Rapport 136: het kwaad in Vico del Gargano

Geachte padre Gramolazzo,

Het is bijzonder lastig om het kwaad in woorden te vangen. Na onze conversatie vanmiddag verzocht u me om toch een poging te doen – ‘Ieder woord over de antichrist leert ons meer over de liefde voor God’. Omdat dit een officiële rapportage is die wordt ondergebracht in het archief van het Vaticaan, lijkt het me van het grootste belang dat ik alles zo feitelijk als mogelijk omschrijf. Mijn kleuring van het gebeurde tracht ik buiten beschouwing te laten, ondanks het feit dat ik er zo nauw bij betrokken was. Allereerst mijn personalia. Mijn naam is Massimo Ravasio, 31 jaren geleden geboren in het mooiste dorp van Italië, Vico del Gargano, en momenteel in de afrondende fase van de opleiding tot priester-exorcist aan de Regina Apostolorum te Rome. De ondankbare rol van hoofdpersoon in dit verhaal is echter voor mijn goede vriend Rodolfo Storino, inmiddels een bekend exporteur van sinaasappels over de hele wereld. Ik, de inwoners van Vico del Gargano en verder iedereen die hem kent, zijn uitermate trots dat hij de vruchten van de streek zo weet aan te prijzen. Laat ik niet beginnen met de afloop. De eerste verschijnselen van het kwaad zijn veel interessanter. Het is van het grootste belang dat ieder die dit ooit leest, begrijpt hoe Rodolfo tot een dergelijk, op het eerste oog gruwelijk, ritueel kon overgaan zonder een moment het geloof in God te verliezen en hoe ik hem daarbij heb geholpen met de volstrekte onwetendheid over de vele trucages van de duivel.

Tien jaar geleden waren Rodolfo en Carmine nog volstrekt en onbezorgd gelukkig, zoals dat past bij een jong, verliefd koppel. Ze trouwden op een warme, bijna zwetende middag in augustus, vier dagen na het binnenhalen van de laatste kisten van de arancia del Gargano. Zonder twijfel de beste en meest smaakvolle sinaasappels van Italië. U moet begrijpen dat de oogsttijd al eeuwenlang een belangrijk moment in het jaar is. Een goede oogst werd gevierd met drie dagen van feest rond de boerderij. Na een slechte oogst werd er drie dagen stevig gedronken om de teleurstelling te verwerken. In ieder geval baden we iedere dag tot San Valentino, de beschermheilige van de boomgaarden, op voorspoed voor het nieuwe jaar. Het hoogtepunt dat jaar was het huwelijk. Als goede vriend en vaste plukker had ik de eer om erbij te zijn. Na de mis in de chiesa Matrice liepen we terug naar het landgoed net buiten het dorp, waar lange tafels met witte kleden tussen de sinaasappelbomen waren opgesteld. Rodolfo glimlachte de hele dag. Iedereen was jaloers op de verliefde blik in de ogen van Carmine, die vanaf dat moment exclusief voor hem bestemd was. Ze was zeker niet de mooiste vrouw van Vico del Gargano, maar had wel de gave om met haar licht geopende, volle lippen, in combinatie met een korte knipoog, menige jongensadem voor een moment te doen stokken. U begrijpt dat ik daar zelf geen hinder van ondervond, al waren de gevoelens van de andere jongens voorstelbaar.
Carmines vader had een kleine winkel in het centrum van het dorp. De zachtmoedige grijsaard deed zijn best om alles te repareren wat ooit door mensenhanden gefabriceerd was. Als je iets kon maken, kon je het ook afbreken en repareren, was zijn motto. Meestal lukte dat niet. Ik vermoed dat een groot deel van zijn clientèle bestond uit met medelijden vervulde dorpsgenoten die afgedankte spullen brachten en de jonge mannen die Carmine achter de toonbank wilden zien, waar zij de bonnen uitschreef voor iedere reparatie. Na een dag kwam de laatste groep graag informeren of het Giuseppe al was gelukt om de oorzaak te vinden. Het was de enige winkel in Vico del Gargano waar een lange reparatietijd een zegen was.
Carmine kon niet op het uiterlijk van Rodolfo gevallen zijn. Misschien klinkt het voor u hard dat ik zo over mijn vriend schrijf, maar iedereen zag direct dat God hem meer kracht dan schoonheid had geschonken. Zijn gezicht had de grillige vorm van een sinaasappelboom. Zijn wenkbrauwen zaten op verschillende hoogten, zijn neus had een onregelmatig verloop met een grote, haast onnatuurlijke verhoging tussen zijn ogen en zijn rechtermondhoek hing altijd slap naar beneden. Rodolfo was breed gebouwd en bezat de onvoorstelbare kracht van wel tien paarden. Een paar weken voor het huwelijk had hij de weddenschap aangenomen dat hij de dikke takken van een boom met zijn blote handen binnen een minuut kon snoeien. Een uitdaging die velen zelfs met behulp van een zaag niet aandurfden. Rodolfo trok zijn mondhoek recht en klemde zijn dikke vingers eromheen. Eerlijk waar, padre, ze braken als twijgjes. Trots keek hij iedereen in de kring van toeschouwers kort aan. Sommigen applaudisseerden, terwijl anderen met grote ogen keken naar de afgebroken takken op het gras. Ondanks zijn gelijkenis met een sinaasappelboom verbaasde het niemand dat Carmine voor Rodolfo koos. Hij was gewoon de beste partij van Vico del Gargano. Zijn vader bezat de grootste boomgaard en de verwachting was dat Rodolfo binnen enkele jaren alles over zou nemen.

