleef in elk geval de eerste jaren zo.

Maar steun is nog iets anders dan enthousiasme. Strachan, die aangenaam precies is in zijn formuleringen, beschouwt geestdrift voor de oorlog als een oppervlakkig verschijnsel. Hij ziet eerder ‘passieve aanvaarding, een bereidheid om zijn plicht te doen’ als gemeenschappelijke noemer over heel Europa. Deze stemming onder de bevolking kwam volgens Strachan grotendeels voort uit de gebrekkige kennis van moderne oorlogvoering. In populaire literatuur werd oorlog nog steeds afgeschilderd als een zaak van individuele moed en vindingrijkheid. Er waren wel mensen die voorspelden dat de volgende oorlog de overwinning van de machine op het menselijk lichaam zou brengen, maar een meerderheid was ervan overtuigd dat de technische vooruitgang oorlog juist minder dodelijk zou maken. De nieuwste kogels, dacht men, zouden minder schade aanrichten en de moderne medische wetenschap zou de verwondingen snel en adequaat kunnen herstellen.

Wie het offensief aan de Somme, een van de beruchtste veldslagen van de oorlog, overleefde, wist beter. Het beeld is dat het slecht was doordacht, ja een waanzinnige onderneming die gedoemd was te mislukken. Incompetente en onverschillige generaals (‘donkeys’) hadden de mannen (‘lions’) op een onmogelijke, ondoordachte missie gestuurd. Terwijl de generaals vakantie vierden in kastelen ver achter het front, crepeerden de mannen in de modder van het niemandsland. Ook inVelden van weleer wordt de slag aan de Somme in dit soort termen beschreven. ‘Net als de meeste andere grote veldslagen, is het verhaal van de Somme er één van ongelooflijke stupiditeit, onbeschrijflijke ellende, onnodige massaslachtingen, onbegrijpelijke individuele heroïek’. Dat zijn stevige uitspraken.

Nu is wat zich daar die eerste juli en de daaropvolgende maanden - de slag duurde tot eind november - voltrok, ook ontstellend. Het overwegend Britse offensief aan de rivier de Somme in Noord-Frankrijk begon op 1 juli 1916. De calculatie was dat het artilleriebombardement van de zeven daaraan voorafgaande dagen de Duitse stellingen zou hebben uitgeput, zodat de Britse infanterie gemakkelijk zou kunnen doorstoten. Dat bleek een ernstige misrekening met dramatische gevolgen. De Duitsers, diep ingegraven in de kalkgrond, hadden het slecht gecoördineerde bombardement overleefd en maaiden de aanstormende Britse troepen, overwegend onervaren vrijwilligers die voor het eerst in actie kwamen, met duizenden tegelijk neer. Op de eerste dag werden 20.000 Britse militairen gedood en raakten er 40.000 ernstig gewond. In minder dan 150 dagen sneuvelden in totaal meer dan een miljoen mannen: 500.000 Duitsers, 400.000 Britten en 200.000 Fransen. Eind november 1916 had het Britse leger onder het opperbevel van Douglas Haig vijf mijl grondgebied op het Duitse leger weten te veroveren.

Des te verrassender is het dat de Britse militair historicus Gary Sheffield er in Forgotten Victory in slaagt de slag aan de Somme in een geheel ander licht te plaatsen. Sheffield doet eigenlijk gewoon wat historici gewend zijn te doen: hij contextualiseert het offensief, oftewel hij plaatst de veldslag in het geheel van de oorlog. Hij ontkent - uiteraard - niet dat er tienduizenden doden zijn gevallen, en ook niet dat de generaals de situatie en het effect van de bombardementen verkeerd hebben beoordeeld. Het gaat Sheffield erom dat de Britten aan de Somme leerden hoe ze deze oorlog moesten voeren. Concreet bedoelt hij hiermee dat de Britten uitvonden dat de artillerie en de infanterie moesten samenwerken.

In de voorbereiding speelde de artillerie namelijk een heel belangrijke rol. Er ging van alles mis. Van de ongeveer anderhalf miljoen granaten die in de eerste week werden afgevuurd, was tweederde van een type dat dodelijk was voor soldaten in het open veld, maar niet effectief tegen de metersdiep ingegraven Duitsers. Van het type granaten dat hiervoor nodig was, waren er eenvoudigweg onvoldoende beschikbaar. Daar kwam nog eens bij dat veel Britse granaten blindgangers waren - de explosieve groei van de ammunitiefabrieken in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten had tot gevolg dat de granaten slechter van kwaliteit waren. Maar tactisch, zo beklemtoont Sheffield, was de belangrijkste fout dat het opperbevel ervan uitging dat eerst de artillerie het terrein verovert en dat vervolgens de infanterie het bezet. Aan de Somme leerde de legerleiding dat het er veeleer om ging de verschillende wapens tegelijkertijd te laten samenwerken.

