Tegen de lediggang

In 1994 zou het woord niet hebben misstaan in het Vergeetwoordenboek van Raster. Ook toen was het al zozeer in onbruik geraakt dat vrijwel geen jongere, voor zover niet opgevoed met de Bijbel, het nog kende. In het vrije verkeer kwam het al veel langer niet meer voor, nu begon het ook in het conserverende omhulsel van de versteende uitdrukking steeds vaker op gefronste wenkbrauwen te stuiten. Lediggang? Lediggang is des duivels oorkussen?

Dat zijn wel erg veel onbekende grootheden. Anno 2007 is immers ook de duivel van het toneel verdwenen. Of misschien moet ik zeggen dat hij is opgelost in de artificiële giftige dampen van elk willekeurig Hollywood- of game-monster. Zijn reëel bestaande, in een theologische traditie van twee millennia gefundeerde afschrikwekkendheid - waarmee ik als lagereschoolkind via de catechismus nog net kennis heb mogen maken - leeft hoogstens nog voort in de wereldse, al te wereldse trekken van de kinderverkrachter of de zelfmoordterrorist.

De klassieke vermaning tegen de duivelse gevaren van de lediggang stamt uit een van de deuterocanonieke boeken van Jesus Sirach. In ons land werd hij verder gepopulariseerd door onder meer Jacob Cats en Coornhert. In de nieuwe bijbelvertaling wordt het lot van de kwijnende zegswijze stilzwijgend maar definitief bezegeld:

Wat voor een ezel voer, stok en lasten zijn,
dat zijn brood, tucht en arbeid voor een slaaf.
Zet je hem onder tucht aan het werk, dan heb je rust,
Geef je hem niets te doen, dan zoekt hij de vrijheid.
Een juk en een halster buigen de nek,
voor een kwaadwillige slaaf zijn er lijfstraffen en folteringen.
Zet hem hard aan het werk, anders wordt hij een luiaard,
en van luiheid leert hij allerlei kwaad

Je hoeft geen groot lezer van poëzie te zijn om te begrijpen dat het kwaad uit die laatste zin alleen van een alledaagse saaiheid kan zijn. Wel heeft de ontnuchterende nieuwe vertaling het voordeel dat ze het woord ‘lediggang’, of zijn iets minder archaïsche variant ‘ledigheid’, niet primair identificeert met leegheid, in de ruimtelijke zin van het woord, maar met luiheid, niets doen, gebrek aan ijver, de onwil zich in te spannen.

Misschien is het verdwijnen van de zegswijze vanuit dat perspectief ook wel logisch. Het is tegenwoordig immers zo vanzelfsprekend dat er hard gewerkt moet worden, liefst meer uren dan ooit en door iedereen, dat een morele legitimatie daarvan al niet meer nodig is, laat staan een moraliserende aanmaning. Pamfletten waarin het recht op luiheid nog serieus wordt verdedigd - zoals in de hoogtijdagen van de industriële revolutie door Paul Lafargue, de schoonzoon van de workaholic Karl Marx, maar ook nog in juichende arcadische utopieën uit de roemruchte, maar o zo ver achter ons liggende jaren zestig - zijn tegenwoordig vrijwel ondenkbaar. Homo ludens heeft het veld geruimd. In het zweet des aanschijns - daarover bestaat van links tot rechts consensus, al denkt geen mens daarbij nog aan het dagelijkse brood.

En eerlijk gezegd: ik heb ook een enorme hekel aan luieriken. Jongelieden die hun tijd verdoen alsof die niet op kan, hangend in schoolbanken of naar kliervertier zoekend op pleinen of in warenhuizen - ik kan ze wel een schop geven. Mijn weerzin tegen het hangen, de inertie, de vadsigheid kent trouwens geen leeftijd. Minstens zo ergerlijk als de jongerenafdeling van de nietsdoende klasse vind ik het verveeld voor zich uit kijkende volk van alle leeftijden dat bij een half straaltje zon zonder pardon terras en strand massaal vult met starende ledigheid. Niets komt me dan zo aantrekkelijk voor als een leeg plein of een leeg strand.

