Rond de kerktoren

De vier koningsblauwe Mercedessen verdwenen in de richting van de snelweg. Naar het werkpaleis in Den Haag. Ze keerden de polders hun dikke konten toe, blij dat het erop zat. De hemel ondertussen trok zich daar niets van aan. Die was Delfts blauw met slagroomwolkjes. Op het hooghartige af. De nieuwe weg heupwiegde door het landschap, zij aan zij met een brede strook aan rietkragen, sloten, weiden en landjes met verschillende begroeiing. Triomfantelijk allemaal ja, maar dat mocht ook wel. Was er ooit in Holland een weg aangelegd die zo vernuftig en genereus vervlochten was met de eigenaardigheden van het landschap en de betekenissen die de bewoners ervan erin meenden te ontdekken? Het reusachtige bijbehorende kunstwerk, zojuist plechtig in gebruik genomen, lag net ten oosten van de weg languit blauwgroen te glimmen en weerspiegelde de Hollandse lucht. Precies zoals de bedoeling was. Wat een geluk dat het weer die dag zo voorbeeldig was. Dit was de dag van de officiële onthulling van het kunstwerk. De vlaggen en banieren wapperden met aandoenlijke geestdrift.

Zo! Na een tevreden zucht keken de wethouders, de mannen van het projectbureau, Rijkswaterstaters, commissieleden, de kunstenaar en zijn kameraden en een paar journalisten de koninklijke wagens na. Uit een oogpunt van publiciteit en entertainment was een majesteit veel meer waard dan een president. Dat zag je maar weer vandaag. Een president was toch gewoon een omhooggevallen meneer of mevrouw; dat hield altijd iets willekeurigs en banaals. Een majesteit was zeldzamer, straalde stukken meer glamour en chic uit en was oneindig veel beter op zo'n symbolische taak in de media berekend dan een burger die een leven lang allerlei andere baantjes had afgewerkt. Een majesteit was een professionele beroemdheid, daar had je veel meer nut en plezier van. Goed getraind, afgericht en van jongs af aan gedeformeerd naar de eisen die het leven als majesteit stelt. De ideale mix van traditie en moderne, betrouwbare massacommunicatie.

Beetje veel schouderklopjes kreeg hij, vond Timon Lemoitié. Zenuwachtige, harde handen waren het, die hij liever ontliep. Brave hond. Zijn kunstje gedaan, nu terug naar zijn hok. Hadden ze dat afgesproken? Net alsof de gemeentemannen, commissieruiters en projectpiefen opgelucht waren dat hij zich gedragen had tijdens het bezoek van de majesteit. Blij dat ze van hem af waren, ook. De onthulling van het kunstwerk was de afsluiting van het dure en ingewikkelde project van den470, dat al tientallen jaren duurde. En de majesteit was natuurlijk helemaal van de kunst, dus dit was een grote dag geweest.

Nou, ze was inderdaad indrukwekkend geweest. Vriendelijk en geïnteresseerd naar de bobo's toe (met zo'n tuitmondje knikken, waardig, zodat schouders en kapsel in evenwicht bleven), maar ze had hem het gevoel gegeven dat ze aan zijn kant stond; dat haar echte sympathie naar de kunstenaar uitging. Hoe haar stem lichtjes zakte als ze tegen hem sprak en hij naar haar toe moest buigen om haar goed te verstaan. Het oogcontact, net wat langer dan de beleefdheid voorschreef. En de complimenten, nou, die waren beknopt en ter zake kundig. Haar volume was gedempt zodat de omstanders wisten dat ze afstand moesten houden en dat de opmerkingen uitsluitend voor hem, voor de kunstenaar bedoeld waren.

‘Ik bewonder vooral uw moed, meneer Lemoitié, om zo'n groot en eenvoudig beeld te kiezen. Eigenlijk is het niet meer dan de schaduw van een reusachtige kerktoren gemaakt van groenblauw glas. En mij doet het denken aan de beroemde waterpartijen in oude Hollandse landschapsschilderijen, die in hun weerspiegeling de hemel plat op aarde leggen. Natuurlijke spiegels die de oneindige ruimte de vlakke, verkavelde mensenwereld in trekken. Ik houd van het contemplatieve effect daarvan, de verwijzing naar spiritualiteit. U doet werkelijk iets met de geschiedenis van dit landschap, maar ook met de verbeelding, de kunst die zich erop heeft geënt de afgelopen eeuwen. Hoe is het trouwens mogelijk dat de kleur verschiet van azuur naar turquoise en bijna lentegroen? Dat viel me op toen we erlangs reden.’