De Britse generaals waren volgens Sheffield dan ook niet incompetent, zoals tamelijk algemeen wordt gedacht. De blunderende generaals van 1915 en 1916 waren dezelfde die de Britse troepen in 1918 naar de overwinning hebben geleid. Centraal in Sheffields analyse staat de ‘learning curve’, waarmee hij wil zeggen dat de generaals gedurende de oorlog veel hebben geleerd. Ze hadden aanvankelijk geen ervaring met zo'n omvangrijk leger en moesten eenvoudigweg met vallen en opstaan de Eerste Wereldoorlog onder de knie krijgen. Zo bezien was de slag aan de Somme een heel dure, maar noodzakelijke les.

Forgotten Victory is goed en soepel geschreven. In het hoofdstuk ‘Oh What a Futile War?’ bespreekt Sheffield de herinnering aan en terugblik op de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. De Eerste Wereldoorlog is niet van meet af aan synoniem geweest voor domheid, blinde gehoorzaamheid, gebrekkig leiderschap, afschuwelijke fysieke omstandigheden, et cetera. Tijdens en kort na de oorlog was de publieke opinie (nog) niet anti-oorlog. De grote meerderheid van de Britten vond de oorlog gerechtvaardigd en dat bleef ook direct na 1918 in grote lijnen het geval. De nabestaanden van de 750.000 Britse slachtoffers en de oorlogsinvaliden verkeerden de eerste tien jaar na de oorlog in een soort verdoving.

De omslag kwam eind jaren twintig toen het voor de nabestaanden en de veteranen steeds moeilijker werd zich staande te houden. Geen wonder dat zij zich begonnen af te vragen of de enorme offers die zij hadden gebracht wel de moeite waard waren geweest. Vrijwel gelijktijdig werd er in Groot-Brittannië een stroom van romans en memoires gepubliceerd, die stuk voor stuk in het teken stonden van diepe ontgoocheling over de Grote Oorlog. Ook de boeken van Erich Maria Remarque (Im Westen nichts Neues), Siegfried Sassoon en Robert Graves verschenen in deze periode en waren belangrijke impulsen in de omslag van de publieke opinie in de richting van het pacifisme.

Sheffield bestrijdt echter dat de opvattingen van met name de War Poets representatief waren voor de veteranen van de Eerste Wereldoorlog, en hun invloed op de publieke opinie in de jaren dertig acht hij beperkt. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verdween de belangstelling voor de Eerste naar de achtergrond. Eind jaren vijftig begon deze weer te ontwaken. De perceptie van de oorlog als een absurde en zinloze verspilling van mensenlevens raakte in de jaren zestig stevig gevestigd.

Met als gevolg dat de Britten de Eerste Wereldoorlog tegenwoordig vrijwel unaniem als een ramp beschouwen. Men is niet alleen vergeten wat de inzet van de oorlog was, maar eigenlijk ook dat de oorlog eindigde met een overwinning voor de geallieerden en dus voor de Britten. Met Forgotten Victory poogt Sheffield hier verandering in te brengen. Voortvarend neemt hij de ene na de andere mythe onder handen. Eerst schetst hij het bestaande beeld, vervolgens hakt hij dit vakkundig aan mootjes om er een nieuwe vaak verrassende visie voor in de plaats te stellen. Bij de slag aan de Somme is hij wat mij betreft bijzonder overtuigend, maar dat geldt niet voor elke ‘mythe’. Zo heeft hij mij er niet van kunnen overtuigen dat de terugtocht van het Britse leger in maart 1918 eigenlijk een Britse defensieve overwinning was. Hier maakt de mythebestrijding op mij een geforceerde indruk.

Ook op het continent klinken ‘revisionistische’ geluiden onder historici van de Eerste Wereldoorlog. Stéphane Audoin-Rouzeau en Annette Becker, beiden directeur van het Historial de la Grande Guerre in Péronne, publiceerden in 2000 14-18, retrouver la Guerre. Twee jaar later verscheen de Engelse vertaling (14-18: Understanding the Great War) en inmiddels is er zelfs een Nederlandse vertaling beschikbaar ('14-'18: De Grote Oorlog opnieuw bezien). Het boek biedt een zeer leesbare en beknopte inleiding op het comparatieve en interdisciplinaire werk van het onderzoekscentrum dat zich vooral met mentaliteitsgeschiedenis bezighoudt.

