Serenity

Het kan ons niet verschrikken,
Al wat van buiten woelt,

Wanneer men maar van binnen,
De schoonste ruste voelt:
Die schoonste rust van binnen,
Kan ’t verwinnen.

– Jan Luyken, ‘Van de rust der zielen’ (1649-1712)

‘De Tao baarde het Ene; het Ene, de Twee; de Twee baarde de Drie, en de Drie de Tienduizend Dingen.’ Dit begin van het 42e hoofdstuk van het Boek van de Tao en zijn innerlijke kracht1 was opgenomen in het eerstejaars Chinese tekstboekje van de Ecole des Langues Orientales in Parijs. Het was in het jaar 1955 en ik had me in een soort van opwelling ingeschreven aan deze eerbiedwaardige institutie zonder te weten wat me te wachten stond. De groep eerstejaars studenten Chinees bestond uit acht mensen, onder wie een voormalig missionaris die nu nog dat wilde inhalen waarin hij in China tekort was geschoten en de echtgenote van een diplomaat die dacht dat China weleens belangrijk zou kunnen worden. Toen mijn beurt kwam om me voor te stellen had de docent zijn wenkbrauwen opgetrokken en gevraagd: ‘Waarom studeert u niet in Leiden?’ En terwijl ik nog zocht naar een antwoord had hij eraan toegevoegd: ‘U zult hier misschien wél Frans leren!’ Hij had al even weinig vertrouwen in de zaak als ikzelf.

Het bewuste tekstboekje waar hij zich van bediende dateerde uit de jaren dertig. Het was samengesteld door Paul Demieville, een specialist van het zenboeddhisme, tegenwoordig zo populair, maar toen nog vrijwel onbekend. De zen heeft altijd iets gehad met Lao Zi en zijn Daode jing. Maar de opname in het tekstboek lag ook aan het feit dat de inhoud van het taoïstisch scheppingsverhaal weliswaar heel diepzinnig mag zijn, maar dat de syntaxis van deze passage eenvoudig, en de woordenschat nog simpeler is, en daarmee best geschikt voor aanvangende sinologen.

Ik vond het prachtig, en mijn vreugde werd nog groter toen ik daags daarna in een boekhandel de Franse vertaling van de hele Daode jing van de Leidse hoogleraar J.J.L. Duyvendak vond.2 Opgetogen toonde ik mijn vondst aan de eerder genoemde docent, maar opnieuw toonde hij zich minder positief. Hij kon zich niet voorstellen, zei hij, dat een serieuze sinoloog zich met de zoveelste vertaling van de Daode jing wilde bezighouden, terwijl er zoveel belangrijker wetenschappelijk werk was te doen!

Hij had niet helemaal ongelijk. De Daode jing is natuurlijk een prachtig boek dat ten volle onze aandacht waard is, maar behalve dat de tekst op vele plaatsen moeilijk te begrijpen is, is hij ook nog eens heel kort en beknopt. Het grote aantal vertalingen in het Engels – meer dan driehonderd – vertolkt waarschijnlijk niet alleen een grote hunkering naar geestelijk voedsel, maar is ook het resultaat van de onweerstaanbare aantrekkingskracht die de Daode jing uitoefent op tal van beunhazen. Hun ‘nieuwe interpretaties’ berusten in het algemeen dan ook op een meer of minder geslaagde combinatie van eerder gedane vertalingen. Als bonafide vakman vermijd je liever aan deze kakofonie van amateurs nog iets toe te voegen.

Maar nu ben ik toch aan een vertaling bezig. Niet om het een of ander, maar het lijkt me leuk dat er een nieuwe Nederlandse versie komt. In de afgelopen jaren zijn er door Chinese archeologen manuscripten van de Daode jing opgegraven die ouder en authentieker zijn dan welke tot dan toe bekende tekstversie dan ook. Het is mogelijk aan de hand van deze manuscripten de huidige textus receptus aanmerkelijk te verbeteren.3 Toch blijven er veel passages die ik niet helemaal snap en waar ik nog erg over moet nadenken. Mijn verre voorvader rabbi Rachi van Troyes werd voor zijn beroemde commentaar op de Talmoed geïnspireerd door hogere geesten, maar zoiets is tot nu toe voor de arme taoïst die ik ben niet weggelegd. Lao Zi spreekt niet. Ik weet van pogingen die er gedaan zijn om via spiritistische wegen de geest van Lao Zi op te roepen teneinde hem om uitleg te vragen, maar zo te zien vielen de resultaten nogal tegen. Het lijkt wel of hij het zelf ook niet wist of het vergeten was.