Maar is dat nietsdoen dan immoreel? Leert luiheid allerlei kwaad? Is verveling het aas waar demonen op vlassen? Moeilijk te zeggen. In de meeste gevallen lijkt verveling een repeterende breuk, wat ze meer oplevert dan herhaling of vermenigvuldiging blijft doorgaans verborgen. Indirect wordt dat ‘meer’ wel zichtbaar, namelijk in het verlangen naar extreem amusement. Al vroeg in de twintigste eeuw werd geconstateerd - het scherpzinnigst in de woorden van Walter Benjamin - dat moderne mensen arm zijn aan ervaringen maar des te meer behoefte hebben aan belevenissen. Dat wordt door het aanbod van de vrijetijdsindustrie bevestigd.

Het meest in trek zijn de belevenissen waarbij we de genietende getuigen kunnen zijn van andermans ellende. Een groot deel van het tv-amusement speculeert op de groeiende behoefte aan leedvermaak bij de kijkers. Niets is mooier dan mensen die verzuipen in de ellende, liefst zouden we ze er nog wat verder in duwen. Mensen die beledigd, gekrenkt, vernederd worden, fantastisch, hopelijk doen hun kwelgeesten er in de volgende ronde nog een schepje bovenop. Ramptoerisme is de lekkerste vorm van toerisme. Bloed willen we zien, dodelijke gevechten, vernietigende aanslagen, liefst in het echt en met de neus erop.

Dat is geen exclusief modern verschijnsel. De Lust am Grauen is zo oud als de beschaving. De Romeinse burgers gingen met hun kinderen een dagje naar het Colosseum om te zien hoe hongerige leeuwen en tijgers elkaar of hun menselijke belagers verscheurden. De amusementswaarde van de oorlog werd al door Goethe beschreven alsof hij weet had van de media van nu. In Faust 1 zegt een ‘andere burger’ (in de prachtige vertaling van Ard Posthuma):

Op zulke feestdagen mag ik graag spreken
over geweld en oorlog: ik geniet ervan
wanneer ze in Turkije of Verweggistan
elkaar zonodig weer de botten moeten breken.
Je drinkt je borrel, ziet vanuit het raam
op de rivier de bonte scheepjes glijden
en 's avonds onder het naar huis toe gaan
prijst men zich zalig met de vreedzaamheid der tijden

In geuren en kleuren, in close-up en in herhaling zien we vluchtende, creperende, afgeslachte mensen op tv. En desgewenst gaan we een en ander live bezichtigen, via een geheel verzorgde reis van Thika Travel. Cynischer dan in een advertentietekst van deze organisatie, geplukt uit een glossy, kan de verhouding tussen de rijke en de arme wereld niet worden uitgedrukt.

Het begint met de vertrouwd klinkende mededeling dat Ethiopië, het land van bestemming, ‘een smeltkroes van culturen’ is. Natuurlijk is de natuur adembenemend en de cultuur eeuwenoud. Nergens heeft men ‘zo direct contact met de Afrikaanse bevolking als hier. Er wordt met kleine boten over de Omo gereisd. Onderweg wordt overnacht in luxe tented camps en overal en nergens wordt aangelegd om prachtig uitgedoste en met Kalashnikovs behangen lokale bevolkingsgroepen als de Mursi-, Karo- en Kwegustammen te ontmoeten. Over spannend gesproken!’

Desondanks ben ik niet tegen leegheid als zodanig. Behalve leegheid in de vorm van luiheid en vadsigheid bestaat er een leegheid van de voedende soort, zonder welke een enigszins beschaafd bestaan me ondenkbaar lijkt. Die leegheid leidt niet naar Ethiopië, ze staat haaks op de dorre leegheid van het werk en het amusement waarin we verveeld en doelloos ronddolen en als een eigentijdse Antonius worden bestookt door fata morgana's van excessen.

Voedend is de leegheid van de onbereikbaarheid voor externe, verplichtende prikkels, de leegheid van het taoïsme, van de dichter die - in de klassieke formulering van Paul van Ostaijen - zegt: ‘Ik wil bloot zijn en beginnen.’ Die leegheid is de bron van elke creativiteit. Ze ligt niet in het verlengde van het lawaai en de drukte, het gebazel en de domheid van alledag maar is daarop veroverd. Ze veronderstelt het vermogen tot gericht en proportioneel afstand nemen, tot weerstand en kritiek. Ze is, paradoxaal genoeg, vol aan mogelijkheden, ze staat steeds op het punt open te barsten om voedsel te geven aan nieuwe exercities van de geest.