Het boek bestaat uit drie delen, het Geweld, de Kruistocht en de Rouw. Het eerste deel handelt over geweld, zowel aan het front als erachter; het tweede gaat over de ideologische onderbouwing van het conflict, en het derde deel staat in het teken van verdriet en rouw, individueel of collectief tot uiting gebracht. De auteurs maken een aantal behartenswaardige opmerkingen over de bestudering van de strijd aan het front. Om te beginnen stellen zij vast dat in elk geval Franse historici zich altijd verre hebben gehouden van de bestudering van het geweld op het slagveld. Zij pleiten ervoor dat historici hun preutsheid overwinnen en zich verdiepen in bijvoorbeeld de wapens die werden gebruikt. Verder staan ze geruime tijd stil bij de bruikbaarheid van de grote hoeveelheid egodocumenten van mannen die destijds aan het front hebben gestreden. Voor mentaliteitshistorisch onderzoek zijn dergelijke bronnen per definitie belangrijk. Audoin-Rouzeau en Becker stellen zich echter moedig teweer tegen de ‘dictatuur van de getuige(nis)’ en vragen aandacht voor de beperkingen van deze documenten. De auteurs schrijven weliswaar allen over de gruwelen van het slagveld, maar het is altijd een gewelddadigheid zonder aanwijsbare verantwoordelijke en dus zonder schuld. Men doodt niet, men wordt gedood. Anonimiteit was weliswaar een van de belangrijke kenmerken van de vormen van geweld die tijdens de Eerste Wereldoorlog opkwamen, maar Audoin-Rouzeau en Becker zijn desalniettemin van mening dat de frontstrijders te weinig aandacht hebben geschonken aan de momenten waarop zij zelf mensen doodden. Ook nabestaanden beschouwen hun familielid liever als slachtoffer dan als iemand die tijdens de oorlog anderen heeft gedood. Egodocumenten van veteranen geven dus meestal een onvolledig, ja ‘gekuist’ beeld van wat zich destijds op het slagveld heeft afgespeeld.

Net als Strachan wijzen Audoin-Rouzeau en Becker erop dat de oorlog voor tijdgenoten beslist niet zinloos was. De Fransen beschouwden de oorlog als een verdediging van de natie en van de beschaving die door Frankrijk werd belichaamd. En net als Strachan hameren de Franse historici erop dat geschiedschrijving niet moet worden verward met het achteraf toepassen van huidige politieke opvattingen op het verleden. Dit laatste gebeurde in 1998 nogal eens bij herdenkingen van het sluiten van de wapenstilstand, toen tachtig jaar geleden. In toespraken en geschriften ging het steeds maar weer over het slachtofferschap van soldaten en werden muiters beschouwd als de echte helden. In diverse oorlogvoerende landen werden pogingen ondernomen om postuum gratie te verkrijgen voor militairen die tijdens de oorlog wegens militaire overtredingen zijn geëxecuteerd. Dat is een verdraaiing van het verleden en heeft niets meer met oprechte belangstelling voor geschiedenis te maken. Het Historial de la Grande Guerre is gevestigd in Péronne, in het gebied waar in 1916 de slag om de Somme woedde. Het centrum, dat in 1992 zijn deuren opende, is een internationaal museum en onderzoekscentrum voor vergelijkende geschiedenis. Vooraanstaande historici van de voormalige strijdende partijen, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland, werken in het centrum samen. De toegenomen uitwisseling en samenwerking zoals in Péronne laten echter onverlet dat nationale historiografische tradities zich in de geschiedschrijving nog steeds krachtig doen gelden. De Britten hebben een sterk ontwikkelde subdiscipline militaire geschiedschrijving en het centrum in Péronne is met zijn accent op mentaliteitsgeschiedenis een typisch Frans centrum.