Jammer. Want neem nu het eerste hoofdstuk. Over de eerste zin met de paradox van de eeuwige Tao die niet ‘ge-tao’d’ – niet in woorden uitgedrukt – kan worden, zijn boekdelen geschreven, maar het idee is duidelijk. De Tao valt niet te herleiden. We noemen hem het Niets (wu) als zijnde de naamloze oorsprong van de wereld in zijn hoedanigheid van oerchaos (hundun). Dit wu van het taoïsme is eigenlijk iets heel anders dan het boeddhistische sunyata, dat ‘leegte’ is. Wu is geen absolute leegte, maar slaat op de diffuse, nog niet gedifferentieerde energieën (qi) die zich in een staat van entropie in de schoot van de Chaos bevinden voor de schepping van ‘dat wat is’: de Moeder van de tienduizend dingen.

Deze twee modaliteiten zijn ook in onszelf te vinden. Vinden we rust van binnen, een staat van sereenheid, zonder begeerten, dan mogen we de wonderwerking van de Tao aanschouwen. Maar omdat onze begeerten voortdurend uitgaan naar de wereld, we het leven zoeken en het geluk, zien we alleen maar waar ons hart naar uitgaat en wat we beschouwen volgens onze subjectieve maatstaven. Immers, zoals het daaropvolgende hoofdstuk zegt: in deze wereld verdelen we altijd alles in goed en kwaad, mooi of lelijk, kort of lang, hoog en laag en ga maar verder, hoewel al deze onderscheiden natuurlijk maar betrekkelijk zijn. ‘En zo is het dat de wijze mens in zijn handelen zich beperkt tot het nietsdoen.’

Vandaar dat het eerste hoofdstuk van de Daode jing eindigt met te zeggen dat deze beide vormen van perceptie, en daarvoor de twee modaliteiten van Zijn en Niet-zijn, allebei voortkomen uit hetzelfde. Het zijn maar verschillende benamingen van iets wat in de grond identiek is. Alles gaat terug tot het meervoudig duistere mysterie van de oerchaos. In die duisternis ligt ‘de poort van de veelvuldige wonderwerking’. Zo zijn weer we terug bij het begin: het mysterie van de onzegbare en onnoembare Tao, waarin de hele natuur haar oorsprong vindt.

Dit is zo ongeveer, hoop ik tenminste, de strekking van het eerste hoofdstuk. Toch blijven er vragen. Wie is de Moeder? Die komt in de andere vroege taoïstische literatuur, met name in de Zhuang Zi, niet voor. Ook ‘de poort’ is daar geen gangbaar beeld. Maar in de Daode jing komen beide termen steeds weer terug.

Wat er was (you) aan het begin van de wereld,
Zien we als de Moeder van de wereld.
Verkrijgen we de Moeder, dan kennen we haar kind.
En in die kennis van dat kind bewaren we weer de Moeder.
Al gaat ons lichaam te gronde, wij hebben niets te vrezen.

(Hoofdstuk 52)

De godin van de vallei is onsterfelijk.
Duistere vrouwelijkheid is haar naam.
De poort van haar duistere vrouwelijkheid
Is wat men ‘de wortel van hemel en aarde’ noemt.
Haar kringloop blijft altijd doorgaan; nooit raakt haar gebruik uitgeput.

(Hoofdstuk 6)

Er is een zeer oud commentaar op de Daode jing bekend dat de naam ‘Xiang’er’ heeft. Lang verloren gewaand is het een eeuw geleden gedeeltelijk – alleen de tekst van het commentaar of het eerste deel van de Daode jing, dat wil zeggen de hoofdstukken 1 tot en met 37 – teruggevonden in de duizenden manuscripten tellende kloosterbibliotheek van de Centraal-Aziatische oase Dunhuang.4 Naar mijn mening bestond dit commentaar al rond het begin van onze jaartelling.5 Xiang’er wordt soms verklaard als een persoonsnaam, maar daarvoor is geen bewijs. Het is waarschijnlijker dat we de betekenis moeten zoeken in het woord ‘xiang’ dat ‘denken’ en ook ‘mediteren’ betekent. ‘Er’ is een suffix dat van een werkwoord een bijwoord maakt, dus iets in de trant van ‘meditatielijk’. Het commentaar zou dus beogen de Daode jing te duiden in de zin van een tekst om over te mediteren, in plaats van hem te zien als een handboek voor politieke strategie zoals hij ook kan worden beschouwd. Ziehier wat dit oudst bekende commentaar van deze laatste passage ons leert:

