Geletterde cultuur verandert continu, soms zo ingrijpend dat wie alleen oude begrippen hanteert haar ondergang voorspelt. Maar ze verdwijnt niet. Geletterde cultuur bestaat zolang mensen schrijven en de eigen ervaring ondervragen; het is, zoals Dirk van Weelden het in Literair overleven verwoordt, een verkennen van de vrijheid van het schrijven, denken en praten. Ik kan me helemaal vinden in Van Weeldens betoog voor een aanvallende opvatting van literatuur, zowel in de artistieke als de sociale en organisatorische aspecten ervan. Ik word enthousiast van zijn utopie van het schrijven. Mijn reactie is daardoor vooral een bescheiden aanvulling op Van Weeldens betoog.

Ik lees Literair overleven als lezer en liefhebber van literatuur, maar ook als literatuurwetenschapper die begin jaren negentig in de wereld van de nieuwe media verzeild raakte, en sindsdien met enige regelmaat nadenkt en soms schrijft over de transformatie van literatuur en de rol van technologie daarin. Enigszins chargerend kun je stellen dat ik de literatuur sindsdien vanuit het perspectief van netwerktechnologie en software bekijk. Mij interesseert niet alleen de transformatie van geletterde cultuur, maar ook de toepassing van de computer en het internet voor nieuwe vormen van literatuur. Software formeert de geletterde productie, en communicatie: in het groot (websites, RSS, discussiefora), in het klein (bewegende poëzie), en in volstrekt marginale genres (tekstuele adventure games zoals Amnesia (1986) van de in 2008 overleden Amerikaanse schrijver Thomas M. Disch).

Ik ga ervan uit dat de geletterde cultuur in vergelijking met vijftien jaar geleden ingrijpend veranderd is. Er is voor de lezer geen enkel excuus meer om zich beknot te voelen door de ‘censuur van de markt’. Bij de onmiddellijk oproepbare culturele rijkdom – toegegeven, het helpt wanneer je verschillende talen kent, en het helpt wanneer je over de handigheid beschikt om de bronnen te vinden – is er geen excuus om een middelmatige roman uit te lezen. De rijkdom ligt onder je vingertoppen, een paar kliks verwijderd, ergens in de databases en websites. En de internetboekhandels functioneren.

In deze cultuur speelt ook de lezer het best aanvallend spel. Je kunt wel een klaagzang houden over het afglijden van het peil van de dagbladkritiek, maar je steekt die energie beter in het knutselen van een betere manier om de rijkdom van het internet te oogsten. Bijvoorbeeld door je RSS-feeds te organiseren, of ervoor te zorgen dat de recensies die je wilt lezen en de discussies die je wilt volgen zo op je leesgereedschap (laptop, iPhone, geprint op papier) verschijnen dat je ze niet vergeet te lezen, en ze echt leest in plaats van er enkel een oog over te laten glijden. De geletterde cultuur is gedistribueerd, en iedereen die zich er deelgenoot van voelt verzamelt en bundelt zelf materiaal. Wie zijn weg vindt, vindt zo veel te lezen, dat je blissfully ignorant kunt blijven van wat de oude media-industrie probeert te marketen. (Mij overvalt altijd een mild gevoel van culturele vervreemding als ik tijdens een lunchpauze van mijn werk in Rotterdam de Selexyz Donner binnenloop.) Tips en nieuws – het domein dat krantenrecensie en boekhandel nog proberen te bespelen – krijg je aangepast aan je eigen voorkeuren en samengesteld op basis van fijnmazige analyses van surf- en koopgedrag en waardering van duizenden klanten van de internetboekhandels.

In een netwerkcultuur wordt van site naar site gehopt, gezocht, gescand, verzameld, vergeten, en oppervlakkig gediscussieerd, maar er worden ook boeken gelezen (‘boek’ als ‘gebundeld werk’, niet als ‘stapel papier met kaft’). De behoefte aan verdieping en duiding verdwijnt niet. Juist op het internet ga je eenvoudig de diepte in en leg je al googlend een verzameling aan van relevante en zeer gespecialiseerde achtergrondteksten. Er is soms zo veel te vinden dat het verlangen naar dat ene goede essay onontkoombaar wordt, een essay geschreven door iemand die de tijd heeft kunnen nemen om de losse draden te verbinden en een inzicht te verwoorden. Je zou er het literaire tijdschrift voor moeten heruitvinden.