Kon hij uitleggen dat dat nou precies de reden was waarom hij gevraagd had dat de majesteit het kunstwerk voor het eerst zou zien vanuit een rijdende auto? Komend vanuit het zuidwesten. Dan zou het, gezien vanaf de licht verhoogde weg, opdoemen in het zo zorgvuldig opgeknapte, authentiek gemaakte Hollandse polderlandschap. Twee lagen van een nieuwe glassoort en daartussen twee folielagen, de een groener, de ander blauwer, die hun verspringende effect ontleenden aan een polariserende kleurstof. En natuurlijk speelde mee dat het geheel op anderhalve meter hoge stalen stelten stond en dat het daaronder intact gelaten land met zijn sloten, gras, riet en modder meekleurde. Het water in slootjes en plassen kaatste zelfs van onderen licht in het werk. Een Hollandse luchtspiegeling.

‘Ook subtiel dat u die kleine ijzeren windmolens er gewoon doorheen laat steken. Juist die details geven het grote gebaar zoiets betoverends.’

Lemoitié had even op zijn voeten op en neer gewipt, zo blij was hij dat ze dat gezien had en hem de kans bood te zeggen dat het hem om een beeld en niet om een object of een volume ging. Het werk was groot: zeshonderdvijfentwintig meter breed en tweeëntwintighonderd meter lang. Maar toch moest het meer weg hebben van een fata morgana dan van een monumentaal gebouw. Plat en doorschijnend relativeerde het zijn eigen aanwezigheid. De regen werd er bijvoorbeeld niet door tegengehouden. Tussen de platen door waren gootjes die het hemelwater eronder verdeelden. En het materiaal liet genoeg licht door om het gras eronder te laten groeien. Dat het zo groot was had te maken met het zicht vanuit rijdende auto's. Mobiele ruimtelijkheid, noemde hij dat maar. Het landschap was tegenwoordig iets om vanuit een rijdende auto in je op te nemen. Als op een scherm. Het Hollandse land zelf was een scherm en ja, dit was een beeld dat als een lichtvlek in het landschap moest liggen. Een imposant en toch ijl beeld dat herinnerde aan de horizon van vroeger, toen kerktorens de verte zichtbaar en leesbaar maakten, de ruimte peilbaar. Toen mensen nog leefden in kleinsteedse gemeenschappen om een of meerdere kerken en marktpleinen heen. Tegenwoordig was Holland een stedelijke zone, een netwerkstad, waarin alles alleen maar kon bestaan dankzij de mobiliteit. Wie niet bereikbaar was, wie zelf niet mobiel was leed verlies, ging failliet, vereenzaamde, kon niet werken, communiceren, consumeren, recreëren.

Het landschap aan de n470 was helemaal herschapen vanuit dat idee. Juist ook als natuurgebied en recreatiezone was het omringende land opgeknapt en aangepast. Ontsloten voor kano's, fietsers, wandelaars; en die kregen heel wat afwisselenders, gezonders en interessanters te zien dan de toestand waarin dit deel van Nederland pakweg twintig jaar geleden verkeerde. Er waren veel meer verschillende plantjes, biotopen en afgeschermde ruimte voor dieren dan vroeger. Allemaal dankzij de nieuwbouwwijken en de aanleg van de n470. Die maakten de radicale herdefiniëring van dit gebied noodzakelijk, immers. De verloedering en verwaarlozing waren een halt toegeroepen. Dat gevende en zorgzame, dat zichzelf wegcijferende, maar constant verrijkende, dat zat in het plan voor dit gebied, voor deze weg en dat moest zijn kunstwerk vieren. Dit soort zinnen, allemaal eigen formuleringen van het gedachtegoed rondom de n470, vuurde hij in rap tempo op de majesteit af. Hij kon niet goed aan haar zien of ze enig geloof aan de beleidsretorica hechtte. Maar daar was ze majesteit voor.

