Het dichtende dier

Joseph Carroll, Literary Darwinism; Evolution, Human Nature and Literature, Routledge 2004

David Sloan Wilson en Jonathan Gottschall (red.), The Literary Animal; Evolution and the nature of narrative Northwestern University Press 2005

David en Nanelle Barash, Madame Bovary's Ovaries, Bantam Dell 2006.

geen zin
geen zijn

- Lucebert

Mijn exemplaar van Anna Karenina heeft op de achterkant van het omslag een korte aanbeveling door Karel van het Reve:

‘Ik heb een aangetrouwde neef, een vice-admiraal b.d., die nooit romans leest. Hij zegt: wat heb je aan een relaas over gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden? Hoewel ik zelf wél graag romans en verhalen lees, kan ik die neef niet helemaal ongelijk geven: het is inderdaad een vreemde neiging, dat willen lezen over dingen die niet echt gebeurd zijn. Het eigenaardige is, dat die neef voor één roman een uitzondering maakt. Dat is de roman Anna Karenina. Daarin worden de dingen zo beschreven dat je niet merkt dat het niet echt is. En inderdaad: Tolstoj weet in dat boek misschien meer dan in zijn andere boeken een ongelooflijk gevoel van “realiteit” op te roepen.’

Wat maakt een boek tot een blijver? Dat is een van de vragen waarop de literatuurwetenschap een antwoord zou moeten geven. Vanwaar toch die vreemde neiging boeken te lezen en te herlezen? Omdat de dingen zo beschreven worden dat je niet merkt dat het niet echt is, dat het boek een ongelooflijk gevoel van realiteit oproept? Gaat het in de klassieke literatuur, in proza, poëzie en drama, gaat het in fictie om realiteit?

Er is een nieuw paradigma in de literatuurwetenschap (Karel van het Reve had het vast graag zelf bedacht): wie wil weten welke boeken de tand des tijds doorstaan, zal bij de bioloog Niko Tinbergen te rade moeten gaan.

Zelden is een Huizinga-lezing aanleiding geweest tot zo'n verhit debat als in 1978 toen Karel van het Reve een even vermakelijke als vernietigende aanval deed op de literatuurwetenschap. ‘Niet alleen een duizendkoppig publiek in de Leidse kerk had K. bij zijn rede bejubeld, maar ook een koor weekblad- en bijvoegselfilosofen betuigde, voor en na K.'s geharnaste replieken in dag- en weekblad, op fanatieke wijze zijn instemming met K.'s verkondiging,’ zo schreef H.A. Gomperts in zijnGrandeur en misère van de literatuurwetenschap (1980). InLiteratuurwetenschap, het raadsel der onleesbaarheid verweet Karel van het Reve de beoefenaren van de literatuurwetenschap dat zij ‘ongelooflijk futiele kwesties in verschrikkelijk onleesbare dieventaal met elkaar bespreken’. Bovendien, zo stelde hij, is literatuurwetenschap geen ‘flinke’ wetenschap die voorspelt en verbiedt, wat een echte wetenschap als de natuurkunde wel doet.

