Over de onzekerheid van ons oordeel

Veel schrijvers die gebukt gaan onder slechte kritieken, en dat zijn ook goede schrijvers, eigenlijk bestaat er geen schrijver die niet gebukt gaat onder een slechte kritiek, al is het maar even, en ook al is dat er maar één en blijken alle overige besprekingen die het onderhavige boek ten deel zijn gevallen juichend - veel schrijvers kunnen zich optrekken aan de oosterse wijsheid die J.H. Leopold ooit vernederlandste tot ‘Tijdens zijn leven/ was iedere oordeelspreuk er neven’.

Daarmee zijn ze dan ook meteen verlost van de hinder die zelfs een positieve kritiek kan geven, want veel schrijvers die goede kritieken ontvangen, en dat zijn soms ook werkelijk goede schrijvers, voelen zich niet zelden tot overmaat van ramp om de verkeerde redenen geprezen. Het is nu eenmaal sowieso vervelend dat een vreemde zich over jouw werk buigt en daar oordelen over noteert, zonder jou goed te kennen of te hebben geconsulteerd. Terwijl de schrijver nu net een beroep had gekozen waarin hij geen chef boven zich hoeft te dulden. En dan wél in de krant het verslag van een fictief functioneringsgesprek onder ogen moeten krijgen - want zo moet het ongeveer voelen, als je wordt gerecenseerd -, dat is geen pretje.

Waar haalt die criticus zijn gezag vandaan, te denken dat hij de aangewezene is om een oordeel te verstrekken? Dat eeuwige ponteneur, dat strooien met allerhande namen en boektitels, het volstrekt willekeurige citeren, en met zo'n broddelwerkje dan ook nog eens een keer pretenderen dat de waarheid eens en voor al is gesproken. Nooit kom je een criticus tegen die openlijk verklaart het niet te weten, geen afgewogen oordeel te hebben, omdat hij moet toegeven het boek niet begrepen te hebben. En die ronduit erkent dat dat wel eens aan hemzelf zou kunnen liggen. Hij draait de zaken in zo'n geval eenvoudig om, de rotzak: onbegrijpelijk boek, dus geschreven door een warhoofd. Want wat zóu dat een zwaktebod zijn, als de bespreker met de handen in het haar zat en de lezer met een levensgroot vraagteken tegemoet treedt.

Ooit zat ik met Elsbeth Etty in een jury van een prijsje dat uitgeverij Meulenhoff had ingesteld.* Lezers hadden recensies geschreven over drie boeken uit het fonds van de uitgeverij. Etty en ik zouden uit de inzendingen drie winnaars kiezen. Onze beloning voor het lezen en beoordelen van de recensies was het nominatieoverleg zelve, dat dan wel in de vorstelijke ambiance van het Amstel Hotel plaatsvond. De wijn was goed, het eten ook, en over de prijswinnaars bleken we het spoedig eens te zijn. Geen spoortje van onzekerheid aan onze kant. Namens de uitgeverij was redacteur Reinjan Mulder afgevaardigd, die de gewichtige taak had aan het eind van de vergadering de rekening te voldoen.

Toch begon er bij mij iets te knagen, toen het informele gedeelte van de avond was aangebroken: het werk zat erop, de amateurs hadden een professionele beoordeling gekregen, vanaf nu ging het er alleen nog maar om dat wíj beloond werden, en wel met nieuwe wijn en verse spijzen. Etty, recensente van NRC Handelsblad, werd loslippig tegen mij, recensent van de Volkskrant, en deed haar beklag over ‘de jongens’ die bij de boekenbijlage van haar krant de dienst uitmaakten, en waarvan ze de namen noemde: Pieter Steinz en Arjen Fortuin. Die gaven haar steeds slechtere boeken ter bespreking, en zetten dan haar recensies ook nog vaak onder op de pagina, wat Etty's toorn had gewekt. ‘Ik zal ze krijgen,’ dacht ze toen. En wat deed Etty vervolgens? ‘Het eerste boek dat ik daarna kreeg was Slaap!, het debuut van de Vlaamse auteur Annelies Verbeke. Geen geweldig boek. Maar ik wilde niet voor de zoveelste keer onderaan op de belanden, dus schreef ik dat het hier een ontdekking van jewelste betrof, het beste debuut sinds Blauwe maandagen van Arnon Grunberg. Toen moesten ze met mijn stuk de wel openen. Hahaha!’ De recensente hikte nog wat na, innig tevreden over haar vondst om de jongens van NRC Handelsblad aldus een lesje te leren.