‘Ja, da's het Hollandse genie. Ruimte scheppen in de schijnbaar volle ruimte. De mystiek van de praktische inventiviteit; denk aan Saenredam en Cruijff en Vermeer en Bergkamp,’ zei een museumcurator, ene Kruinkamp, die op Timon en de majesteit afliep. Hij glimlachte er heel griezelig bij. De glimlach van een overijverige winkelbediende in een stille herenmodezaak. Je moest moeite doen niet zichtbaar te letten op zijn deftige, smakkende manier van praten. En zijn armen in het bespottelijke grofgeruite jasje gebaarden dat ze genood werden zich bij de rest van het gezelschap te voegen. Tot overmaat van ramp hing er een bordeauxrood vlinderdasje onder zijn kin. God, wat haatte Timon die man. Verderop stond een lange gedekte tafel met glazen champagne te fonkelen in de zon. Zo in de buitenlucht hadden symbolen van luxe en deftigheid altijd grote moeite te overtuigen. Alsof binnenlicht en muren nodig zijn om de glamour in te lijsten die in de open ruimte vervloog. Wat restte was keurige banaliteit.

Na het vertrek van de majesteit werden de gesprekken losser. Timon Lemoitié raakte in het centrum van de draaikolk. Iedereen legde even bij hem aan voor een bon mot, een compliment, een belofte van latere gesprekken, telefonades en projecten. Timon voelde hoe de bestuurlijke bemoeienis met de kunst, een zware, blinde massa van papier, geld en menskracht, voor even om hem heen draaide. Dieper in de wierzee aan masterplannen, programma's, voorschriften, beleidsnota's, budgetten, uitkoopcontracten, milieuvoorschriften, vergaderingen en briefings kon hij niet doordringen. Het was anderhalf jaar geleden begonnen met een brief en een telefoontje. Via ontwerpen, briefings, werkbesprekingen en contracten was hij alsmaar verder in de Hollandse bush doorgedrongen. Vandaag, de dag van de onthulling, was het hart der duisternis, het diepst van de wildernis. Je zag het er als argeloze passant niet aan af, aan deze zo schoon en open, zo oer-Hollands ogende dag met zon, een frisse bries, kristalhelder zicht en een sappig groene aarde. Maar in Timon ontvouwde de duisternis zich. Hij liet het gebeuren, al schrok hij van de dwanggedachte dat er rook in zijn hart moest zitten in plaats van bloed.

Er kwam een architect bij hem staan. Een beweeglijk mannetje met dun krulhaar en een olijke bril. Hij moest al in de vijftig zijn maar hij bruiste van de energie. Timon kende hem wel. Hij had in de commissie gezeten die hem de opdracht gegeven had.

‘Even met je klinken! God man, het werkt echt zoals je het bedacht hebt. Petje af. En in zijn formele eenvoud, gewoon het silhouet van een Dick Bruna-kerktoren, nou ja, beetje langer dan, heeft het iets bescheidens zelfs. Het moet wel zo groot zijn om landschappelijk te werken, maar het is ingehouden. Je houdt oog voor de rest. De struiken en...’

‘De civieltechnische kunstwerken,’ betrapte Timon hem op een stokpaardje. Hij tikte met zijn glas nog een keer tegen dat van Leo aan.

De man, Leo Dentgenbach, zag het hele n470-gebied als een sociaal kunstwerk, waar beplanting, innovatieve methoden van draineren, slimme anti-kantelbermen, extra sterk beton, ingenieuze hangende fietspaden, verzonken wegdelen, smaakvol beklede viaducten en ecoducten de triomf vierden over de weerspannige historische werkelijkheid en de bureaucratie. ‘Uhja,’ zei hij verbouwereerd, ‘jouw werk past zo goed in het geheel. Dat wilde ik eigenlijk zeggen.’

‘Dat zeg je ook. Op geheel eigen wijze. Dankjewel!’

Leo sloeg hem met een onhandige beweging tegen de bovenarm en liep onzeker grijnzend weg.

Zolang Timon met instemming reageerde op de ragfijne en functionele retorica van de n470 kon hij zijn zoals zijn kunstwerk: passend, spiegelend; een teken dat iets van verbondenheid opriep met een groepsidentiteit, een geschiedenis, zonder nostalgisch te zijn. Kortom, iets dat op zichzelf stond, maar storingsvrij communiceerde met de structuur waaruit het voortkwam. De ideale kunstenaar, de leverancier van een door iedereen herkend en toch met verrassing onthaalde bijdrage; een versmelting tot een enkel beeld van alle collectieve inspanningen en gedeelde waarden. Alle gezeur, gesteggel en gemarchandeer, alle droogstoppelige dossier-Reiterei, ze konden vergeten, ja overstegen worden; de energie ervan was opgegaan in dit hypermoderne en toch idyllische landschapswerk.

