Toerist in eigen leven

Leidsche Rijn is een nieuwe stad in aanbouw, bedoeld voor honderdduizend zielen. Al tien jaar lang is het bezig te verschijnen tussen oude dorpen. De vrijgemaakt gereformeerde kerk in het lintdorp, niet meer dan een schoenendoos ter grootte van een schoollokaal, staat er tussen de knotwilgen in het grind. De kassen die eromheen en achter de huizen stonden zijn verdwenen. Er liggen nu sportvelden. Er komt een uitgestrekt park met ommuurde heemtuin en asfaltwegen voor skates, boards, fietsers en hardlopers, groter dan het oude dorp. Tussen de zandvlaktes met nieuwe huizen slingeren dijkjes waarop stokoude perenboompjes staan. Het oude land wordt niet, zoals vroeger, tijdens de wederopbouw, geruimd, maar geredigeerd en opgepoetst als ideaal woondecor voor ver weg werkende mensen. Er grazen paarden bij oude boerderijen als in een natuurmonument.

Het landschap van sloten en vaarten blijft op veel plaatsen intact. Soms wordt het ingrijpend verrijkt, zoals door het uitgraven van een in de vroege Middeleeuwen verzande zij-arm van de Rijn. Ten behoeve van de watersport, de landschappelijke kwaliteit en een band met het verleden is er dus de Viking Rijn gepland, een langwerpig, kronkelend kunstmatig meertje. De herenhuizen die gebouwd worden vlak bij de plaats waar het Romeinse militaire badhuis was, liggen beter in de markt. De archeologische rijkdom van het gebied geeft het vastgoed een zekere chic. Er is zelfs zo veel bijzonders gevonden dat er gedacht wordt over een museum. De fundamenten van wachttorens, de locatie van een grafveld dat bij de Romeinse nederzetting hoorde, de vondst van een gouden pronkhelm, de sensationele rivierschepen, tweeduizend jaar oude palingfuiken en gaaf Romeins gereedschap; ze zorgen ervoor dat de nog onvoltooide stad nu al zijn toeristische attracties heeft.

Leidsche Rijn is gevarieerder en levendiger dan de traditionele buitenwijk, met zijn eenvormigheid en saaiheid, omdat het de (potentiële) bewoner benadert als een toerist. Hoe lang woon je ergens? De kinderen groeien op, je krijgt een nieuwe baan, de huizenprijzen stijgen aantrekkelijk, je kunt verkopen, doorstromen. Een bewoner is een mobiele en impulsieve gebruiker, die zijn vrije tijd en zijn geld besteedt om comfort, vermaak, educatie en iets van een betekenis aan zijn verblijf te ontlenen. Winkelen, gekke architectuur, archeologie van Romeinen tot Middeleeuwen, watersport, pittoreske oud-Hollandse dorpen; het is het palet van de toerist dat maakt dat een vreemde zich een Leidsche Rijner wil gaan voelen.
Zo bezien is wonen een vertraagde vorm van toerisme. Als het toerisme van de stedentrip de gasvorm is, de paar weken appartementje huren of kamperen in een streek de vloeibare vorm, dan is wonen de vaste vorm. Toerist in eigen omgeving, dat is het model waarin het leven in een hedendaagse suburbane metropool als een gelukkig leven kan gelden.

‘At home he feels like a tourist,’ beet de zanger van The Gang of Four ons en zichzelf toe in 1980. De stampende, snerpende muziek en de verwijtende zang waren geen lofzang op het toerisme. Het klonk kwaad. Het was de aanklacht van iemand die zich in eigen leven verstoken voelt van alles wat een toerist thuislaat: gemeenschap, werk, territorium, vriendschap, invloed, een thuisgevoel. Iemand dus voor wie geen echte plaats is en die voor spek en bonen mee moet doen.

In hetzelfde jaar kwam de eerste speelfilm van Jim Jarmusch uit, Permanent Vacation, waarin een New Yorkse jongen als een straatarme toerist door zijn eigen stad dwaalt. Hij belichaamt een versie van een modern oertype: de arme jongeman, eenzaam in de grote stad. Half zwerver, half dandy. Iemand tussen adolescentie en volwassenheid, die als enige vorm van houvast een lichtelijk narcistische pose heeft. In zijn stuurloosheid zwerft hij door de stad en wordt helderziend als een verdwaald kind: de dingen en de mensen hebben de scherpste contouren, juist omdat er geen zinvolle verbanden bestaan die hem in staat stellen deel te hebben aan dat alles. Overgeleverd aan de stad betrekt hij alles direct en pijnlijk op zichzelf, al weet hij niet wie hij is, wat hij wil zijn of doen en waar hij naartoe gaat.