‘Maar je vond Slaap! eigenlijk niet goed?’ vroeg ik. ‘Welnee,’ antwoordde Etty, die opstond en een glas wijn omstootte, om verwilderd in het rond blikkend aan een passerende ober de weg naar de toiletten te vragen. Toen ze na een lang oponthoud vanuit de coulissen terug kwam zwabberen, was ik nog altijd niet over mijn verbazing heen. ‘De uitgever van Verbeke, De Geus, heeft anders driftig geadverteerd met die aanprijzing van jou, in de krant en achterop de herdrukken,’ zei ik. ‘Leuk voor haar toch,’ was Etty's luchtige repliek, die werd afgerond met een boertje, ternauwernood gesmoord in haar met rode wijnvlekken besmeurde servet van restaurant La Rive, onderdeel van het statige Amstel Hotel.

Het standvastig geformuleerde oordeel van Elsbeth Etty over debutante Verbeke was kennelijk niet gebaseerd op de zo luidruchtig geroemde kwaliteiten van het gelezen boek. Hier speelden heel andere, intern-politieke afwegingen de doorslaggevende rol. Nu moet worden benadrukt dat de recensente evident niet nuchter was toen zij haar ontboezemingen deed. Ik herinner me goed dat Mulder en ikzelf in stelling moesten worden gebracht om de NRC Handelsblad-coryfee, die zelf van haar deconfiture was geschrokken toen ze een sigarettenpeuk met een trefzeker gebaar pal naast de asbak in het smetteloze tafelkleed had geboord, zo rechtop als doenlijk was naar de uitgang van het hotel te dirigeren, alwaar zij door het ingetreden nachtelijk duister genadiglijk werd opgenomen. Die was vertrokken.

Mocht iemand haar ooit aan deze herinnering herinneren, dan kan ze zich met recht op dronkenschap beroepen. Toch wees de felheid van haar relaas over Verbeke, alsmede van haar beklag over de jongens van haar boekenbijlage, niet op een luchtig verzinseltje dat in je op kan borrelen onder invloed van alcohol. Reinjan Mulder is mijn getuige, en omdat hij tot het eind van de avond in functie was, en in de vroege ochtend de rekening zonder oogknipperen voldeed, om eenmaal buiten kaarsrecht op zijn rijwiel te stappen, ben ik er zeker van dat hij mijn weergave kan accorderen. Zo is het gegaan, en anders niet. Het oordeel van hen die tot oordelen bevoegd zijn, onder wie ik boekbesprekers van kranten wens te laten vallen, kan niet in alle gevallen zonder korrels zout worden genomen; dat was de harde les die déze jongen tijdens die avond in het Amstel had geleerd.

Ik kan sinds die gebeurtenis geen kritiek van Elsbeth Etty in NRC Handelsblad meer lezen, zeker niet als de ermee wordt geopend, zonder zekere bijgedachten, in de trant van: ‘Gaat ze haar jongens deze week misschien weer een lesje leren? Komt er straks weer een superlatief voorbij - ongekend, meesterschap, briljant, zelden vertoond -, waardoor ze zich deze week van een ereplaatsje heeft verzekerd, over de rug van het boek in kwestie heen?’ Toen ze onlangs Het schervengericht van A.F.Th. van der Heijden de lucht in stak, was ik daar zeker van, want ze had het onder meer over spectaculaire nieuwe interpretaties die de auteur had geleverd op de roemruchte moordpartij die Charles Manson liet uitvoeren op de actrice Sharon Tate en de getrouwen die op die fatale avond in 1969 in haar huis in California aanwezig waren. Ik had de roman ook gelezen, en was, geheel anders dan Etty, nogal verbaasd geweest over het slepende verhaal dat nu juist zo weinig toevoegde aan de sinds jaar en dag bestaande (en nog immer uitdijende) bibliotheek aan informatie en interpretaties over Manson, Tate en haar echtgenoot Polanski.