Een iets te zwaar opgemaakt jong vrouwmens legde een hand op zijn arm. Of hij mee kon lopen, er stond een journalist van de regionale krant op hem te wachten. Voor een foto midden op de Klapwijkse Knoop, een rotonde en het punt van waaruit je het werk het beste kon zien. En voor een gesprekje met een verslaggever. Ze was wat mollig en droeg net iets te krappe kleren. Een vleugje slechte smaak dat hem beviel. En ze rook wel lekker, deze Angela van het informatiecentrum. Een parfum met amandelen, haar zweet en de geur van kantoorkoffie vermengden zich tot een aroma dat hij niet anders dan als vertrouwelijk en gezellig kon bestempelen. Op het moment dat ze voor de journalist kwamen te staan, sloeg hij uit pure gezelligheid een arm om Angela's schouders heen. Die liet hem giechelend begaan. Van alle mannen die tegen haar aan hadden gestaan tijdens de receptie en hun middelbare blik over haar ronde vormen hadden laten glijden, was Timon Lemoitié in haar ogen veruit de aantrekkelijkste. Hij was het centrum van alle aandacht en hij zag er apart uit met die hippe opdruksels op de rug van zijn colbert, zijn overhemd met veelkleurige lettertekens (was het Thais?) en de messcherpe bakkebaardjes. Hij had tenminste schijt aan de stijve ambtelijke omgangsvormen.

De man van de krant was vierkant (even breed als diep) en reikte tot aan Timons tepels. Een beige geruit hemd spande over zijn hangbuik. Timon keek in het oververmoeide, bozige gezicht en stak zijn hand vooruit. Hij had er opeens grote zin in.

‘Peter van Leunen, ad HaagseCourant,’ bromde de man en hij keek Timon broeierig en aftastend aan. Hun handen grepen elkaar kort vast.

‘En Peter, hoe is de eerste indruk?’ Lemoitié legde extra geestdrift in zijn stem. Hij veerde zelfs een beetje door de knieën en trok zijn wenkbrauwen op. Hij keek de dagbladeraar recht in de ogen. De uitwerking was heerlijk om te zien. Peter was volledig uit het veld geslagen. Hij stond met een open opschrijfboekje in zijn hand. De wind speelde met de bladzijden, volgeschreven met vragen die hem even uit handen geslagen waren. Hij herstelde zich door de ogen half dicht te knijpen. Hij zei: ‘Het is me nogal wat, hè? Een beetje spektakelkunst. Enne, hoeveel heeft het precies gekost?’

‘Moet je bij de projectleiders zijn. Maar er was door de democratisch gekozen overheden ooit besloten tot een één-procentsregeling en we zijn binnen het budget gebleven. Overigens dat viaductje dat je daar ziet is bijna vier keer zo duur hoor, als je de onteigening van het landje eronder meerekent. Van die één procent is nog heel wat geld over.’

‘Eén procent van hoeveel, tweehonderdtwintig miljoen euro?’

‘Hollands licht.’

‘Wat?’

‘Hollands licht, die film. Heb je die gezien?’

‘Nee, ik vroeg naar het geld dat.’

‘Je moet effe de tijd nemen om te kijken naar de beweging van die wolkenpartij en hoe dat de weerspiegeling van dat licht in die glasplaten afzwakt. En hoe het dan weer oplicht, als de wolken wegtrekken. En hoe de kleuren in het landschap met elkaar spelen. Zoals jonge dieren in de wei. Probeer dát nou in de krant te krijgen.’

‘Nou, ik ben niet ingehuurd om een lofzang op jouw kunstwerk te schrijven. Ik moet de lezers, de kiezers van de omringende gemeenten informeren over wat er nou precies gebeurt hier, wat het hun kost en wie erachter steekt.’

Lemoitié liet het hoofd demonstratief zakken en pakte een hand nootjes uit het bakje dat Angela hem voorhield.

‘Tsjaaaa,’ zei hij pesterig en hij keek Peter van de krant glimlachend aan. ‘Jij vond die hele weg al geen goed idee, raad ik zo.’

