Natuur en techniek/wetenschap en kunst

Een van de intrigerendste kastjes in Teylers Museum, wat mij betreft, is gevuld met fragmenten van de eerste onderzeese telefoonkabels. Er was indertijd blijkbaar een enorme massa koperdraad, caoutchouc en weet ik het nodig om zoiets vluchtigs en immaterieels als de menselijke stem van hier naar ginds en terug te transporteren. Alsof een hele oceaan vol doffe bonzen en dreunen, vol lebberende zuigmonden en bijtgrage tanden, vol schuivende aardschollen en puin uitbrakende vulkanen, vol corroderend zout en verpappend zeewier erop gebrand was het zo kwetsbare signaal te laten verzinken in gekraak en geruis. De technici van de transatlantische telefoonbedrijven beschouwden deze hel onder water evenwel niet als een bedreiging van hun bestaan, maar als één van vele factoren waarmee ze rekening dienden te houden bij het ontwerpen en realiseren van hun theoretisch mogelijk gebleken communicatieproject. Dat vind ik telkens weer zo ontroerend aan techniek: de onverschrokkenheid waarmee natuurlijke begrenzingen en obstakels door de ingenieurs niet als zingevend kader en existentiële basis van ons bestaan worden aanvaard, maar als elementen die met wat vernuft en gezond verstand te tackelen en toe te eigenen zijn. Schaal doet er daarbij niet toe: kun je de stem via een draadje van de ene naar de andere kamer vervoeren, dan kun je dat in principe ook via een kabel van het ene werelddeel naar het andere. Zoals ik een architect ooit aan een kunstenaar hoorde uitleggen: ‘Ik doe hetzelfde als jij, alleen vermenigvuldig ik alle maten met dertig.’

Onze stem wordt momenteel vervoerd van een mobieltje ergens op straat of in de trein naar een satelliet die een paar kilometer boven het aardoppervlak hangt, en wordt dan teruggekaatst naar precies dat ene mobieltje elders ter wereld waarvoor het bestemd is. Vraag me niet hoe zo'n klein telefoontoestel zo'n sterke zender kan bevatten dat het signaal een schotelantenne in orbit kan bereiken, en vraag me ook niet naar andere technische details, want van dit alles weet ik niets. Maar op de een of andere manier vind ik het psychisch of misschien moet ik zeggen symbolisch aanvaardbaarder dat de stem onzichtbaar door de lucht vliegt (alsof de telefoon het stemgeluid een zet geeft waardoor het verder komt dan zonder technische versterking), dan dat het door een zware kabel heen wordt geperst, waarbij naar verluidt elektronen het transport verzorgen. Hoe dat kan snapte ik op school al niet: terwijl we in het scheikundelokaal leerden dat elektronen muurvast vastgeklonken zaten in atomen en moleculen, kregen we in het natuurkundelokaal opeens te horen dat ze losjes heen en weer klotsten als je wisselstroom door een draad liet vloeien. Ik ging ervan uit dat deze verklaring van het verschijnsel elektriciteit metaforisch van aard was, maar sinds de komst van de computer, waarin elektronen nog veel wonderlijker dingen doen en dat nog pijlsnel ook, heb ik begrepen dat een en ander letterlijk te nemen is. Ik ben niet voor niets biologie gaan studeren: pas vanaf het levende niveau van de werkelijkheid kan ik me iets voorstellen bij natuurwetenschappelijke verklaringen en heeft kennis voor mij zin.

Ik erken ruiterlijk dat de fysica het in de moderne wereld met straatlengten gewonnen heeft van de biologie. Terwijl het nieuwste inzicht dat mijn vak de mensheid te bieden heeft luidt dat de natuur eindig is en, sterker nog, binnen afzienbare tijd grootschalig op haar einde zal lopen als we zo onbekommerd doorgaan met omkappen, oppompen, aftappen, opbranden, lozen, uitstoten, verwarmen en verdringen, heeft de fysica een compleet nieuwe wereld gegrondvest en opgetrokken: het digitale domein. En voorzover er nog takken van de biologie bloeien, zijn die allemaal gewijd aan de apparaten: de machines waarmee genetici dna-codes lezen, neurologen in levende hersenen en embryologen in baarmoeders kijken, wiskundigen modellen bouwen van alle wisselwerkingen in een organisme (van bacterie tot ecosysteem). Probeer in een biologisch laboratorium maar eens het leven te ontdekken dat er wordt onderzocht - misschien dat er wat groene of gele prut in een potje zit, maar verder staan er uitsluitend grijze, koele, cleane apparaten opgesteld. Een bioloog kijkt in onze tijd naar metertjes en lcd-schermen. De veldbiologie, de kunst van waarnemen in de vrije natuur, is geheel overgelaten aan de hobbyisten, de vogelaars, weekendbotanici, natuurclubs, excursies onder begeleiding van uw boswachter. Voorzover professionele biologen nog naar buiten gaan, is dat om de data te verzamelen die hun apparaten nodig hebben voor statistische bewerking.

