Birds in the night

Hij ging al in tot duisternis,
Maar zag naar de verlaten kim
Nog eenmaal om: haar zachte schim
In de verlichte vensternis.

*
* *

Vlucht (Val)

Ik trap er elke keer weer in,
in het slik. En worden op den duur
de baggerlaarzen afgebikt.

*
* *

opgaan,
opstaan,
Ik zie een gestalte ontstaan,
op vlinderjacht gaan
kort boven het gras waar zich de zomer in
verborgen waant.

Dan legt ze het net over de aarde en
vist een wimper uit haar oog.

Vist een wimper uit haar oog
en draagt deze,
gevangen in de toppen van haar vingers naar –


zucht me,
kiss of life, zo zacht, zó zacht
over de rand daar bij de zee de einder in, dat

*
* *

Toen werd het verdergaan te zwaar,
Neer zonk hij op den natten berm


En zong voor ’t allerlaatst tot haar
Een kleine teedre liederenzwerm,

*
* *

ik droomde dat ik dood was.

Maar dood was het woord niet,
je liet me tenslotte het leven;
en droomde is het woord niet.

Meer of je een brief schrijft
waar je weken over doet,

brief als poging tot dagboek, dezelfde devotie;

brief waarin je terugkomt
op eerder ingenomen standpunten
en deze dan opnieuw inneemt;

pillen die je ophoest en weer doorslikt.

*
* *

Je verplaatst je met je toestel langs het tij:
over het zand, langs het slik, de steenslag;
zo aanmodderend tover je jezelf


telkens andere close-ups rond vergezichten voor,
al zul je ze,

telkens andere close-ups rond vergezichten voor,
al zul je ze steeds,

telkens andere close-ups rond vergezichten voor,
al zul je ze steeds hetzelfde,

  telkens andere close-ups rond vergezichten voor,
  al zul je ze steeds hetzelfde laten zeggen.

Loop rond mijn kop,
mijn jij verlos mij dan uit mijn getijden.

*
* *

En heeft een teeken nog gewacht.
Zij hebben haar niet meer bewogen
Dan vogels drijvend door den nacht
Aan hard-licht venster doodgevlogen.