Gedichten

Het zou een goede grap zijn als Ghalib de enige goede dichter was


Ik weet niet veel van wijn, daarom vraag ik om zoveel mogelijk,
het is toch zo dat wie veel van iets weet aan weinig genoeg heeft.


Als ik niet zoveel dronk zou je denken dat ik iemand was die niets nodig had,
behalve een lege plaats voor mijn voeten zolang ik loop.


Ghalib heeft geen dag van zijn leven een gebed uitgesproken, moet hij beginnen nu hij niet meer kan spreken,
zoveel keer per dag een gebaar te maken alsof hij een gebed zou willen uitspreken?


Dat is Ghalib die zijn vrienden zegt dat zij niet moeten ophouden hem hun gedichten te geven om ze te verbeteren;
ik weet een geheim dat ik al mijn vrienden wil vertellen, er is een lege plaats die op mij wacht.


Niet omdat hij poëzie liefheeft, waar halen ze die onzin vandaan,
maar als een vrouw die de man verdedigt waar zij haar hele leven mee getrouwd geweest is, wat hij ook doet.


Geef mij een gedicht en de volgende dag geef ik het verbeterd terug,
behalve als ik het kwijtgeraakt ben, als mijn handen niets meer kunnen vasthouden houd ik op met verbeteren.


Als ik er niet meer ben, de bebloede vlag waarvoor ik mijn leven gaf, die mogen ze aan je geven;
er zijn veel goede dichters maar ik kom liever pas binnen als Ghalib aan de beurt is.



Een grap van God


Ik moet doen alsof ik een vriend van lang geleden ben, dan word ik meteen binnengelaten,
zoals ik wil dat de eerste die mij de uren liet tellen tot ik haar weer kon zien niet voor de deur hoeft blijven wachten.


Dat heb ik tegen iedereen gezegd die je tegen zou kunnen houden,
en je hoeft niets voor mij mee te brengen, want wat kan je mij ­geven die alles al heeft?


Als ik vandaag doodga mogen ze mijn lichaam verbranden of ­begraven,
in het water als het een dag geregend heeft.


Wil je echt dat ik zeg hoe ik het liefst begraven wil worden,
wat dacht je van op mijn rug liggend in een vol bad?


Ik had uitgerekend wanneer ik dood zou gaan, zoiets laat ik iemand anders niet voor mij doen,
maar zoveel anderen gingen plotseling dood dat ik mij niet ­tussen hen in wilde dringen.


Als jij binnenkomt en ik je iets wil zeggen
doe ik dat ook niet als iedereen naar je toe rent om je te ­begroeten.


Ik maak een kleine scheur in de kleren waarin ik begraven wil ­worden
en als ik doodga hoop ik dat het de enige kleren zijn die ik nog heb.


Ik loop voorzichtig waar ik denk dat je gelopen hebt,
kijk of ik je voetstappen in het gras zie, of ik kan raden waar je stil bleef staan.


Ik kijk of ik kleren zie liggen die je een voor een uitgetrokken zou kunnen hebben,
alsof je naar je bed liep, zoals ik het je had kunnen leren, want je zei dat je van iedereen wilde leren.


Voor wie zou ik verder nieuwe kleren nodig hebben?
Niet voor de engel die zich half in het gras verbergt als ik eraan kom.


Ik wil niet doodgaan ver van hier, waar niemand mij kent, waar ik begraven word alsof ik nooit iets gehad heb,
maar als ik niet de uren kan aftellen tot iemand komt word ik ­liever ver van hier naar de deur gebracht.


Dit is een grap van God, wat ik terug kan doen daarvoor:
als ik doodga doe ik dat waar niemand weet wie ik ben, zo heeft God een oplossing voor hoe arm ik ben.


In zijn kleren van papier staat een arme te wachten, wat heeft hij te klagen,
ik wil dat je het merkt als ik ergens niet ben.


Kijk wat God meegebracht heeft,
als wat een oude hond binnengebracht heeft, denkt hij dat ik er dankbaar voor ben?