Van Karel van het Reve kan je zeggen wat je wil maar hij was zijn tijd ver vooruit. Twintig jaar na de rel rond zijn ‘raadsel der onleesbaarheid’ ontstond een zelfde rumoer rond Sokal. Het is bekend, Sokal schreef een nep-wetenschappelijk artikel, ‘Transgressing the Boundaries: towards a transformative hermeneutics of quantum gravity’, een volkomen onzinnig verhaal waarin hij zich bediende van het jargon uit de postmoderne literatuurwetenschap. Voor de redacteuren van het Amerikaanse tijdschrift Social Text moet het artikel een gift uit de hemel hebben geleken: van een fysicus nog wel die alles zei wat de redactie wilde horen en dus werd het stuk geplaatst. Waarna Sokal hen in het openbaar te schande zette. Dit was nog niet genoeg, want in 1998 publiceerde hij samen met Bricmont een boek vol met postmoderne onzin onder de titel Fashionable Nonsense. De intellectuele wereld stond op zijn kop, Sokal werd bejubeld in de tijdschriften Nature en Science en vervolgens in de wetenschapsbijlagen van dag- en weekbladen. De redactie van het tijdschrift Social Text werd voor gek gezet met de Ig-Nobelprijs voor literatuur. Viel er bij Karel van het Reve nogal wat te lachen, Sokal was beschamend, tenenkrullend. Ging het bij K. ook en vooral om zelfkritiek, bij Sokal ging het om de hegemonie van de natuurkunde ‘de enige echte wetenschap’ boven alle andere. Alsof de natuurkunde niet bol staat van onbegrijpelijk jargon, ook voor natuurkundigen zelf. Alsof de natuurkunde niet onderhevig is aan modes en hypes, waar hordes wetenschapsjournalisten achteraan lopen. Alsof de meeste fysici niet met de mond vol tanden staan als hun wordt gevraagd waarover ze zo opgewonden zijn. Natuurlijk is er naast decadente ook hele goede en mooie natuurkunde, zoals er ook hele goede en mooie literatuurwetenschap is, maar hoe definieer je die? Geen van beide kennen een allesomvattende theorie, beide zijn hopeloos verdeeld want één paradigma waarin alle onderzoekers zich herkennen bestaat (nog) niet.

In tegenstelling tot de natuurkunde kent de biologie wel een Grand Unified Theory, immers biologie is evolutie en evolutie is biologie. Sinds Darwin hebben ook andere wetenschappen deze theorie omarmd; zo kennen we intussen evolutionaire psychologie, filosofie, politieke wetenschap, linguïstiek, ethiek en esthetiek. De nieuwste loot aan Darwins stam is evolutionaire literatuurwetenschap.

Er is een nieuwe school van literatuurkritiek ontstaan die zich literair darwinisme noemt. Net zoals Darwin dieren bestudeerde om een algemeen patroon te ontdekken in hun ontwikkeling, zo lezen literaire darwinisten boeken op zoek naar een intrinsiek patroon in de evolutie van mensen, de aangeboren eigenschappen in ons gedrag: kinderen krijgen en opvoeden, competitie en samenwerking tussen familieleden en vrienden bij het verkrijgen van voedsel, geld, aandacht en invloed. Het gaat hier niet alleen om literaire reflecties over evolutie of effecten van Darwin op de literatuur van de negentiende en twintigste eeuw, maar vooral over de vraag in hoeverre de evolutietheorie van toepassing is op culturele verschijnselen als literatuur, ook utopische en distopische literatuur hoort erbij. Welke bijdrage levert literatuur aan ons overleven? Wie of wat overleeft er eigenlijk, het individu, de groep, de soort, de natuur als geheel? Zorgt literatuur voor zijn eigen overleven? In hoeverre kunnen (socio-)biologen die een studie maken van de menselijke natuur zich bedienen van moderne literatuur? Zijn teksten ‘memen’, die de rol van genen spelen in onze niet-genetische evolutie? Deze en andere vragen vormen het onderwerp van studie in drie recente boeken: Literary Darwinism van Joseph Carroll, 2004; The Literary Animal; Evolution and the nature of narrative van David Sloan Wilson en Jonathan Gottschall (red.), 2005; Madame Bovary's Ovaries van David en Nanelle Barash, 2006.

Psalm I

Systeem! Gij zijt geen oog of baard
en draagt geen slepend kleed
hij die in U een man ontwaart
misvormt U naar zijn eigen aard
waar hij ook niets van weet

Systeem, ik noem U dus geen God,
geen Heer of ander Woord
waarvan men gave en gebod
en wraak wacht en tot wiens genot
men volkeren vermoordt

Systeem! Lijf dat op niets gelijkt,
aard van ons hier en nu,
ik voel mij diep door U bereikt
en als daardoor mijn tijd verstrijkt
ben ik nog meer van U.