Levende wezens kunnen niet zonder water en technische apparaten kunnen niet tegen water, dat is ongeveer het verschil. En het droge wint het in onze cultuur altijd en overal van het natte. Het enige wat de wetenschap van het vochtige (de biologie) daar tegenover kan stellen, is de dreiging dat de zeespiegel zo zal stijgen dat alles onder water komt te staan en alle apparaten wegroesten. Ik zag op een tentoonstelling voor elektronische kunst eens een apparaatje, de ‘unplugger’ of kortsluiter, dat je alleen maar in het stopcontact hoefde te steken om alle apparaten in de omtrek lam te leggen. De bioloog in mij kan zo'n antimediaal actiemiddel wel waarderen stel je de wereld voor zonder media -, maar de technofiel in mij vindt het flauw. Het historische feit dat de mensheid zo'n fabelachtig mooie en zinrijke wereld als de natuur met immens veel moeite en inspanning te gronde richt om er zoiets onhandigs en gammels tegenover te stellen als technische apparaten met al hun gebreken en haperingen, dat ontroert me meer dan enigerlei verlangen om heel even of zelfs definitief los te breken uit die technologische troep en een authentiek, oorspronkelijk en eindelijk echt persoonlijk leven te beginnen. Het echte leven is een illusie die alleen met kunstmatige middelen kan worden opgeroepen en gerealiseerd. De natuur daarentegen is illusieloos, en in die zin onmenselijk.

De natuur weet één illusie te wekken, en dat is dat ze onveranderlijk is, dat wil zeggen: steeds dezelfde patronen volgt van voorjaar, zomer, herfst en winter, of vergelijkbare cycli met hun bijbehorende weersgesteldheden, planten en dieren. En dat terwijl de moderne biologie ons ervan heeft doordrongen dat de natuur altijd in ontwikkeling is en er telkens nieuwe soorten bij komen en oude afvallen in de evolutierace die van simpele organismen naar steeds complexere levensvormen voert. Dit darwinisme voedt het cynisch optimisme van degenen die de veranderingen in het klimaat en de ontwrichting van ecosystemen door menselijk gehannes afdoen met de op zich terechte repliek dat al die verdwijnende soorten vanzelf weer zullen worden vervangen door nieuwe - dus wat maakt het uit. Dat mensen zo achteloos tienduizend of tien miljoen jaar vooruit kunnen denken, komt omdat ze in feite nog niet in staat zijn drie maanden verder te zien: in onze technische wereld heeft de factor tijd z'n realiteit verloren. Voor een computer is drie seconden al een eeuwigheid. Binnen het technisch paradigma heeft doodgaan geen zin. De tijd is een van de elementen die met wat vernuft en gezond verstand te tackelen en toe te eigenen zijn. Terwijl de natuur door haar cyclische aard nooit lijkt te veranderen, verandert de techniek voortdurend, zij het lineair, in één tijdsrichting. Ook als apparaten nog prima werken, moeten ze toch worden weggedaan, want ze zijn verouderd. De software is niet meer compatibel met nieuwere systemen, de stekkertjes zijn op een andere standaard overgegaan, onderdelen zijn niet los te koop en hoe chips werken weet zelfs de computerdokter niet meer. Stuk is in de techniek voorgoed stuk, ook als er haast niets aan de hand is.