De vallei is de begeerte; door de concentratie van onze essentie (seksuele energie) worden we goddelijk. [...] De vrouwelijkheid is de aarde; en de lichamelijke natuur [van de aarde] is vredig. Vrouwen zijn soortgelijk en daarom worden ze niet stijf. Mannen in hun begeerte moeten hun essentie concentreren, en in hun hart [de rust] van de aarde vinden, de vrouwen navolgen en niet hun eigen zaakjes vooropstellen. [...] De vulva is de poort, de bestuurder van leven en dood, het allerbelangrijkste wat er is. Vandaar dat ze ‘de wortel’ heet. De mannelijke penis heet ook ‘de wortel’. De Tao van yin en yang is het leven, op voorwaarde dat de essentie geconcentreerd wordt.

Wat men hier onder het concentreren van de essentie verstaat komt er eigenlijk alleen op neer dat mannen leren zich te beheersen en zich met uiterst respect voor de vrouwelijke seksualiteit aan haar belevenis van de liefde aan te passen.

Er is meer. We vinden aanwijzingen dat het volgen van de Tao zoals die in dit commentaar wordt beschreven geen zuiver individuele praktijk was, maar beoefend werd in groepsverband, in een gemeenschap waarvan de leden zich ‘mensen van de Tao’ (daoren) of ook wel ‘het volk van de Tao’ (daomin) noemden. Ze waren aan een aantal regels gebonden, negen in getal, die de Geboden van Xiang’er werden genoemd. Dit zijn ze:

Bedrijf het ‘nietsdoen’, beoefen het ‘bewaren van het vrouwelijke’, blijf passief; dit zijn de hoogste drie geboden.

Vermijd alle roem, behoud reinheid en stilte, doe steeds het goede; dit zijn de middelste drie geboden.

Wees zonder begeerte, weet tevreden te zijn met wat genoeg is, houd je op de achtergrond en wijk uit voor anderen; dit zijn de laatste drie geboden.

Deze vroege taoïstische gemeenten beoefenden een sterk geritualiseerde seksualiteit. Hierin werden in de eerste plaats de jonge meisjes onderricht, die dit dan op hun beurt aan de jongens leerden. Deze riten van ‘het versmelten van de energieën’ (heqi) hielden in dat de gemeenschap plaatsvond op dagen die bepaald werden in verband met de vrouwelijke cyclus. De paring begon met een dans waarbij de partners zich in perfecte symmetrie samenvoegden.6 Op deze manier werd het evenwicht tussen yin en yang gehandhaafd en richtte zich de paring naar het voorbeeld van de creatieve verstrengeling van de energieën van hemel en aarde. Zo werd niets in het kosmische evenwicht verstoord. Niet alleen werd dit gezien als een zuivere en smetteloze bevruchting ‘zonder begeerten’ maar ook als een vorm van ‘niet-handelen’, oftewel ‘nietsdoen’, het niet-ingrijpen in de natuurlijke en spontane orde van de natuur.

Dit ‘nietsdoen’, de natuur haar gang laten gaan en niets verstoren, staat overal voorop. Dit wuwei is welbekend. Het werd immers al meer dan een eeuw geleden door Henri Borel in ons land der letteren gelanceerd en zijn Wu Wei. Een fantasie naar aanleiding van Lao Tse’s filosofie werd in De Gids van 1895 besproken. Borels werk is veel gelezen en ook weer helemaal vergeten. Misschien dat het toch een beetje te ver af staat van onze zo gevierde ‘voc spirit’. En toch heeft het wuwei beslist ook zijn voordelen, zelfs in de politiek, zoals Zhuang Zi zegt:

Hemel en Aarde zijn weliswaar groot, maar hun veranderingen zijn hetzelfde. De tienduizend dingen zijn weliswaar zeer talrijk, maar ze volgen een en hetzelfde principe. Er zijn grote massa’s mensen, maar aan hun hoofd staat altijd een heerser. De oorsprong van heerser zijn ligt in de deugd, en het uiteindelijk slagen van zijn werk ligt in de hemel. Wanneer er gezegd wordt dat zij die in de hoge Oudheid het hemelse rijk bestuurden, dat deden volgens het principe van het nietsdoen, dan bedoelt men daarmee daarom de hemelse deugd en niets anders.