- Leo Vroman

Darwin had al begrepen dat het systeem van mutaties en natuurlijke selectie ook werkt voor de evolutie van mensen, dat blijkt uit zijn The Descent of Man en nog meer uit The expression of the emotions in man and animals. De literatuurwetenschapper Joseph Carroll gaat veel verder: ‘There is no work of literature written anywhere in the world, at any time, by any author, that is outside the scope of Darwinian analysis.’ Elke bioloog, maar ook elke psycholoog, die wil weten welke eigenschappen horen bij de menselijke natuur kan terecht in de literatuur. Uit een analyse van de roman Pride and Prejudice van Jane Austen komt Joseph Carroll tevoorschijn met een schema van menselijke emoties die onze fitness vergroten: angst, plezier, verdriet, boosheid, afkeer, minachting en verrassing. En al deze emoties stammen uit de begintijd van de evolutie van de menselijke soort, wij erven ze via onze genen, ze zitten in ons DNA ook al weten de biologen nog niet hoe of waar. Het is opmerkelijk dat in het debat over nature versus nurturedeze literatuurwetenschapper zich beroept op de sociobioloog Edward O. Wilson en kiest voor een menselijke natuur die uitsluitend gevormd wordt door zijn erfelijk materiaal, door zijn genen, en niet door zijn omgeving en opvoeding. Voor Carroll is literatuur voer voor sociobiologen en psychologen in hun studies van de menselijke natuur

Des te opmerkelijk is het wanneer deze literair darwinist de vraag aan de orde stelt wat de functie is van literatuur. Waarom ontwikkelen wij die vreemde eigenschap van verzonnen verhalen lezen? Wat is de zin daarvan? Hoe vergroot dat onze kansen op overleven? Joseph Carroll geeft hierop een prachtig antwoord:

‘As a small boy, David Copperfield is tormented and abused by his vicious stepfather, but close to his own room he discovers a neglected store of old books, including Tom Jones, Humphrey Clinker, Don Quixote, and Robinson Crusoe. What David gets from these books is not just a bit of mental cheesecake, a chance for a transient fantasy in which all of his own wishes are fulfilled. What he gets are lively and powerful images of human life suffused with the feeling and understanding of the astonishingly capable and complete human being who wrote them. It is through this kind of contact with a sense of human possibility that he is enabled to escape from the degrading limitations of his own local environment. He is not escaping from reality; he is escaping from an impoverished reality into the larger world of healthy human possibility. By nurturing and cultivating his own individual identity through his literary imagination, he enables himself to adapt successfully to this world. He directly enhances his own fitness as a human being, and in doing so demonstrates the kind of adaptive advantage that can be conferred by literature.’

Lezen is geen tijd verknoeien, lezen is niet alleen een leuke hobby maar noodzaak. Wij zouden niet beter overleven, als we alleen voor akker en kinderen zouden zorgen en helemaal niet zouden lezen. Hiervoor geven literaire darwinisten tenminste twee redenen op. Eén idee is dat literatuur ter verdediging is van ons mentale leven toen zo'n 50.000 jaar geleden homo sapiens voor het eerst de wereld ontdekte in zijn vreselijke complexiteit. Door denkbeeldige reizen te maken in onze verbeelding trainden (en trainen) wij onszelf en verkregen (en verkrijgen) wij zelfvertrouwen bij het interpreteren van de nieuwe verwarrende realiteit. Bij homo sapiens begon dit als gezongen poëzie en vertelde verhalen in orale culturen (‘oratuur’) daarna volgde ook literatuur. In dit licht is lezen een vorm van fitness-training, een exercitie in ‘wat als’-denken. Als jij je de strijd tussen de Grieken en de Trojanen kan indenken, en je komt terecht in een straatgevecht weet jij beter wat je moet doen om te overleven.

Een heel ander idee gaat ervan uit dat de belangrijkste functie van literatuur is om ons mensen te integreren in één cultuur; evolutionaire psychologen geloven dat gedeelde gedachten of mythen sociale cohesie bevorderen, wat dan weer onze kansen op overleven vergroot.