‘Nou euh nee, maar het gaat nou niet over mij. Het gaat vandaag over die glazen kerktoren die daar...’

‘Het gaat over die weg, man. Allemaal belastinggeld dat terug de maatschappij in gepompt wordt. Ten behoeve van die nieuwbouw-wijkbewoners die naar Den Haag, Zoetermeer, Rotterdam en Utrecht willen karren, maar dan zonder al te ver om te rijden. Liefst zonder file. Infrastructuur, hoogwaardig, milieusparend, nee, zelfs natuurversterkend.’

‘Oh dus de kunstenaar zit helemaal op dezelfde lijn als de bestuurders hier. Is de kunst helemaal gelijkgeschakeld? Hoe verhoudt jouw kunst zich tot deze weg?’

‘Heel simpel. Er mag van alles mankeren aan hoe het gelopen is rond deze weg. En misschien zijn er hier en daar wat sneue compromissen gesloten, maar het idee achter de herinrichting en opwaardering van dit gebied is overeind gebleven. Voor die visie achter dit grote project wil mijn werk een beeld zijn, een icoon. Bovendien, iedereen die van dit Hollandse landschap houdt ziet dat het kunstwerk daar iets aan toevoegt vanuit de kwaliteiten die we erin waarderen.’

‘Maar de natuur is geen abstracte kwaliteit, geen idee. Jouw werk staat gewoon pontificaal boven op een gebied waar watervogels horen te broeden. Zo is het met die weg ook. De retoriek is prachtig, maar de praktijk is even ruw en schadelijk als de wegenbouw uit de jaren zestig of zeventig.’

Timon keek in de verte. Hij stak een arm uit. Een vragende, zwak grijpende hand. ‘Peter, welke natuur?’

‘Nou, die weides en moeraslandjes en de biotopen van water en weidevogels en de...’

‘Ik weet niet wat jij ziet, maar ik zie onrendabel geworden landbouwgrond. Decoratieve boerderijdieren. Kunstmatig drooggemalen rivierdelta-moeras. Dat door eeuwenlange bemaling alsmaar verder is weggezakt en ingeklonken. Verder zie ik nuttige wateropslagbekkens, slim gecombineerd met een kunstmatig gediversifieerd poldergebied dat smaakvol is ontworpen voor het recreatief fietsen, kanoën en plantjes en vogels kijken. Het is slim rond watertjes, een eendenkooi en de Vinexwijken gedrapeerd. De weg hindert de watertjes, kikkers en fietsers niet en zelfs de herrie en zichthinder in de omringende dorpen is geminimaliseerd. Er zijn enclaves waar de vogeltjes rust hebben. Het is een hi-tech grootstedelijk park. Geen natuur. Voor natuur moet je naar Noorwegen, Peter, niet naar Pijnacker.’

Peters gezicht werd wat donkerder van opwinding. Hij schreef. Zijn mond verstrakte.

‘En de kerktoren... Heeft die een neoreligieuze betekenis? Een oproep misschien om weer christelijk te worden tegen de oprukkende islam?’

‘Grappig dat je meteen laat weten wat je me graag hoort zeggen. Nee, het beeld is ontleend aan een volgens mij heel herkenbare Hollandse ruimtelijke ervaring. Je schaatst op een heldere winterdag over een plas. Zon. Zwart ijs. Geel ritselend riet. Overal in de verte zie je de kerktorens van de dorpen. Je koerst op die torenspitsen zoekend naar warme chocolademelk, pannenkoeken, een beerenburgje, een bord haché. De glasplaten verwijzen naar ijs. Ook al werken ze visueel als water. Zoals mijn werk in het land ligt is het een synthese van al die beelden en ervaringen, van de geschiedenis die daarin is opgeslagen. Een heel Hollands soort schoonheid. Het ziet er toch schitterend uit? Voel je niks als je ernaar kijkt?’

Peter haalde zijn schouders op. Hij noteerde de uitspraken van Timon.

Timon kon het niet laten. Hij zei tegen de verslaggever: ‘Dan moet jij zeggen: bij de nazi's zag alles er ook schitterend uit. Leni Riefenstahl, prachtig! En dan citeer je Armando, schoonheid is niet pluis.’ Hij grijnsde even naar Angela, die niet-begrijpend teruglachte.

