Teylers Derde Genootschap voor Duurzame Ontwikkeling

Precies tweehonderdvijftig jaar geleden stelde Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778) zijn testament op waarin hij bepaalde hoe zijn miljoenen moesten worden besteed ter bevordering van wat we tegenwoordig de ‘christelijke Verlichting’ noemen. Teylers Museum werd gebouwd, het Godgeleerd Genootschap en het Tweede of Natuurwetenschappelijk Genootschap werden gesticht. Ter ere van dit vijftigste lustrum heeft de Teyler-familie besloten Teylers Derde Genootschap voor Duurzame Ontwikkeling op te richten en hieraan een budget toe te kennen van honderd miljoen euro voor multidisciplinair onderzoek op het gebied van duurzame ontwikkeling in energie, economie en ecologie. De subsidievoorwaarden en het aanvraag formulier zijn te vinden op: www.teylersderdegenootschap.nl.

De christelijke verlichtingsconceptie in de achttiende eeuw rustte op twee pijlers (zie W.W. Mijnhardt in ‘Teyler’ 1778-1978). Enerzijds de rede met als complement in de tweede eeuwhelft het gevoel, die beide verantwoordelijk waren voor het ontstaan van het complex van ideeën over deugd, vooruitgang, opvoeding en maatschappelijk nut. Anderzijds de openbaring, die de garantie vormde voor Gods leiding in een harmonische wereld. Dit dualisme tussen rede en openbaring, dat een breuk betekende met de orthodoxe opvatting die in de christelijke godsdienst uitsluitend de geopenbaarde heilsreligie zag, vormt de kern van het verlichte klimaat in de achttiendeeeuwse Republiek. In dit kader ontstonden Teylers eerste en tweede genootschap.

Ongetwijfeld was de Verlichting het juiste klimaat voor de industriële revolutie, voor een enorme technologische ontwikkeling en economische groei, voor globalisering, voor verbetering van de voedselvoorziening en medische zorg. Geen wonder dat men, althans in West-Europa, geloofde in maatschappelijke vooruitgang, zoals ook de eerste musea uit die tijd laten zien. In Parijs het Musée des Arts et Métiers, in Londen het British Museum en in Haarlem Teylers Museum.

Thans is er nauwelijks nog vooruitgangsgeloof, tegenover de economische groei tijdens de eerste decennia van de industriële revolutie stond een daling van de levensverwachting van de arbeiders, tegenover ontdekkingsreizen stonden kolonisatie en slavernij, tegenover technologische ontwikkeling stonden gruwelijke oorlogvoering en genocide, tegenover betere voeding en medische zorg stond bevolkingsexplosie, tegenover mechanisering en automatisering stond massale werkloosheid, tegenover wereldhandel stonden uitbuiting en uitputting, tegenover moderne energievoorziening stonden smog en klimaatverandering, tegenover bio-industrie stond afnemende bio-diversiteit.

Hoe meer we weten hoe minder we geloven, ons wereldbeeld is nihilistisch, doelloos, zonder moreel besef (zie A. Kinneging, Geografie van goed en kwaad, 2005). Voor Copernicus vormde onze aarde het middelpunt van het heelal, voor Darwin waren mensen nog naar Gods beeld geschapen. Door astronomie weten we hoe oneindig groot en leeg het universum is, steeds maar uitdijend sinds de oerknal. Door de evolutietheorie kennen we de boom des levens, waaraan de mensen slechts een kleine zijtak zijn, ontstaan dankzij een schitterend ongeluk. Als we de film van de evolutie helemaal terug zouden draaien naar het begin en opnieuw afspelen, zou de mens dan weer tevoorschijn komen in een gedaante die wij zouden herkennen? Waarschijnlijk niet. Waartoe zijn wij dan op aarde? Als er God noch gebod is, hoe hebben we dan te leven?