Het frappante was dat Etty het liet bij die opmerking over nieuwe inzichten, en die geenszins toelichtte. Waarín verschilt Van der Heij-dens boek dan van wat we al lang en breed wisten? Het huiveringwekkende gedeelte waarin hij de ongeboren zoon van Polanski en Tate het verslag van de moorden laat geven, is een akoestisch visioen - maar dat is nog geen nieuwe interpretatie. Manson was er die avond zelf niet bij, omdat hij niet tegen bloed kon - zoiets bedenkt Remo (zoals het op Polanski geënte personage bij A.F.Th. heet), en dat is een oplossing voor het vraagstuk van Mansons absentie, maar het blijft een veronderstelling, een visie die weliswaar onbekend is, maar daardoor nog niet de status van hemelschokkende interpretatie kan worden verleend. Kortom, Etty moet in haar recensie blufpoker spelen om haar positieve oordeel kracht bij te zetten. Uiteindelijk blijkt uit haar recensie vooral dat zij het boek hogelijk waardeert. De bewijsvoering is er niet, zodat de argeloze lezer onmogelijk kan worden overtuigd.

Ik wil er hier niet voor pleiten dat recensenten die niet goed kunnen aangeven waarom zij een boek goed vinden of slecht, hun onzekerheid gaan zitten uitventen. Ik wil er wel voor pleiten dat recensenten goed nadenken over hun oordeel alvorens zij een stuk schrijven. Een recensie die uitmondt in een vraagteken kan verhelderend zijn, als in het voorafgaande met zoveel woorden is voorbereid waarom er geen klaarheid of uitsluitsel volgt. In een recensie moet hardop worden nagedacht over het gelezen werk. De vorming van het oordeel moet enigszins kunnen worden nagevolgd, al begint de recensent vermoedelijk pas vaak aan zijn stuk nadat hij het oordeel reeds heeft gevormd. In zekere zin is zijn recensie een retorische exercitie.

Als het oordeel niet logisch volgt uit de verstrekte informatie, bijvoorbeeld omdat dat in werkelijkheid is gemotiveerd door buitenliteraire kwesties en belangen, dan wordt de lezer (van de recensie) en de schrijver (van het besproken boek) onrecht gedaan. Door hen buitenspel te zetten, verschanst de criticus zich in zijn gelijk, dat niet kan worden bevestigd of ontkracht, omdat het de buitenstaanders aan de middelen ontbreekt om het oordeel te controleren. Een recensent moet in zoverre van zijn onzekerheid blijk geven, dat hij altijd kan instaan voor zijn oordeel. Ook als dat minder uitgesproken is, of minder enthousiast uitvalt, waardoor de kansen slinken dat de bespreking boven aan de wordt geplaatst. Dat moet dan maar. Dat zoiets überhaupt kan meespelen tijdens het schrijven een recensie, was mij tot die Amstel-avond niet bekend, en dat heeft me diep geschokt.

Elsbeth Etty moet nog maar eens opschrijven wat ze nu echt vindt van het debuut van Annelies Verbeke. Tot dat moment voedt ze het voze vooroordeel dat recensenten doen alsof ze boeken bespreken, terwijl ze feitelijk aan politiek doen. Oude politiek, die smoezelige, die van de achterkamertjes, die merkwaardig genoeg zo vaak bedreven schijnt te worden in de poenigste etablissementen.


Zie ook de volgende bijdrage, die Elsbeth Etty schreef op verzoek van de Gids-redactie in reactie op het stuk van Arjan Peters.