Over berouw

Wanneer Josef K. zich uiteindelijk laat afslachten door zijn beulen - ‘als een hond’, zegt hij zelf - dan is er een Heilige Schrift in vervulling gegaan in Der Prozess van Kafka. Joods-christelijk gebracht, wordt er een proces verloren zonder vorm van proces. Zonder aanklacht. Zonder berouw. Zonder pardon. De schuldvraag wordt bij Josef K. opgewekt door het feit van zijn arrestatie op zijn dertigste jaar. Ofschoon hij, zelf jurist, de beunhazerij van deze procesvoering onmiddellijk doorziet, laat hij zich aanranden door een louter transcendentale slapstick. Omdat ik ter dood veroordeeld ben, moet ik wel schuldig zijn aan het leven, is de cirkelredenering. De persoonlijke ervaring, de eigen inbreng en de individuele betrokkenheid doen er niet toe; Josef K. blijft steken in het gat van een open deur. Kafka heeft Der Prozess nooit willen publiceren. Zijns ondanks werd net déze roman het evangelie van de moderne leegte, zonder metafysica, zonder God, en wordt nog steeds als zodanig serieus genomen. Dat geeft aan dat wij nogal luchthartig denken over het Berouw. Door zich te schikken in zijn vonnis, maakte Josef K. zich schuldig aan een vorm van mentale klaploperij die al te simpel is in zijn symbolisme. Verbasterd in een woordspeling noem ik dit: skimpolisme.

‘Skimpolisme’ is afgeleid van de naam Skimpole uit Bleak House van Charles Dickens, de roman waaraan Der Prozess schatplichtig is. Bleak House fileert een groteske procesvoering, de zaak Jarndyce & Jarndyce, in casu erfrecht. Ene Jarndyce liet een groot vermogen na, maar stelde een dermate ingewikkeld testament op dat de verdeling, over generaties verspreid, volledig opgaat aan de proceskosten. De zaak Jarndyce & Jarndyce werd een synoniem van een morele impasse, die de rechthebbenden aanzet tot moord en zelfmoord. Een puzzel van verwikkelingen sleurt de lezer steeds afgrondelijker naar en over de rand van de samenleving, een zelfde soort sloppenwijk vol onbruikbare ‘deskundigen’, verdwaasde participanten of macabere profiteurs, waarin Josef K. verzeild raakt. In zoverre Skimpole hierbij betrokken is - hij is geen erfgenaam - is het proces kafkaësk, dat wil zeggen louter transcendentaal: het gevaar komt van buiten.

Skimpole is een parasiet. Maar een die door zijn gastheren ontboden wordt om hen te vermaken met zijn uitvreterij. Hij vindt een warm onthaal in het Grauwe Huis (Bleak House), de innig gezellige woning van John Jarndyce, die zich door zijn huisgenoten ‘neef John’ laat noemen. ‘Neef John’ is een melancholicus van tegen de zestig. Het maatschappelijk leven zou voor hem ondragelijk zijn zonder zijn twee zonnetjes in huis, te weten Skimpole, met zijn vrolijke amoraliteit van ‘het onschuldige kind’, en de zorgzame Esther Summerson, de beschermelinge van ‘neef John’ en diens huisbewaarster. In de polyfonie van Dickens' raamvertelling zijn zij de twee dissonerende tegenstemmen. Skimpole, de nar, houdt de wereld een lachspiegel voor. Esther daarentegen is de spiegel waarin iedereen zijn betere ‘ik’ gewaarwordt. Zij is de belichaming van het spreekwoord ‘wie goed doet, goed ontmoet’. Zij verliest evenwel haar greep op de negentienjarige Richard Carstone die samen met zijn verre nicht, de zeventienjarige Ada Clare onder de voogdij staan van ‘neef John’; beiden kunnen aanspraak maken op de erfenis. De luchthartige Richard, die voor geen beroep wil deugen, laat zich door Skimpole overhalen om zijn recht te halen, zich te keren tegen zijn voogd en weldoener en het Grauwe Huis te verlaten, gevolgd door Ada, inmiddels zijn verloofde, daarna zijn vrouw en aanstaande moeder van hun kind. Pas op zijn sterfbed, volledig geruïneerd, komt hij tot inkeer, in het vaste voornemen zijn leven te beteren... in het hiernamaals. Met reden zegt Skimpole dat er bij Richard in diens bekeringsdrift niets meer te halen valt. Richard zal ook in de hemel de karakterloze dagdromer blijven. De uitvreter aast ditmaal niet op geldelijk gewin; Skimpole is realist genoeg om te beseffen dat de zaak Jarndyce & Jarndyce bij voorbaat verloren is, slechts valse hoop wekt en oproept tot machteloze strijd, om welke reden hij het proces juist poëtisch vindt. De Bijbelse pathetiek van de Verloren Zoon op zijn sterfbed mag hij smakeloos noemen.