Ghalib krijgt niet wat hij verdient, dat heeft hij God lang geleden al gezegd,
het is goed om je te herinneren, Ghalib, dat je ooit een God had.


Ghalib, jouw gedichten zijn zo ingewikkeld dat alleen God en jij ze begrijpen,
als jullie bij elkaar kunnen zitten en erover spreken, zo lang als je leven lang is.



Nog een grap van Ghalib


Ik ga van deur naar deur, als een hond of een kat, omdat ik anders niet te eten heb,
soms geven zij mij iets omdat zij gehoord hebben dat ik 
gedichten schrijf.


Een grap hoe de een vrijgeviger probeert te zijn dan de ander,
elke keer dat een deur opengaat kijk ik alsof ik ergens naar ­verlang, dat kan ik aan hun gezichten zien.


Je hebt gelijk, ik schrijf alsof ik uit een andere taal vertaal
en mijn best doe zo dicht mogelijk te blijven bij het deel dat ik begrepen heb.


Ik wilde dat iemand mij kwam uitleggen wat een gedicht is voor wie niet een mens is,
dan zou ik misschien beter kunnen uitleggen wat een gedicht is.


Iemand vraagt je of je vandaag niet iemands hoofd af zou slaan.
Vandaag? Wiens hoofd zou dat moeten zijn?


Terwijl ik je uitleg waar ik ben, alsof ik een grap uitleg voordat ik die vertel,
kom je achter mij staan – maak mij alsjeblieft niet aan het ­schrikken.


Ik kan niet over alles een grap maken, niet dat het mij altijd lukt een grap te maken,
en dan iets zeggen alsof ik het meen en het kapotgaat als iemand daar een moment aan twijfelt.


Zeg niet tegen Ghalib dat hij ironisch is, want dat wil hij niet zijn,
behalve nadat hij nauwelijks meer kan ademen – ja, daarna wil hij wel ironisch zijn.


Ghalib zegt weer iets wat net te wijs is, in plaats van bijvoorbeeld priemgetallen op te noemen,
zodat wie het hoort bijna zeker is dat iemand nagedacht heeft over wat hij zegt, kan hij niet beter?


**oorspronkelijke aankondiging *****



WILDGROEI  I t/m V


Redacteurs: Jan-Willem Anker, Patrick Bassant en Johan Sonnenschein


Vrijdag 25 april 2003, Vrijdag 13 juni 2003, Vrijdag 26 september 2003, Vrijdag 21 november 2003, Vrijdag 26 maart 2004


WILDGROEI   I


Met: F. van Dixhoorn, Elma van Haren, Lucas Hüsgen, Peter van Lier, Anne Vegter


Onze Nederlandstalige poëzie staat er prachtig bij. Om daarvan optimaal te profiteren organiseert Perdu een reeks avonden waarin haar ‘regenwoudachtige rijkdom’ – de term is van Tonnus Oosterhoff – getoond wordt en gevierd. Daartoe worden die dichters uitgenodigd op wier werk de term ‘wildgroei’ van toepassing is: poëzie die zich niet erg beperkt voelt door de traditionele en rationele regelgeving van de logica, samenhang of bladspiegel. De avonden draaien vooral om de afzonderlijke dichters, maar daarnaast wil Wildgroei een kleine reflectie op de hedendaagse poëzie en haar klimaat tot stand brengen; de dichters wordt gevraagd te reageren op hun plaats in de literatuur, inleiders en presentatoren zullen dit kadreren en gaandeweg de Wildgroei-reeks zullen discussies met dichters, critici, essayisten en academici worden opgevoerd. Ten slotte zal ook gepoogd worden het publiek bij de avond te betrekken. Het gaat namelijk, behalve om de poëzie, om de lezer.