Peter van Leunen bedankte voor het vraaggesprek en meed Timons blik. Snel handje. Daarna beende hij wijdbeens achter zijn buik aan naar de tafel met champagne. Timon wist dat de man van de Haagse Courant hem een arrogante klootzak vond. Een mooipratende kontkruiperige kunstenaar, die meelulde met de regenten en een enorme bult belastinggeld in zijn zak stak. En nog een praalhans en rokkenjager bovendien. Maar zou dat ook in de krant komen te staan?

Inge Corvo keek verbaasd in het gezicht van de presentatrice. Ze veegde haar steile zwartgeverfde haar uit haar gezicht. Geen idee wat ze zeggen moest. Een paar seconden duurde het.

De omroepster zat kaarsrecht op haar bureaustoel achter de microfoon van de regio-omroep West en stak haar aanzienlijke boezem, strak verpakt in een gebreid truitje in alle kleuren van de regenboog, professioneel vooruit. Ze had gezegd dat ze het zo raar vond dat een kunstenaar stelling nam tegen de aanbesteding van kunst langs de nieuwe n470. Daar viel toch gewoon iets te verdienen voor kunstenaars? Of was het afgunst en had zijzelf een werk willen bedenken?

‘Nou, mij gaat het er meer om dat de kunst wordt gebruikt om de werkelijkheid van en rond de weg te verdoezelen. En meer eigenlijk niet. Het hele proces waarin die openbare kunstopdrachten totstandkomen is een pr-campagne van de overheid. Het is propaganda. Ik voel me als kunstenaar niet zozeer schatplichtig aan de goede bedoelingen van de bestuurders, maar aan een zoektocht naar waarheden.’

‘En vandaar je aanbod om bij iedere gewonde die er op de n470 valt een paneel van het werk van Timon Lemoitié kapot te slaan.’

‘Flauw om dat zo plompverloren te noemen.’ Corvo liet zich achteruitzakken. De radiovrouw gebaarde driftig dat ze met haar gezicht bij de microfoon moest blijven en Inge kwam gehoorzaam weer naar voren.

‘Eh, er zijn ook mensen die grond en grasplaggen op het werk willen neerleggen zodat het nog wat beter onderdeel van het landschap wordt. Ikzelf ben geld aan het inzamelen voor een kunstproject dat op zomeravonden de tunnelbak in de oosttak van de n470, onder de Strikkade bij Pijnacker door vier felle schijnwerpers belicht. En van bovenaf wordt dat door een groothoeklens gefilmd en live en direct op een lokaal televisiekanaal vertoond.’

‘Maar waarom?’

‘Ten eerste ziet het er geweldig uit. Het is een open tunnelbak van driehonderd meter met een klein overdekt stuk van twintig meter. Een grootsteeds viaduct in een weiland. Gekleurde linten auto's die bij spookachtige verlichting onder een stille weg doorschuiven. Zo zien mensen dat ding zelden. En bovendien is het vele malen kostbaarder en even knap als het werk van Lemoitié.’

‘Maar wat zeg je als iemand tegenwerpt dat dat een nogal absurd plan is. Wie wil dat zien? Wat toont zoiets aan? Iedereen was het toch om het behoud van de natuur te doen, om het goed besteden van het geld?’

Inge schoof op haar stoel. Ze werd enthousiast. Langs haar neus keek ze naar de schuimbol om de microfoon en concentreerde zich op haar woorden. ‘Absurd is nu exact het goede woord. Totaal ongerijmd. Lachwekkend en vreselijk tegelijk. Dat is de inzet van al mijn activiteiten rond de n470. Ik wil ongevraagd, als kunstenaar, de totale ongerijmdheid, de idiotie zichtbaar maken die in het hart van een project als dit ontstaat.’

‘Maar wat is er nu redelijker dan een weg aanleggen omdat mensen dat graag willen en als overheid niet alleen met alle belangen van mensen, planten en dieren rekening houden en puzzelen, maar ook nog eens iedereen eerlijk betalen en op de koop toe gemeenschapsgeld uitgeven aan kunst om de boel op te fleuren? Wat is daar absurd aan?’

‘Heb je wel eens zoveel suiker in je thee gedaan dat het brandde op je tong? Ben je wel eens zo lang op dezelfde plek geaaid dat je er een blaar kreeg? Heb je wel eens zoveel zachte new-age-bamboefluiten door elkaar gehoord dat je in plaats van rustig juist opgefokt en agressief werd? Heb je wel eens een vriendje gehad dat zoveel wilde uitpraten dat er geen lol meer aan was? Of een vader die zoveel redelijke dialoog voerde dat het als een vorm van agressie overkwam?’