Aan het eind van de film gaat hij naar Parijs, om niemand te verstaan en vol verlangen terug te denken aan Manhattan. ‘Let's just say I am a certain kind of tourist, that's on a permanent vacation.’ Dit toerist-in-eigen-leven-zijn is geen vermaak, maar een noodlot. Van New York zegt hij: ‘Nu ik er weg ben, wil ik er nog veel liever zijn dan toen ik er was.’

Deze film gaat over falen, over iemand die iets fundamenteels niet lukt. Maar de hoofdpersoon faalt zo puur, zo ontdaan van schaamte, pretentie, excuses, schuldgevoelens en ideologische beloftes of goedmakertjes, dat je het een waardig falen kunt noemen. Het is een laconieke vorm van nihilisme, die gehuld is in de aristocratie van de straat. Dit is een toerist die wanhopig van zijn tour geworden is maar nergens heen kan, aangezien er geen ander leven mogelijk is dan wat hij ervaart als andermans tijd en andermans ruimte.

Je kunt de gewone toerist als de begoochelde zien, dronken van de onechtheid, de hem op de mouw gespelde verhaaltjes. Een verwend kind dat een rad voor ogen wordt gedraaid, zodat hij getild kan worden. Hoewel zijn gastheren hem geen strobreed in de weg zullen leggen en hem tegenover anderen zullen beschermen, is de toerist een prooi. Iemand die in een rooskleurige waan gelaten moet worden. De gastheren zien het als hun beroep die waan te cultiveren en vorm te geven. De toerist is een gulle onnozelaar die tevreden is met platte gemeenplaatsen en nep, als het maar typische en exotische gemeenplaatsen en nep zijn. En op praktisch formaat en makkelijk afwasbaar.

Al is een toerist op weinig anders uit dan een ‘goede tijd’ en een ‘interessante reis’, toch is zijn aanwezigheid van grote invloed. Het cultiveren en exploiteren van de waan waarin hij rondreist is een vorm van nijverheid die een hele maatschappij veranderen kan. Sommige mensen zien toerisme daarom als een wereldbedervend verschijnsel. De oorspronkelijke cultuur wordt verkwanseld, de natuur verpest, de zeden gecorrumpeerd, de gemeenschap verscheurd door handel en denkbeelden van buitenaf.

De hoofdpersoon van Permanent Vacation is een verschoppeling, een misfit, die er niet in slaagt een plaatsje in de maatschappij te vinden waar hij met enig plezier zijn leven kan leiden. Maar er zit ook een minder treurige, voor sommigen zelfs aantrekkelijke kant aan dit personage. Hij is het prototype van de jonge man met de zoekende, romantische levensinstelling. Van mensen die lijden aan een (al dan niet illusoir) nee tussen zichzelf en hun omgeving, is het gemakkelijk te denken dat hun verlangens verwijzen naar een toestand die ergens anders bestaat. Of die ooit heeft bestaan (‘hij is te laat geboren’) of in de toekomst zou kunnen bestaan (‘hij is een gekweld idealist!’). Bij dat denkbeeld hoort de inschatting van de buitenstaander als iemand in wie een belofte schuilt. Zij zien scherper, zij zijn gevoeliger dan de mensen die zich geen onbegrepen vreemdeling voelen. Soms zelfs zonder dat zij dat zelf goed beseffen. De verdoolde als iemand die de wereld zou kunnen verrijken met iets authentieks en moois; iets nieuws dat niemand anders zou kunnen ontdekken of verzinnen. De permanente vakantie als onbepaald uitstel van iets groots.

Romantische pijn is ook gewoon pijn, en drijft degene die eraan lijdt naar een manier om hem te laten stoppen. Enige vorm van verlossing. Iets wat hem toerist-af maakt en thuis laat komen. Een obsessie, een missie, een plan dat hem noodzakelijk voorkomt en het nee tussen hem en de wereld kan opblazen. Het kan iets zijn dat onconventioneel is, misschien schandalig of artistiek, eventueel iets geniaals. We kunnen denken aan kunstenaars, visionaire ondernemers, politiek leiders en wetenschappers. Maar het kan ook een minder spectaculaire rol zijn die de gekwelde ziel na zijn beproeving aanneemt. De meest bezielde leraren, hulpverleners, doktoren en dienaren van de publieke zaak hebben vaak een verleden als ongelukkig toerist in eigen leven, zoals de jongen uit Permanent Vacation. De ziel onder de arm is dan het embleem voor het vagevuur dat pijnigt en reinigt. En vervolgens sterke, bloeiende, authentieke zielen voortbrengt.