(Hoofdstuk 12, ‘Hemel en aarde’, paragraaf 10)

Stil is het hart van de wijze! Het is de spiegel van hemel en aarde, de spiegel van de tienduizend dingen. Waarlijk! In het open en stil zijn, met vredige mildheid en in eenzame kalmte nietsdoen, daarin ligt de grondslag van hemel en aarde en de hoogste uiting van de deugd van de Tao; daarom zullen de vorst en de wijze immer daarin blijven. ‘Blijven’ wil zeggen: leeg zijn; uit leegte komt volheid, en met volheid komt volledigheid. Leegte betekent stilte, uit stilte komt beweging en met beweging komt welslagen. Stilte wil zeggen: nietsdoen, en door het nietsdoen voltooien zij die met opdrachten belast zijn, al hun taken.

Nietsdoen is aangenaam. Daar waar het aangenaam is kunnen verdriet en leed niet verblijven, en zo bereikt men een hoge ouderdom.

Waarlijk! In het open en stil zijn, met vredige mildheid en in eenzame kalmte nietsdoen, daarin ligt de grondslag van de tienduizend dingen. Hij die als heer dit helder begreep, dat was Yao (een wijze vorst uit de Oudheid). Hij die als dienaar dat helder begreep, dat was Shun (de opvolger van Yao). Met deze principes de dominerende positie innemen, dat is de deugd van de soevereine vorst, de Zoon des Hemels. Met deze principes de ondergeschikte positie innemen, dat is de Tao van de verborgen wijze, de ongekroonde koning. Met deze principes zich terugtrekken en zorgeloos rondzwerven, zal maken dat de nobele heren die bij de rivieren, de zeeën, de bergen en bossen leven zich onderwerpen. Met deze principes deelnemen aan de regering en de maatschappij besturen zal resulteren in grote verdienste, een glansrijke reputatie en de eenwording van Alles onder de Hemel. Diegene die stil kan zijn als de wijze, die kan bewegen als een koning, zich dankzij het nietsdoen kan verheffen en eenvoudig en ongekunsteld kan blijven in verhouding tot de wereld, zo iemand zal niemand kunnen overtreffen.

(Hoofdstuk 13, ‘De Tao van de hemel’, paragraaf 1)

Wat de gewone mensen van vandaag vinden dat hun geluk brengt, ook daarvan kan ik niet zeggen of het nu uiteindelijk wel geluk is of niet. Ik zie dat het geluk van de gewone mensen iets is waar ze massaal hardnekkig achteraan hollen alsof hun leven ervan afhangt. Maar wat ze daar allemaal voor geluk in vinden, daarvan moet ik bekennen dat ik niet weet of dat wel geluk is of niet. Is er uiteindelijk wel zoiets als geluk, of misschien niet?

Ik beschouw het nietsdoen als het werkelijke geluk, maar dat is nu weer iets wat de gewone mensen erg vervelend vinden. Daarom zeg ik: het volmaakte geluk is geen geluk; de hoogste waardering is geen waardering. De wereld kan uiteindelijk niet beslissen wat juist is en wat niet, maar desondanks kan het door niets te doen wel bepaald worden. Het volmaakte geluk en het lichaam in leven houden, daar kan alleen het nietsdoen je nader toe brengen.

Laat ik eens proberen het zo te zeggen: door niets te doen is de hemel puur, door niets te doen is de aarde stil. Zo zijn ze allebei door niets te doen in harmonie, en toch worden de tienduizend dingen daaruit voortgebracht. Duister! Vaag! En zonder oorsprong worden ze geboren! Vaag! Duister! En er is geen beeltenis! De tienduizend dingen wemelen in overvloed, met niets te doen vermenigvuldigen zij zich. Daarom zeg ik: ‘Laat de wereld nietsdoen, en niets zal ongedaan blijven. O mensen! Wie kan vasthouden aan dit nietsdoen!’

(Hoofdstuk 18, ‘Het volmaakte geluk’, paragraaf 1)

Kunnen we dit nietsdoen leren? De bovengenoemde rituelen door de liefde in nietsdoen te bedrijven waren zo te zien erg gecompliceerd. Maar je kunt ervan uitgaan dat ze van jongs af geleerd werden en door voortdurende oefening helemaal spontaan werden, de natuurlijkste zaak van de wereld. De riten van het heilige samenzijn zijn eeuwenlang in zwang gebleven. Pas met de opkomst van het nieuwe confucianisme in de tiende en elfde eeuw van onze jaartelling kreeg de Chinese vrouw een geheel andere positie en werd ze ondergeschikt gemaakt aan de man. Uit diezelfde tijd dateert ook de verschrikkelijke praktijk van het voetbinden. Daarna vinden we geen spoor meer in de overgeleverde taoïstische boeken van de riten van het versmelten van de energieën en moeten ze opgehouden zijn te bestaan. Toch bleven de taoïstische gemeenschappen hun idealen trouw, en als enige wezen ze het voetbinden af. De praktijk van het wuwei werd nu geheel verinnerlijkt. De gemeenschap van yin en yang werd het doel van de Innerlijke Alchemie. De gemeenschap voltrekt zich sindsdien binnen het lichaam van de adept die door zijn concentratie en meditatie zijn energieën weet te leiden en samen te smelten. In het nieuwe taoïsme dat in de dertiende eeuw opkomt blijven mannen en vrouwen samenleven. Ook nu nog leven ze gemengd in dezelfde kloosters en beoefenen ze samen hun meditatie zonder dat er verder enige heteroseksuele gemeenschap aan te pas komt. Ook dat is een vorm van geritualiseerd gedrag en ook dat kan je dus leren.

