Ribkarbonades! Gratis! Twee kilo!

De Kleine Komedie was uitverkocht, er hing een knusse theaterschemer in de zaal. Het toneellicht was mild zoals het past bij literair vermaak, om contact met de zaal te vergemakkelijken. Op de bühne stonden Ronald Giphart, Bart Chabot en Martin Bril. Het was een avond vol aandoenlijke anekdotes, komische intermezzo's, parlandogedichten, jolige columns, en vreemde voorvallen. Ze werden opgedist door jongensachtige mannen, die elkaar naar toon en stijl moeiteloos aanvulden. De rolverdeling was als volgt. De een sprak als het ondeugende, maar door en door gezonde verstand, gebrand op de pakkende en zo plastisch mogelijke formulering.

Een tweede trad op als de tegen sentiment en fatalisme vechtende beschouwer. En de derde was de dolende figuur, de eenzame gelovige, die maniakaal op zoek bleef naar zaken en mensen om te bewonderen en te bezingen.

Er waren ook verhaaltjes over de dienstplicht, alledaagse vervreemding, zieke ouders, satires over trends, kinderanekdotes en treffende observaties van stad en landleven. Maar wat opviel was het hoge gehalte aan erotisch of seksueel getinte teksten die het trio ten beste gaf. Was er een verband met het feit dat de zaal voor driekwart gevuld was met vrouwen tussen de dertig en veertig, vaak verschenen in groepjes van drie? Het ging over rokjesdag, over plotseling krap zitttende boorden bij het verschijnen van dames met een groot gemoed, overbuurvrouwen net onder de douche vandaan, de ontregeling die gevaarlijk mooie scholieres teweegbrengen, wilde vriendinnen van vroeger, bustehouders en damesslipjes en het wantrouwen van de echtgenotes. Alles uiteraard in een vermakelijke, soms zelfs moppige toonzetting. De zaal gniffelde, lachte en gierde een enkele keer. Hoeveel andere onderwerpen ook de revue passeerden, de avond werd gedragen door de gulle lach om de pikanterieën.

Het mooiste verhaal van de avond ging over een ongelukkig verlangen dat leidt tot mislukte seks. Het was van Bril, die een laconiek verteld, maar van wanhoop doortrokken relaas deed van een bezoek aan een Chinese prostituee in een piepklein plattelandsbordeel. Het oog voor de schamele omgeving, voor het kwetsbare meisje, voor de onmogelijkheid tot communicatie en de triestheid en verlatenheid van de locatie tilden het verhaal boven de andere uit. Het was om te lachen, maar alsmaar minder, omdat het schrijnde. Het verklaarde niets, maar toonde. Wat het meest banale en alledaagse leek, verscheen hier als een pijnlijk absurde scène waarin de verteller zijn verdwaald verlangen deelde met de zaal. Bril voerde zichzelf op als een wat sullige cliché-man en het verhaal paste daardoor goed in de sfeer van de avond. Maar Bril sleepte de toehoorders weg uit de wereld van de pikanterieën, met de koele, doortastende hand van de echte verteller. Een sleepbeweging die eindigde op een plaats waar het niet moppig, gezellig en oh-la-la was. Verre van, om met Bril te spreken.

Duidelijk niet behorend tot de ideale doelgroep waren er momenten waarop ik last had van mijn aanwezigheid bij de voorstelling. Een vorm van schaamte, die hoort bij de gewaarwording te worden opgenomen in een samenzijn waar je je volstrekt niet thuis voelt. Opgelatenheid is denk ik de vorm van schaamte die ik bedoel. Een jonge banketbakker op een uitbundige party van net afgestudeerde tandartsen. Of Jannes van der Wal bij Mies Bouwman.

Het hevigst was mijn opgelatenheid tijdens een verhaal van Ronald Giphart die in geuren en kleuren uit de doeken deed hoe hij als student met zijn beste vriend een triootje beleefde met een wilde meid. Hij beschreef het geleidelijk totstandkomen van de situatie, het behoedzame benutten van de gelegenheid, het stoere aan het meisje en de vlagen onzekerheid bij de jongens; allemaal licht, ironisch en correct.

De zaal leek van dit verhaal nog meer te genieten dan van alle andere.

Proestende, dubbelklappende dames, ho-ho lachende mannen. Vooral de onhandigheid van de mannen die voor het eerst elkaars erectie aanschouwden deed de temperatuur in de Kleine Komedie stijgen.

Uiteindelijk kwam Giphart toe aan de scène met de daad. En terwijl ik al behoorlijk vervreemd en ongemakkelijk in mijn stoel zat deed zijn schildering daarvan er nog een schepje bovenop. Het was niet het beeld dat hij opriep: de vriend met zijn geslacht in de mond van de dame, Giphart achter en in haar. Het was de manier waarop de schrijver de clou van het verhaal er bij ons inhamerde, die mijn opgelatenheid tot ondraaglijke hoogte deed stijgen. Want waar draaide het verhaal op uit?

Ja, de vrienden keken elkaar aan en zoals ze elkaar toen in de ogen zagen, de vrouw tussen hen in, ja, dat was toch een onbeschrijfelijke band, een soort van ultieme vorm van vriendschap, een soort bloedbroederschap.

Het weeë goedmakertje voor de ondeugende lol die hij bij het beschrijven van het seksuele avontuurtje had gehad was al pijnlijk, maar veel erger was de aanblik die hij bood. Hij droeg de tekst voor met opgetrokken wenkbrauwen, zwaaiende arm, bezwerende toon en uitpuilende ogen. Ik moest onweerstaanbaar denken aan een verre kennis uit Brabant, die een keer binnenstormde en op dezelfde manier vertelde dat hij ergens twee kilo ribkarbonade had gekregen bij de aankoop van een schroefboormachine. Gratis! Twee kilo! Ribkarbonade! Ja, hij! Zo!

Die Brabander wilde graag dat we hem een geweldige, bijzondere kerel vonden omdat hij iemand was die gratis karbonades kreeg. Giphart toeterde over vriendschap, maar leek bewondering af te willen dwingen voor zijn trio-avontuur en vooral voor het zo openhartig opdissen ervan in het openbaar. Nu is een triootje niet iets dat de gemiddelde Nederlander erg vaak meemaakt, zeker niet met een goede vriend, maar dat is het cadeau krijgen van twee kilo ribkarbonade ook niet. Op zichzelf is het iets waar je wel een sneu wereldbeeld voor moet hebben om er iets bewonderenswaardigs en opzienbarends in te zien. Laat staan dat je daar publiekelijk voor om bewondering bedelt.

De zaal waarin ik zat dacht daar massaal anders over. Heerlijk vonden ze het verhaal en ze schikten zich ook eerbiedig en bijna vroom in de vriendschapsclausule waarmee Giphart zijn avontuur afsloot. Tijdens het open doekje piekte mijn opgelatenheid. De schijnwerpers versprongen en daar struikelde Bart Chabot naar voren. Met horten en stoten vertelde hij van een komisch voorval met Herman Brood of ging voordragen uit zijn brieven aan de minister van Oorlog, omdat hij het niet pikte dat hij was afgeschreven als reservist. Opgelucht haalde ik adem. Het mocht er verward en mal uitzien, Chabots act getuigde tenminste van een solide zelfkennis. Weldadig, vrij, speels, waardig zag het er daardoor uit, na het beklemmende verhaal van Giphart.