Zijn schamperlach echter wordt heiligschennis wanneer hij zich waagt op het terrein van de huiveringwekkende Schuld & Boete, Busz und Reu, Esthers domein. Tot dan toe bevoordeelde zij slechts de goedwillende én fraai-ogende misdeelden; daarbij was haar caritas klassenbewust. Dat bij haar de ethiek voortvloeit uit haar hang naar esthetiek, hangt samen met een haar opgedrongen schuldgevoel. Zij werd opgevoed als wees. Van haar pleegmoeder, ‘petemoei’, moest ze vernemen dat zij de schande was van haar moeder en haar moeder van haar. Al spoedig komt ze te weten dat ze geen wees is. Haar moeder is de koel hooghartige Lady Dedlock. Haar verwekker is ene kapitein Hawdon. Onder de pseudoniemen Nimrod (Bijbels/Babylonische figuur) en Nemo (‘niemand’ in het Latijn) werkte hij als kopiist voor de zaak Jarndyce & Jarndyce. Het proces in Bleak House is voor Esther geen juridische kwestie van erfrecht maar een spirituele queeste: de dochter dient haar moeder op haar post te brengen. Anders gezegd: Sneeuwwitje moet haar boze (stief)moeder met zichzelf in het reine brengen. Een femme fatale, zoals Lady Dedlock, kan nooit mens worden. Haar metamorfose moet mythisch blijven. Gehuld in het witte boetekleed van de armste onder de armen, zal de moeder na haar waanzinsdool neerstrijken op haar post: aan het hek van het armenkerkhof, waar haar Bruidegom, Nimrod of Niemand, de schriftsteller, alias kapitein Hawdon, haar op zal tillen op de vleugels van Berouw en Verzoening, opdat zij wit, gereinigd door de sneeuw, verlost van vrieskou, gevonden en vergeven zal worden door de dochter. Deze Sneeuwwitje-symboliek volgt de alchemistische verlossingsleer. De berooide en aan een overdosis opium gestorven Nemo was als een vader voor Jo de straatveger, een stumper van nog geen veertien jaar. Ter ere van zijn anonieme weldoener houdt Jo de toegang tot het kerkhof schoon. Telkens keert de opgejaagde jongen terug op zijn post. Hij fungeert in de vertelling als de Bode, godenzoon, op de hielen gezeten maar gevleugeld met de bezem. Jo wees Lady Dedlock het graf van haar Bruidegom aan - zij was toen vermomd als haar kamenierster -; Jo bracht Mylady op haar post. Esther-Lady Dedlock vormen één gestalte: de brahmaanse, van de hoogste kaste. Jo, de paria, van de laagste kaste, ontstijgt de Hoge als een Mercurius. Op zijn sterfbed leert men hem het Onze Vader. Hij haalt amper de aanhef. Aan de vergiffenis der schulden hoefde hij niet toe te komen, want hij had ze niet.