‘Wat wil je daarmee zeggen? We moeten zo naar Ster en nieuws...’

‘Jij hebt nu even moeite dat te snappen, maar de luisteraars hebben mij allang begrepen. Dus doe nu meteen maar Ster en nieuws.’

De groep rond Inge Corvo kreeg landelijke publiciteit. Iets dat Timon Lemoitié niet ten deel was gevallen. Na een giechelig item bij Hart van Nederland, waarin ze als een gothic marginaal, een lokale zonderling werd opgevoerd, volgde een interview in het kunstkatern van de Volkskrant. Daarbij stond een foto van Corvo genomen in het rietland bij de Klapwijkse Knoop. In de achtergrond was het kunstwerk te zien. Ze poseerde, maar de ironie droop ervanaf. Ze stond recht en trots in haar zwarte leren hesje en haar tot de grond reikende rok. De wind trok aan de wijde rok en gooide haar lange zwarte piekhaar alle kanten op. Ze leunde op een lange ebbenhouten wandelstok met een zilveren knop en trok een sardonische grijns. De fotograaf had geluk gehad met schitterende wolken. Wit maar ook verschillende kleuren grijs. Gespierde wolken, speels en dreigend tegelijk.

In het vraaggesprek benadrukte ze nog weer eens dat ze het werk van Lemoitié niet lelijk vond, maar te behaagziek, te braaf. Gehoorzame kunst, noemde ze het. Ze wilde het met haar acties aanvullen. Afmaken. De waarheden die het met zijn aantrekkelijkheden verdoezelde, die waren het brandpunt van haar artistieke inspanningen. Over het vervolg van haar aanvullingen was ze vaag. Er was een film in de maak, die aan de hand van gesprekken en tochten door het gebied wilde inventariseren wat er aan hutjes en landjes, weggetjes en plekjes verdwenen was door de aanleg van het nieuwe gebied en de weg. Op de vraag of de geruchten van op handen zijnde vernielingen enige grond hadden, zei ze dit: ‘Zoals de weg iets vernielde om iets nieuws te kunnen laten ontstaan, zo moet ook kunst een vorm van pijn en verlies of ontregeling opwekken om iets te openbaren dat anders niet te ervaren valt. Hedendaagse kunst is allang niet meer beperkt tot het visuele. Geluiden, gebeurtenissen en dus ook dit interview of het met sms'jes en email overspoelen van het gemeentebestuur kunnen onderdeel van een kunstwerk zijn. Iets vernielen dus ook. Maar net als bij potloodtekeningen geldt daarvoor: je hebt goede en slechte, stompzinnige en betoverende.’

Op een zomeravond voer een twintigtal jongeren uit Delft met kano's het gebied in en bracht een laag goudverf aan op de torenspits van Lemoitiés liggende kerktoren. Ze hadden fotografen op de hoogte gebracht die bij het opkomen van de zon spectaculaire foto's maakten. Ze verschenen in kranten en weekbladen. Tal van gemeentelijke instanties kwamen in het geweer. Zeven jongeren werden geverbaliseerd. Inge Corvo wilde de zitting bij de kantonrechter filmen, maar werd geweerd. Kort daarop verschenen de eerste artikelen over de procedure die tot de opdracht voor Lemoitiés kunstwerk hadden geleid.

De kunstenaar zelf was in het buitenland. Via de telefoon zei hij tegen een journalist dat de beelden die hij op het internet gezien had wel indrukwekkend waren, maar dat een door de gemeenschap neergezet kunstwerk niet vogelvrij kon zijn. Hij eiste dat zijn opdrachtgevers hem en hun keuze voor dit werk in het openbaar verdedigden.

In het gekrakeel dat losbarstte ging het maar zijdelings over het kunstwerk, en grotendeels over de wirwar van instanties en bestuurslichamen die bij de totstandkoming ervan betrokken waren. Columnisten maakten zich vrolijk over de bergen papierwerk, de commissies, de communicatiebureaus en de deskundigen die eraan te pas waren gekomen en hun byzantijnse relaties met de gemeentelijke overheden.