Literaire darwinisten vertellen ons minder over individuele boeken, des te meer over het lezen van literatuur in het algemeen. Voor David Sloan Wilson is literatuur de natuurlijke historie van onze soort en wij mensen zijn complex en de klassiekste klassiekers zijn dat ook. In The Literary Animal houdt deze bioloog een pleidooi voor de gulden middenweg tussen nature en nurture. De evolutie van mensen zit hem in onze genen, maar niet uitsluitend: wij zijn niet volledig voorbestemd, wij lopen niet aan de leidsels van de dubbele helix van ons DNA, wij hebben een vrije wil. Ons gedrag wordt in hoge mate bepaald door onze cultuur en ‘stories often play the role of genes in non-genetic evolutionary processes’. Wat dit betekent voor de studie van literatuur is: dat aandacht voor reproductie en overleven in de begintijd van onze evolutie niet genoeg is. Evolutionaire literatuurwetenschap moet ook oog hebben voor het belang van verhalen in onze aanpassing aan de complexe samenleving in de tegenwoordige tijd. Door verhalen de status te geven van genen krijgen ze de centrale plaats en taak die ze altijd hebben gehad in de sociale context van de ontwikkeling van onze soort.

Mark Twain schijnt gezegd te hebben: ‘The only difference between fiction and nonfiction is that fiction should be completely believable’. Hoe komt dit tot stand? Volgens David & Nanelle Barash, in hun Madame Bovary's Ovaries, betekent dit dat romanfiguren geloofwaardig moeten zijn in de menselijke karaktertrekken die ze tonen. Daarom zei Karel van het Reve over Tolstoj, wat velen hem nazeggen over Homerus, Dickens, Austen en Flaubert: dat zij de wereld hebben bevolkt met karakters die zo realistisch lijken dat het is of ze echt hebben bestaan, of zelfs nu nog steeds in leven zijn. Gedenkwaardige literatuur dankt zijn waarde aan vele aspecten, zowel in artistiek opzicht als in de verbeelding waarmee de romanfiguren en de plot worden uitgewerkt, niet in de laatste plaats ook door het taalgebruik, door het bewust maken van wat taal is en vermag. Maar als de menselijke natuur niet op een geloofwaardige manier het beeld bepaalt dan zal de betreffende tekst geen lang leven beschoren zijn. Zo heeft Harold Bloom reeds opgemerkt dat niet Shakespeare de mens heeft uitgevonden, de evolutie heeft dat gedaan. Je zou daarom denken dat de literatuurcritici zich al lang geleden zouden hebben gewend tot de biologie, maar dat is echt pas van de laatste jaren. Degenen die hebben bijgedragen tot de essays in de drie bovengenoemde boeken tellen niet meer dan een twintigtal pioniers, zo klein is thans nog de groep literair darwinisten.

Voor mij is het grote belang van de evolutionaire literatuurwetenschap dat het voor het eerst gaat om een echte synthese tussen alfa en bèta. Hier ligt werkelijk een unieke kans. Beide disciplines hebben elkaar nodig om succesvol te kunnen zijn. Samenwerking is de grote uitdaging, beide hebben er belang bij. In de literatuur vinden biologen een ongekende hoeveelheid materiaal voor de studie van de menselijke evolutie: wie de mens uit de bronstijd wil bestuderen leze Homerus, de Elizabethaanse mens vind je bij Shakespeare. In de biologie vinden alfa's niet alleen methoden en technieken bij de studie van de mens maar ook een allesomvattende theorie bij het analyseren en begrijpen van datgene wat ons nog het meest onderscheidt van de andere dieren.

dichten

als ik geen dichter was zou ik
uit honderd woordwonden bloeden
niets zou mij helpen geen gevleugeld
geen hemels woord zou het bloeden stelpen

- Lucebert

Een darwinistische interpretatie van literatuur, hoe doe je dat? Voor zijn promotieonderzoek van de Ilias gebruikte Jonathan Gottschall naar eigen zeggen de evolutietheorie. Zijn proefschrift werd pas goed gekeurd nadat de bioloog David Sloan Wilson zich ermee bemoeid had. De dissertatie verschijnt binnenkort in druk, het resultaat kennen we dus nog niet, maar in The Literary Animal analyseert Gottschall feministische literatuur. En wat doet hij? Hij gaat tellen! Hij bepaalt het percentage mannelijke en vrouwelijke hoofdpersonen in volksverhalen uit Europa, Noord en Zuid Amerika, Azië, Afrika en Oceanië, hij berekent het percentage aantrekkelijke en onaantrekkelijke mannelijke en vrouwelijke hoofdfiguren in verhalen, en hij telt het aantal keren dat deze hoofdrolspelers een geschikte levenspartner vinden, als ze pas seksueel volwassen zijn en als ze al wat ouder zijn geworden. Het resultaat laat zich raden: een gortdroge opsomming met een schijn van wetenschappelijkheid die zo bij Karel van het Reve's raadsel der onleesbaarheid kan.