De geroerde lezer knielt dan voor het zieleroersel Berouw dat niet hoefde toe te komen aan zijn formulering, aangezien het al lang is opgewekt door de vertelling. ‘Dat is te hoog - of te laag’, zegt Skimpole tegen Esther over het verantwoordelijkheidsgevoel; de skimpolist weet niet te kiezen tussen deze twee kwaden. Esther roept hem tot de orde, want Skimpole had een misdaad begaan jegens Jo de straatveger. De jongen kreeg ooit de waterpokken en werd toen door Esther verzorgd in het Grauwe Huis. Skimpole vreesde besmetting en nam smeergeld aan om Jo nog dezelfde nacht te laten ontvoeren en uit Londen te verbannen. Door dit te doen zet Skimpole nu ook de geroerde lezer tegen zich op. Hoogverraad komt in het geding, gepleegd in de heilige hallen van het Berouw. Skimpole hoort hier niet thuis. Esther wordt nooit evangelisch in Dickens' amalgaam van sprookje, mythe, alchemie en Bijbel. Haar zorgzaamheid is haar zelfrespect; dat houdt haar menselijk.

Het laatste dat Esther nog van Skimpole bericht is dat zij in een boekhandel stuitte op zijn memoires, uitgegeven na zijn dood, en een kassucces! Het boek sloeg zij open op toevallig deze ene, lasterlijke zin: ‘Jarndyce is net als de meeste mensen die ik gekend heb de verpersoonlijking van de zelfzucht.’ Skimpole portretteert zichzelf als ‘slacht - offer van een samenzwering van de gehele mensheid tegen een onschuldig kind.’ Zijn goedlachse klaploperij stoelde op rancune jegens eenieder die zijn licht niet onder de korenmaat steekt.

To drive someone up the pole, is iemand stapeldol maken. Dat doet de zaak Jarndyce & Jarndyce. Het proces polariseert, zet mensen tegen elkaar en tegen zichzelf op. To skim is 1. afromen, afschuimen 2. de voltooiende stuclaag aanbrengen 3. geschriften onverschillig doorbladeren. Aan al deze betekenissen beantwoordt het proces. Skimpy wil zeggen: karig, krenterig. Wie in dit proces zijn recht komt halen, verschraalt tot vrek in medemenselijkheid. Alleen al zijn naam verbindt Skimpole ten nauwste met het proces. In de holte van het begrip ‘skimpole’ galmt ‘simpel’. De zaak Jarndyce & Jarndyce is doodsimpel: zolang er nog iets te verdelen is, vallen er slachtoffers. Skimpolistische charme magnetiseert onverschilligheid. De klaploper is het schuim der natie en toch komt uit het schuim de zeepbel, vermaak voor kinderen, poëzie voor volwassen.

Dickens laat het aan de lezer over om Skimpole al dan niet te ontmaskeren als de kwade genius. De lezer wordt beproefd op het in de stemming geraken voor het Berouw. Iedereen kent van zichzelf die misstappen waarover hij zich schaamt en waarom hij zijn leven niet over zou willen doen, hoewel hij beseft dat hij juist hierdoor werd wie hij is. Niet het hiernamaals maar het hier en nu biedt een kans tot herstel. Esther is behept met een voorgevoel van het Berouw en kan daarom ontvankelijk zijn voor die persoonlijke levenservaringen die het zielenroersel onder ogen brengen. Skimpole mist hiervoor de aanleg. Hij kan niet anders dan volharden in zijn niks-aan-de-handhedonisme. Zijn ‘kinderlijke onschuld’ is geen pose, maar is even ondubbelzinnig als de zaak Jarndyce & Jarndyce slopend. Met zijn blinde vlek voor het bestaan - dat is medebestaan met de anderen - wordt hij de enige persoon in Bleak House die toegezogen wordt naar het zwarte gat van het proces en implodeert. De geroerde lezer laat hem imploderen, want raakt onverschillig voor hem. Luchtig keuvelend doet hij Esther nog uitgeleide. Zij blijft zich verwonderen over zijn originaliteit. Skimpole is dan een Josef K. geworden uit het kafkaiaanse evangelie van de moderne leegte. Hem is niets overkomen, hij heeft niets misdaan. Zoals Josef K. statig toeloopt op het slagersmes, zo laat Skimpole zich uitschrijven uit het verhaal. De geroerde lezer slacht hem af, ‘als een hond’. Laten we zeggen: voor de grap.