Het is nou net alsof ik die jongen in Permanent Vacation bekijk zoals een toerist een ‘tipico’ Portugees wevend vrouwtje bekijkt. Of een zingende lootjesverkoper in Napels. Geïdealiseerd, keurig passend in een aangenaam verhaal, waarin geen onrecht of lijden voorkomt dat niet wordt opgelost of overwonnen.

Terwijl die jongen in de film van Jarmusch in geen enkel opzicht een belofte is. Hij is niet erg intelligent, niet sympathiek, niet nieuwsgierig, niet grappig, niet handig, niet muzikaal, niet verbaal begaafd, niet sportief, niet mooi; hij is zelfs uitgesproken verknipt als hij wat langer aan het woord is; kortom, hij zou best wel eens als vervuilde drugsdode in een Parijs slooppand kunnen eindigen. Of terugkeren naar zijn stad en zich als kruimeldief, kleine dealer, heler of parkeerwacht dooddrinken in een jaar of tien. Of trouwen en oud worden als depressief magazijnmedewerker en sterven aan hartvervetting. Daarom is die film zo goed.

Een gelukkige toerist in eigen leven. Ik moet denken aan een balling die van zijn verlies en ontheemding een kans op ontplooiing weet te maken. Een vluchteling die slaagt, nee, zichzelf overtreft. Natuurlijk vergeet hij de schaduwen die in hem leven als hij zegt: ‘Ik ben een rijker, wijzer, leuker mens dan wanneer ik in mijn geboorteland had kunnen blijven.’ Maar desondanks kan het waar zijn wat hij zegt.

Die mogelijkheid. Waarop berust die? Kan ik daar wat van begrijpen en opsteken?

Ik heb weleens een virtuoos toerist te logeren gehad. Iedere ochtend vroeg ik wat er op zijn programma stond. En steeds had zijn plan voor de dag een mooi evenwicht tussen bezienswaardigheden, uurtjes om rond te neuzen in een buurt en momenten om op adem te komen op een prettige en rustige plek. Hij slaagde erin een fietstocht langs de nieuwe architectuur op IJburg, het Borneo- en Java-eiland te combineren met lunch aan het Sarphatipark, een wandeling door de Pijp, een bezoek aan antiekwinkels en een afspraak met een vioolbouwer in de Jordaan. Na een bezoek aan een expositie in het Stedelijk Museum zou hij dan gaan eten in een uitstekend klein visrestaurantje aan het Entrepotdok, om de avond af te sluiten met een concert in het Tropeninstituut, waar een beroemde Indiase zangeres zou optreden. De volgende dag ging het net zo, maar dan waren er fietstochtjes door het natuurgebied de Grote Braak en terug om de Sloterplas, een lunch in het Westerpark, een bezoek aan de werkplaats van een gondelbouwer, een uurtje zwemmen in het Zuiderbad, een door performancekunstenaars verzorgd eetspektakel in een oude scheepswerf in Amsterdam-Noord en een celloconcert aan het IJ, gevolgd door een kroegentocht rond de Nieuwmarkt.

Wat ik nog het meest bewonderde, naast de indrukwekkende greep die hij op de beschikbare informatie had, was de energie, de ijver, de nieuwsgierigheid waarmee hij iedere morgen de stad waar ik woonde in trok. Hij was niet rigide in zijn programmering. Als iemand hem uitnodigde of vertelde van iets dat hem onmiddellijk boeide, dan gooide hij zijn plannen met het grootste gemak om. Hij belde een keer 's avonds laat of ik ook kwam. Er was een fantastische dj in een net verbouwde microbioscoop, gerund door jonge filmmakers, die hij de hele dag had geholpen met het voorbereiden van het openingsfeest. Ontzettend aardige en interessante mensen en er waren steengoede korte films te zien.

Stapte ik maar met de helft van de energie, nieuwsgierigheid en openheid mijn dagelijks leven tegemoet als waarmee hij Amsterdam in trok, dacht ik. En dat zei ik ook op een van de laatste dagen, in de tuin, het zomerse duister om ons heen, onze handen om een glas wijn. Hij begreep me eerst verkeerd en dacht dat ik bedoelde dat hij zo veel meer aan vermaak uit de stad wist te halen dan ik. Dat was logisch vond hij, ik had zo veel meer aan mijn hoofd dat ik er veel langer over deed al die plekken te bezoeken en te ontdekken.