David and Nanelle Barash analyseren Othello op zoek naar jaloezie tussen de seksen; wie wil weten wat vrouwen willen, kan volgens de Barash's beter Jane Austen lezen dan Sigmund Freud, en om te weten wat mannen willen, moet je bij Thomas Hardy zijn. Voor de biologische basis van overspel moeten we Madame Bovary lezen, voor soortselectie en het bevoordelen van eigen familie kan je bij The Godfather terecht. En de wereldliteratuur, van de Sprookjes van Grimm tot Harry Potter, staat vol met het assepoestersyndroom en de eindeloze strijd tussen ouders en kinderen. Het is allemaal heel leesbaar en waar, wat David en Nannelle beschrijven, maar het is niet nieuw en niet erg samenhangend, en wat leren we nu precies als wij met een biologische bril door de bibliotheken gaan?

Het antwoord komt van de gedragsbioloog Niko Tinbergen, die in 1961 een beroemd artikel publiceerde: On aims and methods of ethology. Daarin betoogt Tinbergen dat ethologen, naast observeren en beschrijven, vier fundamentele vragen dienen te beantwoorden. In het beste essay van The Literary Animal verklaart Brian Boyd de vier vragen van Tinbergen ook van toepassing op de analyse van cultuur in het algemeen en dus ook van literatuur.

De eerste vraag luidt: wat is de directe aanleiding tot een bepaald gedrag? Vertaald naar literatuur zou de vraag kunnen zijn: waarom had Madame Bovary, toch een respectabele vrouw uit een goed milieu, één, nee zelfs meerdere minnaars?

Tinbergens tweede vraag luidt: wat is de overlevingswaarde? Het equivalent in de literatuur: helpt Emma Bovary's overspel bij haar overleven in dat saaie milieu beneden haar stand, of leidt het onherroepelijk tot zelfmoord?

De derde vraag is: hoe komt het gedrag tot stand? Is het aangeboren, zijn het de eierstokken of is het aangeleerd?

En de vierde vraag: hoe is in de loop van de tijd het gedrag veranderd, wat is de ontwikkeling ervan? In termen van evolutionaire literatuurwetenschap: wat heeft Emma Bovary gemeen met Penelope en met Molly Bloom? Waarin verschillen de reacties van Charles Bovary, Odysseus en Leopold Bloom?

Zo beschouwd kunnen de vier vragen van Tinbergen voor gedragsbiologie ook de vier vragen zijn waarmee de literatuurwetenschap een fundamenteel nieuw paradigma krijgt. Tinbergen laat er geen twijfel over bestaan welke van zijn vier vragen voor hem de belangrijkste is, dat is de vraag naar de ‘survival value’, de bijdrage aan het overleven van het individu, de familie, de soort en de samenleving. Aan deze vraag besteedt hij in zijn betoog verreweg de meeste aandacht, ook omdat hij zich realiseert dat niet iedereen het met hem eens zal zijn.

Tinbergen herinnert zich hoe perplex hij was toen hij als student werd uitgelachen door zijn hoogleraar zoölogie; hij had geopperd dat het een kwestie was van overleven, toen de prof de studenten had gevraagd: ‘Heeft iemand enig idee waarom zo veel vogels een grote groep vormen als ze aangevallen worden door een roofvogel?’ In zijn onderzoek stelde Niko Tinbergen steeds de vraag naar de overlevingswaarde, en met het beantwoorden van die vraag verdiende hij de Nobelprijs.

Ook in literaire kring zal de vraag naar de overlevingswaarde van literatuur met enig hoongelach worden ontvangen. Maar niet door onze vaderlandse dichters Lucebert en Vroman, die wisten het allang.