Bij dit nummer

Bij dit januarinummer van De Gids zijn een paar inleidende en verklarende opmerkingen op hun plaats.
Ten eerste treft u in dit nummer drie bewerkte lezingen aan die werden uitgesproken op 6 november jongstleden, op een avond in De Balie in Amsterdam, onder de titel ‘Is er nog hoop?’ Geen wanhopige religieuze verzuchting, maar een verwijzing naar het thema van de utopie waaraan de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam aandacht besteedde. De avond maakte deel uit van de reeks ‘Reizen in de tijd’, waarin via allerlei invalshoeken ingegaan werd op het denken en schrijven over toekomst en utopie.

Op de bewuste avond spraken Marja Brouwers, Hans Achterhuis en Dirk van Weelden. Na afloop was er een discussie onder leiding van Marjolijn Februari. Geen van de sprekers zou zichzelf als een utopist willen aanduiden, maar de manier waarop ze het fenomeen benaderen verschilt ingrijpend, zowel naar toon als naar gedachte. Onder de gezamenlijke kritische beschouwing van de utopie spelen heel uiteenlopende zorgen, verlangens en vragen. Bij elkaar vormen de drie voordrachten een uitdagend mozaïek over een thema dat een nieuwe actualiteit lijkt te krijgen.

Een voorbeeld van die actualiteit is te vinden in het artikel van Bart Van der Straeten naar aanleiding van de meest recente roman van Michel Houellebecq, in Nederland verschenen onder de titel Mogelijkheid van een eiland. Daarin is te lezen hoe besprekers en lezers worstelen met de vraag of het boek nu een zwartgallige toekomstvoorspelling is of een provocatief schrikbeeld dat bij de lezer spontaan een stellingname voor humanistische waarden wil oproepen. Of is dat beide te simpel en berust het pijnlijke van dit boek op een verscheurd verlangen naar de twee tegenstrijdige perspectieven, een humanistische en een posthumanistische wereld?

Dit eerste nummer van het jaar 2006 brengt u ook een nieuwe serie in De Gids. Deze jaargang vragen we in principe voor ieder nummer een schrijver of liefhebber een beschouwing te schrijven naar aanleiding van een Nederlandse roman die ongeveer de laatste twee jaar is verschenen. Maar een herdruk van een (moderne) klassieker kan ook. Dat geeft al aan dat het ons hier niet gaat om een bespreking of een beoordeling van het betreffende boek als product. Wij willen ruimte bieden aan essays waarin iemand door de lezing van een min of meer recent Nederlands boek zijn eigen gedachten over literatuur, leven en wereld verder uitbouwt. In alle vrijheid, op zijn eigen lengte, in zijn eigen taal. Vaak zal de auteur inzicht geven in de inspirerende werking van een roman. Maar ook beschouwingen over half gelukte of boeiende literaire catastrofes kunnen een essay opleveren waarin de lezer wordt meegesleept en geprikkeld mee te denken.

In kranten en weekbladen kunnen dergelijke essays maar uiterst zelden verschijnen. Literaire tijdschriften besteden ruime aandacht aan verhalen, poëzie, buitenlandse literatuur en in het geval van De Gids aan sociale en culturele debatten. Essays over de huidige Nederlandse romanliteratuur, zonder de beperkingen van de journalistieke context, lijken uit te sterven. Klinkt hier de roep om de terugkeer van de traditionele Criticus, de geleerde gids die het literaire volk door de woestijn leidt? Nee, maar een literaire cultuur voedt en vernieuwt zichzelf wel door openbare uitingen van schrijvers en liefhebbers die ingaan op de literaire en niet-literaire merites van wat er verschijnt. Persoonlijke, misschien wel onprofessionele of onnavolgbare pogingen verslag te doen van boeiende, opwindende of verontrustende leeservaringen. Stukken waarin wat er in de romans staat op een verrassende en eigenzinnige manier in verband gebracht wordt met films, maatschappelijke omstandigheden, beeldende kunst, buitenlandse literaturen, wetenschap, eigen ervaringen of eigen werk.

De eerste die iets schrijft in deze serie ‘Nederlandse romans’ is Ger Thijs. Hij las De verdronkene van Margriet de Moor, dat afgelopen jaar verscheen.

Namens de redactie,
Dirk van Weelden