Nee, zei ik, ik bedoel dat ik me iets van jouw toeristenethos wens in mijn niet-toeristische leven. In jou zie ik zo veel goede eigenschappen van de toeristische houding, volgens mij zou het leven beter en gelukkiger zijn als ik daarover beschikte in mijn dagelijks leven. Verplichtingen, verwachtingen, lafheid, gewoonte en de wezenloosheid die hangt op de plek waar je thuis bent, hielden me ervan af zo geduldig en open van geest op plekken, mensen en evenementen af te stappen.

Deed ik maar zo veel moeite, door studie en voorbereiding, voor wat ik dag in dag uit tegenkwam. Mijn gast wierp tegen dat ik het toerisme overschatte. ‘Ik blijf altijd maar een toerist hier,’ zei hij. ‘Ik heb geen werk, geen moeilijke verhoudingen, geen verplichtingen. Hier ben ik ver van mijn problemen. Dat maakt het makkelijk, maar ik besef heel goed dat ik nooit toegang heb tot de werkelijkheid van Amsterdam. Tot het leven zoals het hier werkelijk is. Ik ben en blijf ervan gescheiden door mijn eigen snelle, oppervlakkige verhaal als bezoeker. Door mijn culturele blindheid, mijn taalachterstand. Een echte toerist weet dat zijn reis een simpel glad verhaaltje is, al dan niet gesouffleerd door een reisgids. En dat hij nooit zal weten hoe het leven echt is op de plekken die hij bezoekt, hoe hij ook zijn best zal doen het authentieke te zoeken.’

Dat was nu precies het toeristenethos dat ik bedoelde. Hij speelde in op alles wat Amsterdam te bieden had, als toerist, maar had geen moment het idee dat hij door dat toeristische parcours te volgen een authentiek beeld van het leven hier kreeg. Hij besefte heel goed hoe de vrijblijvendheid en frivoliteit van zijn verblijf hem daarvan uitsloten. En toch bleef hij energiek en nieuwsgierig, wilde hij alles weten van de geschiedenis, van de huidige politieke situatie, van de verschillende delen van de stad, van wat er in de krant stond, en kon hij zomaar uren zitten kijken naar het passerend publiek, alsof hij een observerend antropoloog in een net ontdekte beschaving was.

En zo'n dag als die waarop hij in gesprek raakte met de filmmakers en de hele dag hielp bij het opbouwen van hun feest, zou hij dat thuis, in Chicago, ook hebben kunnen doen? Zijn gezicht was even blanco van de kortsluiting in zijn gedachten. Nee, gaf hij toe. Dat was extreem onwaarschijnlijk geweest.

Zou hij willen dat dat waarschijnlijker werd? Oftewel dat hij meer een toerist kon zijn in eigen leven? Herkende hij dat verlangen? Nou en of, hij vond het zo geweldig in Amsterdam, dat hij graag zulke ervaringen kon hebben in zijn eigen stad.

Een toerist gaat (idealiter) ergens heen om rond te lopen en te kijken. Om de vreemde wereld en zijn bewoners te naderen voor zover hem dat in de korte tijd en vanuit zijn buitenstaanderspositie gegeven is. Hij proeft en bewondert. Hij verbaast zich en schrikt. Hij leert iets en ontdekt hoe weinig hij weet. Hij maakt vrienden, zoals hij dat nooit thuis zou doen. Hij gaat kameraadschappelijk om met mensen die hij in zijn eigen wereld nooit te spreken krijgt. Raciale grenzen verdwijnen, sociale kloven verdampen, wederzijds onbegrip leidt tot hilariteit in plaats van ergernis en woede. Hij ontdekt waar de mensen in het bezochte land om lachen en waar hun het lachen vergaat. Wat ze vrezen en verlangen. Waarnaar ze streven en wat ze vinden dat bestreden moet worden. Hij wil dat oprecht weten en begrijpen. Hij heeft geduld met alle verhalen en legendes die hij hoort, met alle verklaringen en typeringen; ook al weet hij dat het sprookjes en leugens moeten zijn, speciaal voor hem bedacht. Hij betaalt en weet dat hij te veel betaalt. Het is alsof hij dat allemaal doet om achteraf van zijn reis een goed verhaal, een rijke herinnering te kunnen maken.