Inge Corvo publiceerde in de zaterdagse Opinie & Debat-bijlage van het NRC Handelsblad een essay waarin ze op bloemrijke wijze de situatie interpreteerde. In haar ogen groeide de ophef over de n470 en Lemoitiés kunstwerk uit tot een monumentale oer-Hollandse gebeurtenis.

‘Eindelijk begint het werk te doen wat het eerst alleen visueel deed: de omringende wereld te spiegelen. Zolang het duurt brengt de opwinding en de discussie over wat er in het land tussen Delft en Zoetermeer is gebeurd aan het licht wat anders buiten de publiciteit en buiten de directe beleving van de burgers blijft. Het kunstwerk is erdoor bevrijd en geeft zicht op de ware Hollandse wildernis. Niet die van planten en dieren, maar van groepen mensen en hun strijd om bewegingsvrijheid en het gemeenschappelijk gebruik van de beperkte ruimte. Is het geen pure barok, zoals bestuurders, civieltechnisch ingenieurs en architecten jarenlang aan de totstandkoming van deze weg door dit oude land hebben gewerkt? De schoonheid daarvan, het redelijk en wettelijk gemaakte geweld ervan, de visie van een betere, efficiëntere, ecologischer toekomst en de bizarre effecten ervan, ze zitten er allemaal in. Lemoitiés werk leek de bezegeling van een triomf; alles rijmde. Nu blijkt hoeveel ongerijmds er schuilgaat in Holland. Hoe we gedoemd zijn te leven in onze gereglementeerde netwerkwereld als indianen in het regenwoud. Die tweede natuur is als de eerste: mysterieuzer en machtiger dan onze bedoelingen en onverschillig als het aankomt op wat wij goed of slecht vinden.’

Inge Corvo kwam tevoorschijn vanachter de rij papyrusplanten die de gang van het politiebureau scheidde van de zaal. Daar zaten journalisten, ambtenaren en sympathisanten van Corvo te wachten tot ze achter de tafel zou plaatsnemen. Ze was na een dag hechtenis vrijgelaten en zou een verklaring geven over wat er daags tevoren was gebeurd. Uit het hele land waren bijna honderd oude zwarte auto's naar Pijnacker en Rotterdam gereden. Gammele Skoda's, aftandse Toyata's en hoestende Volvo's. Stuk voor stuk rijp voor de sloop. In een alsmaar langzamer rijdende stoet waren ze uit twee richtingen de n470 opgereden en op een commando dat via mobiele telefoons was gegeven, op hetzelfde ogenblik, verspreid over de hele weg tot stilstand gekomen. De inzittenden waren uitgestapt en hadden wandelend hun reis vervolgd. Corvo zat in een van de auto's samen met een radiojournalist. De file was even lang als de n470 en het duurde tot diep in de avond voordat alle auto's waren weggereden of weggesleept. Corvo werd gearresteerd toen ze in Berkel-Rodenrijs op de trein wilde stappen.

Ze keek de zaal in waar flitslichten afgingen. Ze keek op haar horloge. Ze droeg geen zwarte kleren meer, maar een zandkleurige linnen broek met een wit loshangend hemd. Er stonden al verslaggevers op om haar iets te vragen. Iemand riep: ‘Mevrouw Corvo, bent u bang dat de gemaakte kosten op u verhaald zullen worden?’

Ze schudde het hoofd en stak haar hand op. Nog even wachten, leek het te betekenen. Toen was het precies kwart over vier en betrad Timon Lemoitié de zaal. Hij was uit een taxi gestapt en in een pittig tempo naar binnen gelopen. Inge Corvo stond op en spreidde haar armen. Timon, in een wit overhemd en een vale spijkerbroek, zette zijn zonnebril af en viel haar achter de tafel vol microfoons in de armen. Er ging een golf van opwinding door de zaal. Een van de ambtenaren begon aan Lemoitié te trekken, maar die duwde de man van zich af.

Timon voelde zich lichter dan hij zich in jaren had gevoeld. Iedere stap die hij dichter vanaf de taxi naar Inge was gelopen had een klein gedicht geleken, een welgevormde zin, een even eenvoudige als opzienbarende formulering. En de omhelzing was het laatste woord, waarmee alles zou beginnen.

Hij ging zitten naast Inge Corvo en zei boven het klikken van de camera's en het roepen van de journalisten uit: ‘Als het wat rustiger wordt zullen Inge Corvo en ik al uw vragen over onze samenwerking beantwoorden.’