WILDGROEI   II


Met: Peter Holvoet-Hanssen, Jan Lauwereyns, Marc Kregting, b. zwaal en Arjen Duinker


Opnieuw een avond met veel poëzie. Opnieuw poëzie met een regenwoudachtig, uiterst beheerst of juist anderszins karakter. Maar hoe dan ook: po-ezie met karakter. Wildgroei zet met deze tweede avond een belangrijke stap in de richting van haar doel: een reeks te worden. Een […] reeks die poogt te reflecteren: de dichters wordt verzocht om, naast lezing van hun gedichten – het allesoverheersende middelpunt – ook iets te zeggen over de poëzie, hun eigen poëzie en die van hun contemporaine collegae. Waar staan zij? Hoeveel trekken zij zich aan van wat er om hen heen gebeurt? Beschouwen zij zich ook als lezers? En dan maar afwachten of we iets te horen krijgen. 


WILDGROEI  III


Met: Anneke Brassinga, Wilbert Cornelissen, Rudolf Lucieer als Herman Gorter, Kees Ouwens en Henk van der Waal


En de wildgroei woekert voort. Immers, er zijn nog heel wat dichters die genoeg met allerhande regenwoudmetaforiek te maken hebben om ze onder het mom van Wildgroei op het podium te roepen. Genoeg om nog een seizoen door te groeien. Want na de twee (sfeer)volle poëzieavonden van eerder dit jaar, is Wildgroei nu echt een reeks aan het worden. […]


Nieuw is dit seizoen de historische component: oude namen kunnen daarom opeens op de gastenlijst staan. 


WILDGROEI  IV: IN DIALOOG


Met: Lucas Hüsgen, Piet Gerbrandy, Marc Kregting, Marc Reugebrink


Waren de voorgaande drie avonden gevuld met poëzie, voor deze vierde wil Wildgroei ook een gesprek ensceneren – Wildgroei klimt in de meta! Dit zoals naar ons idee over poëzie gesproken moet worden: vertrekkend vanuit de poëzie. Geen debat om het debat, maar het debat als natuurlijk onderdeel van de letteren: waar poëzie wordt geschreven, zullen altijd dichters zijn die het polemiseren niet willen laten. We nodigen daarom dichters uit die poëzie én kritieken schrijven, om de verhoudingen op scherp te stellen. Academici vinden wij niet eng en zijn van harte welkom, maar omdat Wildgroei veel meer is opgezet als reeks van dan over poëzie, inviteren we het liefst dichters. 


Uitgenodigd zijn: Dirk van Bastelaere, Piet Gerbrandy, Ilja Leonard Pfeijffer en Marc Reugebrink – als representanten van het huidige poëziedebat – om een kort essay te lezen over de verhouding tussen hun kritische en polemische praktijk enerzijds en het dichten zelf anderzijds. Zijn dit twee verwanten zielen? Hebben ze nauwelijks met elkaar van doen? Zijn essays meer dan ‘poëticale oorlogsmachines’ – de term is van Van Bastelaere? Het geheel moet een discussieavond worden waarbij het publiek niet zijn mond hoeft te houden. De opstelling zal eerder amfitheater- dan podiumachtig zijn, waarbij de dichters niet zozeer een panel zijn, maar eerder prominente deelnemers aan een open gesprek over poëzie. 


WILDGROEI V


Met: Dirk van Bastelaere, Paul Bogaert, K. Michel, Astrid Lampe en J.H.
Leopold


Wildgroei bouwt verder aan de jungle van de Nederlandstalige poëzie. Waar dichters afwijken van gebaande paden, waar lianen over de bladspiegel hangen en waar de rationele regelgeving van logica en samenhang opgepeuzeld lijken te zijn door een pluizig beest, daar bevindt zich het Eldorado van Wildgroei. Er worden weer vier dichters ingevlogen die alle ruimte krijgen om hun poëzie – want daar gaat het tenslotte om – op hun eigen manier aan te bieden aan de lezer – want daar gaat het natuurlijk óók om. Tenslotte zal een gedicht van Leopold voorgelezen worden: op zoek naar de wortels van de Wildgroei.