Een toerist gaat (idealiter) niet op reis om ergens de waarheid te ontdekken. Of om problemen op te lossen. Of om de liefde van zijn leven te vinden. Of om een groot innerlijk gevecht te beslechten. En al helemaal niet om zijn afhankelijkheid van anderen te erkennen en op basis daarvan iets terug te doen. Zijn bezoek dient in geen enkel opzicht om hem te helpen bij het bepalen van zijn rol of plaats in de maatschappij. Een toerist komt niet om onrecht te onthullen of te bestrijden. Hij komt niet om ergens bij te horen en zich te laten gelden. Hij komt niet om geld te verdienen, iets te verkopen, iemand ergens van te overtuigen of voor een zaak te winnen. Hij komt niet om rechten op te eisen of zich tegen bepaalde groepen te keren. Hij wil geen positie of aanzien verwerven en is er niet op uit beroemd te worden. Hij komt om rond te lopen, te eten, te drinken, te kijken en te proeven, wat te praten en luisteren en weer te gaan.

De toeristische blik is idealiserend, vrijblijvend, frivool, versimpelend. Maar dat betekent niet dat ik, inwoner van de stad die de toerist bezoekt, directe toegang tot de werkelijke breedte van het leven geniet of zekerheid heb over wat nu echt en onecht is om mij heen. Of dat ik een klip en klaar beeld heb van mijn rol in de gemeenschap waarin ik leef. Welke gemeenschap is dat, waar begint 'ie, waar houdt 'ie op? Wat zijn de kenmerken ervan? Of leef ik in een heleboel gemeenschappen? Laat staan dat ik automatisch op een rijtje heb hoe ik het onrecht in mijn wereld moet bestrijden of adequaat uiting geef aan mijn onmiskenbare afhankelijkheid van instituties en mensen. Misschien weet ik maar weinig meer dan een goed geïnformeerd bezoeker van de gang van zaken tussen de mensen die de werkelijke macht hebben in mijn wereld. En ik mag dan veel vertrouwder zijn (op het onbewuste af) met de Nederlandse cultuur, de vraag is of mijn beeld scherper en zuiverder is. Ik leef in een stoofpot van snel veranderende ontwikkelingen, met tradities, vervalste tradities, nieuwe ideeën, gerenoveerde ideeën, geïmporteerde ideeën; met culturen, cultuurtjes en subculturen, onderbuikgevoelens, waandenkbeelden en trends. De logerende toerist uit Chicago is mij in veel opzichten minder vreemd dan een heleboel landgenoten, met wie ik nota bene dag in dag uit de tram, de straat en het park deel.

Net als in de reisgids hoeven er in het thuisgevoel van de bewoner geen onwaarheden voor te komen om het toch een fictie te laten zijn. Ik heb een uit gewoontes, eigenaardigheden, voorkeuren en eigenwijsheden opgetrokken reisgids in mijn hoofd en hart die me souffleert bij mijn bewegingen door het vertrouwde wereldje dat ik mijn leven, mijn stad, mijn land noem. Als ik zeg dat ik ernaar kan verlangen wat meer een toerist in eigen leven te zijn, wat bedoel ik dan? Dan doel ik op de gretige manier waarop ik in een vreemde stad dwaal tussen de fictie van de reisgids (met zijn simpele typeringen, quasi-verklaringen en onnozele inzichten) en de oppervlakkige eerste indruk die ik voor waar aanneem. Wakkerder zintuigen, ontstopte synapsen, minder blinde vlekken.

Een toerist zijn in eigen leven betekent ook voor even afstand doen van de plicht geld te verdienen, bij de familie te horen, mensen te overtuigen, je burgerplicht te doen, een waarheid te ontdekken, je te laten gelden, je nuttig te maken, voor een zaak op te komen, iets te verkopen, een positie en aanzien te verwerven.

Het wil ook zeggen dat je ‘maar’ een toerist bent natuurlijk. Weliswaar onbevangen en met een vrij oog en een flexibele agenda. Maar die nieuwsgierigheid, het geduld, de verwondering en de gulheid lijken alleen mogelijk omdat je je terugtrekt in een met teflon beklede pose. Je neemt vakantie van je zorgen, je verantwoordelijkheden, je toekomstplannen, je bedwelmende en/of pijnlijke vergroeidheid met mensen, groepen, problemen, plekken. Iets in je ziel koelt af.