Een van de gevolgen hiervan is dat alle kunst die met apparaten gemaakt en verspreid wordt, momenteel binnen een paar jaar onbegrijpelijk is. Neem de videokunst van de jaren zeventig tot en met negentig, die bedoeld was voor televisieschermen met beeldlijnen. Daar werden zware magneten op gezet die de lijnen kromtrokken om zo aan te tonen dat ze niet ‘immaterieel’ waren, of de beeldlijnen werden vertraagd waardoor mensen zichzelf op een wonderlijke manier gespiegeld zagen worden, wat de betrouwbaarheid van het televisiebeeld ondermijnde. Sinds beeldschermen uit pixels bestaan zie je geen beeldlijnen meer. De mystiek van de videokunst met haar voorkeur voor beelden van aangeharkte zentuinen en golvend rivierwater is daardoor in de lucht komen te hangen, terwijl ze indertijd heel betekenisvol was, want al die ‘natuurlijke’ lijnen waren evenzovele reflecties van en op de beeldlijnen van het scherm: de televisie als onze nieuwe natuurlijke omgeving, et cetera. Iets dergelijks geldt in nog sterkere mate voor de computerkunst van na 1990. De computer heeft twee revoluties veroorzaakt in de mediageschiedenis: eerst als geïsoleerde computer, gesymboliseerd door de pc met zijn tekstverwerkingsprogramma's, Photoshop en dergelijke, en daarna als op een netwerk aangesloten terminal, gesymboliseerd door het internet met zijn zoekmachines, chatprogramma's, enzovoort. Probeer eens een mooi softwareprogramma van tien jaar terug te kopen in een computerzaak: alsof je een dinosauriër bestelt in een dierenwinkel.

Alle pogingen om de techniek een zinvolle plek te geven in ons leven door op nieuwe technieken te reflecteren met behulp van die technieken zelf (en niet met behulp van plaatjes of beschrijvingen ervan, dus niet met behulp van beeldende kunst en literatuur) - al die pogingen om de techniek ofwel affirmatief als nieuwe natuur te duiden, ofwel kritisch als poging om de natuur te passeren, te overtreffen of overstijgen, met alle transformaties en destructies van dien, zijn in feite verouderd op het moment dat ze zo ver zijn uitgerijpt dat ze als kunst voor het voetlicht kunnen worden gebracht. Ik heb het niet over dode media zoals de tamtam of de buizenpost, die stuk voor stuk keurig worden gearchiveerd op deadmedia.com. Ik heb het over media die vijf minuten geleden nog nieuw waren en enthousiasme losmaakten, en nu hopeloos ouderwets zijn. Toen er onlangs op een festival voor elektronische muziek grafische computerkunst uit de jaren zeventig werd vertoond, stond het publiek ernaar te kijken als naar grotschilderingen uit Altamira of Lascaux: fascinerende symbolen van een voorgoed verdwenen wereld. Vroeger, toen de natuur nog bestond. Vroeger, toen de avantgarde nog bestond. Vroeger, toen kunst de werkelijkheid nog voortbracht in plaats van erachteraan te hobbelen.

Kunst is en blijft het enige middel dat wij mensen hebben om te reflecteren op wat er van ons wordt gemaakt door de technische apparaten waarmee we onze wereld menen te maken. Daarom is kunst het behouden waard - ik bedoel niet zozeer de kunst van vroeger, maar de mogelijkheid om nu kunst te maken, met de meest recente middelen. Dus kunst die niet mooi hoeft te zijn, zoals oude kunst, maar wel ‘interessant’, wezenlijk, ook als er veel grotere, echtere, gewelddadiger en onontkoombaarder zaken op de maatschappelijke agenda staan, zoals klimaatwijzigingen, smeltende eeuwige sneeuw, stijgende watermassa's, verdrinkende ecosystemen en wat de wetenschap ons nog meer voorhoudt voor de komende honderd jaar. De wereld wil maar niet echt worden voor ons, vroeg-eenentwintigste-eeuwers. Misschien dat het rijzende zeepeil uitkomst biedt, zoals menig intellectueel schijnt te hopen, nu de barbaren waar Kavafis nog op wachtte allang op onze pleinen leven zonder een oplossing te hebben geboden. Misschien dat we wakker worden van natte voeten. Ik geloof er niets van. Wij mensen moeten de werkelijkheid, ons werkelijkheidsbesef actief construeren - afwezigheid (geestelijke afwezigheid) is onze natuurlijke toestand. Dat construeren is millennia lang gebeurd met religieuze methoden, thans gebeurt het met technische apparaten. Bewustzijn, je bewust zijn van waar je bent en van wat er heen en weer gaat tussen jou en je omgeving, is een tegennatuurlijke toestand - zowel onze redding als onze doem. Doe mij een museum voor verouderende technieken en voor wat mensen gepoogd hebben via die technieken te weten te komen, bewust te maken, terug te geven. Een museum voor interactieve kunst, al dan niet met apparaten of computers. Een museum voor zelfconstructie via technische middelen. Een museum voor de creatie van bewustzijn. Waar je bij verlaten weer weet in welke wereld je leeft en welke wereld jij levend dient te houden. Jij, stuk natuur.