Intussen is de wetenschap zelf helemaal versnipperd in specialismen, niet alleen tussen alfa, bèta en gamma, maar ook binnen elke discipline heerst een stammenstrijd en een gevecht op leven en dood om het geld. We verstaan elkaars taal en cultuur niet meer en universele mensen bestaan allang niet meer. Wetenschappers hoereren of hebben van wetenschap een wedstrijd gemaakt waarin het in plaats van om de inhoud gaat om toppublicaties, citaties, prijzen en subsidies ongeacht het doel. Grote aantallen wetenschappers droegen bij aan de Koude Oorlog en de ontwikkeling van massavernietigingswapens, anderen sleutelen onbekommerd aan het genetisch materiaal van plant, dier en mens zonder precies te weten wat de gevolgen kunnen zijn. De allerbeste wetenschap moet fundamenteel dat wil zeggen nutteloos zijn. Is dat niet het toppunt van decadentie? Hoewel onze maatschappij volledig afhankelijk is geworden van wetenschap en technologie en ons wereldbeeld revolutionair veranderd is door wetenschappelijke ontdekkingen, is de plaats van de wetenschap in de postmoderne cultuur gemarginaliseerd.

Terwijl de wetenschap nu juist datgene is waarop we sinds de Verlichting trots zouden moeten zijn. Sinds de Verlichting hebben volkeren met moderne wetenschap grotere overlevingskansen dan volkeren zonder, zodat in korte tijd vrijwel alle volkeren over de hele wereld zich bedienen van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Zo spreken we thans niet alleen van een kenniseconomie, maar ook van een kennissamenleving. Waar het ook en vooral om gaat, of zou moeten gaan, is dat het creatieve moment in de wetenschap, dat nieuwe inzichten in natuur en cultuur bijdragen tot onze veerkracht, tot duurzame ontwikkeling, tot overleven.

De wetenschap heeft niet alleen voor veel mensen de kwaliteit van leven verbeterd, maar dankzij wetenschap weten we ook dat de ontwikkelingen in de westerse wereld veel te ver zijn doorgeschoten. De westerse wereld leeft op veel te grote voet, als we zo doorgaan stevenen we af op een wereldwijde catastrofe. De economische groei is niet vol te houden, zeker niet nu China en India daar ook bij komen, en Afrika? Er zal een revolutionaire verandering moeten optreden in de wijze waarop we onze maatschappij hebben ingericht, anders kunnen we rekenen op gigantische instabiliteiten, volksverhuizingen, terroristische aanslagen, wereldoorlogen, natuurrampen door klimaatveranderingen, en misschien zelfs het voor mensen onbewoonbaar worden van moeder aarde.

Duurzame ontwikkeling is geboden en niet alleen op het gebied van energie, materialen, grondstoffen en industriële ontwikkeling (zie Frank Niele, Energy: Engine of Evolution, 2005), ook op het gebied van waterhuishouding, biodiversiteit, natuurgebruik en voedselvoorziening, ook globalisering zal duurzaam moeten zijn, dat wil zeggen met respect voor elkaars cultuur en etnische afkomst en politieke en religieuze overtuiging. Dit is een uitdaging voor alle wetenschappen, alfa, bèta en gamma, vandaar dat Teylers Derde Genootschap voor Duurzame Ontwikkeling onderzoek wil steunen op elk wetenschapsgebied dat een reële bijdrage kan leveren aan duurzame ontwikkeling, aan overleven. Multidisciplinair onderzoek zal worden gesteund, dus hoe meer wetenschappers uit verschillende disciplines betrokken zijn bij hetzelfde onderzoeksvoorstel, hoe groter de kans op honorering.

Wetenschappelijke kwaliteit blijft een belangrijk criterium, maar economische groei is niet langer vol te houden als hét tweede criterium voor de waarde van wetenschap. Wat dan wel? Hierover is binnen Teylers Derde Genootschap lang gediscussieerd, want we wilden naast wetenschappelijke kwaliteit één maatstaf, één meetbaar criterium, voor duurzaamheid, voor overleven. Bruntlands definitie is bekend: ‘Sustainable development meets the needs of the present generation without compromising the needs of future generations.’ Maar hoe vertaal je dit nu het beste in één meetbare maatstaf voor wetenschappelijk onderzoek? Wij zijn er niet helemaal zeker van, maar we hebben uiteindelijk gekozen voor de ‘levensverwachting’ als hét criterium, althans voorlopig, tot we een beter criterium voor duurzame ontwikkeling weten. Dus Teylers Derde Genootschap zal multidisciplinair onderzoek steunen dat van hoge kwaliteit is én dat bijdraagt aan de vergroting van de levensverwachting van huidige generaties zonder daarbij de levensverwachting van toekomstige generaties te compromitteren.