Hoe zouden we deze sereniteit in ons eigen leven kunnen realiseren? We leven in zo’n andere samenleving dat het moeilijk is zomaar van alles te gaan voorschrijven. Ik geloof ook niet dat het nodig is. Het is eigenlijk heel eenvoudig, maar hoe het werkt moet iedereen zelf uitvinden. We zijn nu eenmaal erg individualistisch geworden, maar dat hoeft de sereniteit, de rust van binnen, niet in de weg te staan.

De Daode jing en de Zhuang Zi zijn rijk genoeg aan wijsheid en goede raadgevingen die altijd actueel blijven. Mocht het soms niet meteen lukken, dan is het goed te weten dat de ideeën die daar worden aangeprezen echt helemaal geen kwaad kunnen. Het gaat er in de eerste plaats om dat je leert ontspannen. Natuurlijk zijn er omstandigheden waarin dat niet mogelijk is, en vanzelfsprekend hoef je niet alles laconiek en ontspannen over je te laten komen, verre van dat. Maar stress hoeft ook niet permanent te zijn en eigenlijk zijn vrede en geluk vaak best te vinden. Binnen in jezelf.

Dat gebeurde in Hongkong, enkele weken geleden. Mijn vlucht uit Amsterdam kwam na een lange reis in een vol vliegtuig met een uur vertraging aan. Eindeloze gangen, pascontrole, wachten op de bagage, eindeloze ritten per bus en per taxi en dan eindelijk het volkomen onpersoonlijke hotel. Uitgeput en gestrest sleepte ik mijn te grote reiskoffer de hotellobby in. Een lange marmeren vloer, een zwarte balie. Er was niemand, behalve een jong vrouwspersoon die achter de balie stond. Ze leek wel op me te wachten. ‘Hello, sir!’ riep ze me toe. ‘Welcome! Did you have a good journey?’ Ik zag een bleek maar regelmatig gevormd gelaat, een vriendelijke blik uit amandelvormige ogen, een zachte mond omhooggekruld tot een lieve glimlach.

Ik keek naar haar; zij keek naar mij. Er gebeurde helemaal niets. Zwijgend schoof ze het bekende formulier naar me toe, en zwijgend vulde ik het in. Het duurde nogal lang, maar ze bleef bemoedigend toekijken en glimlachen. Zo ontspannen was ze dat ook mijn vermoeidheid van me afviel. Vrolijk, en nu ook met een glimlach, richtte ik met gepaste schroom mijn blik op haar boezem en las het naamplaatje dat daar was vastgespeld. Daar stond op: ‘Serenity’.


noten

1. Daode jing, bekend in ons land als het boek van Lao Zi (Lao-tsé).

2. J.J.L. Duyvendak, Tao tö king. Le Livre de la voie et de la vertu. Texte chinois établi et traduit avec des notes critiques et une introduction. Paris: Classiques d’Amérique et d’Orient, Adrien-Maisonneuve, 1953. De oorspronkelijke Nederlandse vertaling heet Tau-te-tsing. Het boek van weg en deugd (Van Loghum Slaterus, 1942).

3. Deze nieuwe vondsten zijn gedeeltelijk verwerkt in de vertaling van Robert Henricks (Te-tao ching. New York: Ballantine Books, 1990) dat in het Nederlands verscheen met een inleiding van B.J. Mansvelt Beck (Daodejing, Utrecht/Antwerpen: Kosmos, 1991).

4. Gepubliceerd door Jao Tsung-I, Laozi Xiang’er zhu jiaozheng, Shanghai: Guji editions, 1991 (nieuwe uitgave).

5. Zie Schipper en Verellen, The Taoist Canon. A Companion to the Daozang. Chicago: The University of Chicago Press 2004, 1.A.1.b.

6. Deze is besproken in mijn Tao. De levende religie van China, Amsterdam: Meulenhoff, 1988.