Weldadige koelte? IJzige kou?

Spieren en gewrichten die overbelast of gekwetst zijn worden met ijs gekoeld om het lichaam voor de gek te houden: het lichaam kan niet anders dan proberen zichzelf warm te houden en de kou lokt daartoe een versnelde circulatie uit die de afvalstoffen (overmatig aanwezig door de blessure of de overbelasting) afvoert en de aanvoer van voedende en herstellende stoffen versnelt.

De toerist is een potentieel

reisboekenschrijver,

drugsdealer,

dichter,

spion,

ondernemer,

terrorist,

minnaar,

activist,

drugsdode,

smokkelaar,

kunstenaar,

journalist,

gelukszoeker,

immigrant, etc.

Ik stel me voor dat Permanent Vacation morgen gemaakt zou worden in Nederland. In Rotterdam waarschijnlijk, en met een hoofdpersoon die er ook niet in slaagt werkelijk te leven waar hij is. Iemand die ook lijdt aan een nee tussen hem en de maatschappij en rusteloos door de stad dwaalt zonder bij al die ontmoetingen, die vergezichten, de dromen en nachtmerries die hij heeft te denken dat zijn werkelijke leven zich hier afspeelt.

Zo iemand zou zichzelf geen toerist noemen, van het ongelukkige soort zelfs niet. Ik vermoed dat hij eerder boos en wraakzuchtig is. Dat hij niet de neiging heeft om zonder doel of middelen naar Parijs te gaan, maar eerder zich tegen de Nederlandse samenleving te keren. Nederland is andermans ruimte en het loopt op het ritme van andermans tijd. Laten we ons eens voorstellen dat hij Kaapverdische, Antilliaanse, Marokkaanse of Turkse ouders heeft. Die film zou geen Permanent Vacation kunnen heten, ook al zijn de verwarring en het noodlot die de hoofdpersoon treffen even groot.

Ik schreef dat de hoofdpersoon in Jarmusch' film faalde en leed, maar ‘zo puur, zo ontdaan van schaamte, pretentie, excuses, schuldgevoelens en ideologische beloftes of goedmakertjes, dat je het een waardig falen kunt noemen’. Dat maakte die film zo goed. Die laconieke, koele kern. Het is de koelte die hoort bij het toeristenethos. Je zou een manier moeten bedenken waarop die boze, onbegrepen en buitengesloten jongen uit Rotterdam in de film er even in slaagt een toerist in eigen wereld te worden. In zo'n scenario zou hij misschien een reisgids van Nederland vinden en zich de rol aanmeten van bijvoorbeeld een Bulgaars of Jamaicaans toerist. Hij zou verleid worden de nieuwsgierige, geduldige, leergierige en ondernemende rol te spelen, die hoort bij een gelukkige toerist.

De film zou het verhaal zijn van iemand die scherper ziet, een paar van zijn blinde vlekken omzeilt, en vooral verbaasd en overdonderd is door wat hij niet wist en nu te weten komt. In de film ontsnapt hij aan zijn leven en spreekt mensen die hij anders nooit in de ogen had kunnen zien. Het toeristische model van luchthartige interesse opent deuren en biedt mogelijkheden, die niet alleen onbereikbaar leken, maar vooral totaal anders zijn dan hij had gedacht. Iemand die ontdekt dat niemand werkelijk weet waar hij woont, dat niemand leeft zoals hij zou willen. Misschien ontdekt hij zelfs kanten aan zichzelf die anderen nu aan hem ontwaren en nadrukkelijk waarderen, die hij verborgen hield. En dat allemaal door vakantie te nemen van de ernst, de zwaarte van zijn gevoelens, de eergevoelens en de zorgen. Even geen jacht op aanzien en geld, geen honger naar wraak, even geen schaamte en twijfel. In zijn rol als toerist is hij even vrij van plichten, schulden, sociale controle en angst. De film zou een even lichtvoetige als navrante ontdekking van Nederland door een Nederlander laten zien. Want dat de hoofdpersoon van de film alsmaar meer mogelijkheden voor zichzelf ziet om Nederlander te zijn, dat is duidelijk. Hij leert zelfs volstrekt nieuwe dingen van Nederland te haten. Zaken waarvan hij niet wist dat ze bestonden.
De film zou misschien Ice Pack kunnen heten, naar de weldadige koelte van het ijspakket op de blessure. Het zou een sloom gefilmde komedie moeten zijn, lopend op terloopse ironie.