De Enzyklopädie Erster Weltkrieg is een expliciete poging om over de grenzen van de verschillende velden van de geschiedschrijving heen te kijken en internationale vergelijking mogelijk te maken. Het lijvige boekwerk kwam tot stand onder redactie van Gerhard Hirschfeld, Gerd Krumeich en Irina Renz. Hirschfeld is directeur van de Bibliothek für Zeitgeschichte in Stuttgart en hoogleraar aan de plaatselijke universiteit. Krumeich is als hoogleraar verbonden aan de Heinrich-Heine-Universität in Düsseldorf en Irina Renz als archivaris aan de Bibliothek für Zeitgeschichte in Stuttgart. De encyclopedie bevat meer dan 650 lemmata, over Siegfried Sassoon, over de slag aan de Somme, over generaal Haig, over fotografie, over de tank, maar ook over demobilisatie, oorlogsneurosen en oorlogsslachtoffers.

Daarnaast bevat het fraai uitgegeven en geïllustreerde boek zesentwintig essayistische bijdragen over de oorlogvoerende landen, over maatschappelijke ontwikkelingen tijdens de oorlogsjaren, over het verloop van de strijd en over de geschiedschrijving. Alles bijeen genomen geeft de encyclopedie een goed overzicht van de stand van het onderzoek naar de Eerste Wereldoorlog. De redacteuren hebben geprobeerd in deze ene band alle velden - militaire, politieke, economische, sociale en culturele geschiedenis - zo goed mogelijk vertegenwoordigd te laten zijn.

De redacteuren Hirschfeld en Krumeich tekenen zelf voor een zeer informatief essay over de historiografie. In krap tien bladzijden schetsen zij de ontwikkelingen op dit front. Aanvankelijk, dat wil zeggen in de jaren twintig en dertig, stelde de academische geschiedschrijving zich bijzonder terughoudend op en domineerden militair-historische vraagstellingen in Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Gedurende de eerste decennia na 1918 was de geschiedschrijving in feite een voortzetting van de oorlog met andere middelen. Het nationaal-socialistische regime beschouwde de militaire overwinning op België en Frankrijk in het voorjaar van 1940 als het echte einde van de Eerste Wereldoorlog. Daarbij wisten ze zich gesteund door veel Duitsers. Zelfs liberale en conservatieve tegenstanders van het regime ervoeren de zege als een persoonlijke genoegdoening. In het najaar van 1940 vonden in Verdun en op een militaire begraafplaats militaire herdenkingsplechtigheden plaats die tegelijkertijd het einde van de oorlog van '14-'18 moesten symboliseren.

De doorbraak kwam in de jaren zestig met de publicatie van Griff nach der Weltmacht (1961) van de Hamburgse historicus Fritz Fischer. Deze wees Duitsland aan als verantwoordelijk voor het ontstaan van de oorlog en gaf hiermee de aanzet tot een nieuw en in tensief debat over de Eerste Wereldoorlog, dat bekendstaat als de Fischer-controverse, de eerste Historikerstreit van de Duitse naoorlogse geschiedenis. In de jaren zeventig draaide het vervolgens onder historici vooral om sociaal-economische vragen. Vanaf het midden van de jaren tachtig richtten historici zich in toenemende mate op de studie van de oorlogservaringen zelf, in het bijzonder het dagelijks leven van soldaten aan het front. Duitse historici richtten zich aanvankelijk vooral op de rol van intellectuelen en kunstenaars in de voorstelling van de oorlog, terwijl Britse collega's schreven over de lotgevallen van gewone soldaten en Franse zowel over de militairen als over de burgerbevolking. Intussen heeft het Duitse historische gilde een aanzienlijk aantal lokale en regionale studies geproduceerd waarin de stemming tijdens de oorlogsjaren wordt beschreven en geanalyseerd.

De Enzyklopädie is zonder meer een aanwinst en het lijkt mij dat deze ook zeker bijdraagt aan een van de doelstellingen van de redactie, namelijk het bevorderen van internationaal vergelijkend onderzoek. Zij geeft een heel helder overzicht van de stand van de wetenschap en is, mede dankzij de gedetailleerde chronologie en de kaarten, een buitengewoon nuttig naslagwerk, niet alleen voor professionele historici, maar ook voor een algemeen geïnteresseerd publiek.

Het is echter afwachten of de nieuwe inzichten en nieuwe visies op de Eerste Wereldoorlog in de toekomst zullen leiden tot een bijstelling van het gangbare beeld. De boeken van Robert Graves, Siegfried Sassoon en Pat Barker zijn nu eenmaal toegankelijker - en makkelijker mee te nemen - dan de pil van Strachan of de encyclopedie. Maar wie oprecht geïnteresseerd is in de Eerste Wereldoorlog kan om hun revisionistische boodschap eigenlijk niet meer heen.