Het is geenszins evident hoe een geletterde cultuur bij deze beschikbare rijkdom vorm krijgt, niet vanzelfsprekend hoe lezers hun literaire ervaring vorm geven. Daar ligt de uitdaging en er wordt aan gewerkt. De leesclub van het NRC en de boekenblogs zijn er evengoed een voorbeeld van als Librarything (een sociale netwerksite voor lezers gebaseerd op de bibliotheek van gebruikers), citeulike, Google-books of Scribd (een soort YouTube voor pdf’s).

Stel je nu een simpele applicatie voor die op verzoek van verschillende sites literatuurrecensies en essays verzamelt. De applicatie werkt niet alleen op basis van jouw voorkeuren (geïnterpreteerd als een lijst van voorkeursites en te gebruiken trefwoorden), niet alleen op basis van een fijnmazige vergelijking van jouw voorkeuren met die van anderen, maar in complexe reactie daarop. Ze houdt rekening met het feit dat er schrijvers en redacteurs zijn (mensen dus, experts) die je sowieso wilt volgen, en neemt in acht dat je graag deel uitmaakt van een gemeenschap waarin een discussie gaande is. Zo’n applicatie combineert het goede van de slim analyserende zoekalgoritmes met menselijke voorkeuren, keuzes en redactie. Het levert je eigen persoonlijke literaire tijdschrift af, naar keuze als platte tekst, in HTML-pagina’s, pdf, of zelfs, bij extra betaling, via de print-on-demand-service uitgeprint in de brievenbus. Het is geen nieuw idee, het is een zeer complexe RSS-feed. Ik zou graag zo’n applicatie gebruiken, en het is bij toenemend gebruik van XML, open standaarden en open API’s, waardoor data op een computervriendelijke manier valt te oogsten, realiseerbaar. De vertaling ervan naar de praktijk in adequaat werkende software die over vier jaar ook nog functioneert, is overigens niet zo vanzelfsprekend, en zeker niet goedkoop.

De essays moeten natuurlijk wel geschreven worden, de schrijvers en redacteurs betaald – of het nu een Zweedse dichter is of een Indiase essayist. Nu kun je je voorstellen dat een applicatie een micropaymentsysteem integreert. Je kunt je zelfs voorstellen dat gebruik van het systeem resulteert in betaalde schrijfopdrachten of vertalingen wanneer er voldoende vraag wordt geconstateerd. Technologische oplossingen zijn niet zaligmakend en zo’n micropaymentsysteem is er nooit gekomen. (Het is slechts een van de redenen waarom het World Wide Web volgens visionair softwareontwikkelaar Ted Nelson fundamenteel kapot is.) Je kunt Paypal gebruiken als fooienpot, Google-ads toevoegen, vragen om bijdrages, zoals Wikipedia doet – maar zonder gesubsidieerde instellingen en overheidssteun zal het niet blijven draaien.

Maar als genieters van alle rijkdom hebben we ook de verplichting tot ondersteuning ervan. Dat kan door eraan bij te dragen – meer rijkdom –, of je in te zetten voor de verspreiding van het schoons. Langzaam ontstaat er, zo vermoed ik, bij wie het zich kan permitteren, ook de bereidheid om de instellingen, kunstenaars, musici en schrijvers wier werk al zo lang voor niets genoten wordt, financieel te ondersteunen zonder dat daar privileges tegenover staan. (Juist niet: ik zou eisen dat het werk, in ruil voor een bijdrage, vrij toegankelijk blijft). Toegegeven, het is een heikel economisch principe. Toch geloof ik dat het – op kleine schaal – kan werken.

Arie Altena (1966) schrijft over kunst, technologie en nieuwe media. Hij werkt momenteel voor V2_ Instituut voor de instabiele media in Rotterdam, en is lid van het redactieteam van Sonic Acts. Hij geeft regelmatig les op kunstacademies en verzorgde onlangs het keuzevak Literary Machines aan de Universiteit van Amsterdam. Hij co-redigeerde de Sonic Acts uitgaves Unsorted, Thoughts on the Information Arts (2004), The Anthology of Computer Art (2006) en The Cinematic Experience (2008), en de print-on-demand-uitgave Pervasive Personal Participatory, Ubiscribe 0.9.0 (2006). Hij blogt op ariealt.net. Inzicht in nieuwe media en technologie verwierf hij bij Mediamatic, waaraan hij lange tijd verbonden was.

Meer van deze auteur