In de eerste periode van het huwelijk waren ze gelukkig, daar ben ik vast van overtuigd. Tijdens die weken in september werden de dagen korter en weigerde de boomgaard de warmte van de zomer los te laten. Carmine danste over de terrassen van de helling. Achter haar aan rennend een vrolijk neuriënde Rodolfo, die zijn brede lichaam tevergeefs achter iedere boom probeerde te verstoppen. Als ze hem ontdekte, kreeg hij een kus. Met het verdwijnen van de warmte in de maanden daarna, verdween tevens dat eerste geluk. U moet weten dat ik de uitdrukking op haar gezicht zag veranderen. Dat was een gevolg van het huwelijk, dacht ik toen. Iedere vrouw in Vico del Gargano verloor haar schoonheid als er niets meer te verleiden was. Carmine was bovendien gestopt met het werken bij haar vader Giuseppe; Rodolfo vond het niet langer nodig dat zijn vrouw achter een toonbank stond. In februari, een maand voor de oogst van de vroege duretta del Gargano en een paar dagen voor de processie ter ere van San Valentino, nam Rodolfo me mee voor een wandeling door de boomgaard. Zijn woorden ben ik nimmer vergeten. Ik schrijf ze letterlijk voor u op, zodat u zelf kunt beoordelen of u het werk van de duivel hierin reeds herkent.
‘Carmine raakt niet zwanger.’ Rodolfo durfde me niet aan te kijken, hij staarde naar de koepelvormige bomen. De speciale snoeitechniek zorgde voor een holle binnenkant: goed voor de beluchting en bij de oogst waren de sinaasappels gemakkelijk los te knippen.
‘Je bent zeven maanden getrouwd, heb geduld.’
‘De meeste vrouwen zijn al zwanger op hun huwelijksdag, of in ieder geval kort daarna. Dat weet jij ook.’
Ik legde een arm op zijn schouder. ‘Het komt vast goed, maak je niet te veel zorgen.’
Rodolfo stopte met lopen en draaide zich naar me toe. ‘Er is meer. Soms staart ze een half uur voor zich uit met een trieste blik in haar ogen. Ze lacht weinig, veel minder dan tijdens de zomermaanden. Op een ander moment kan ze ineens woedend zijn en met servies gooien. Zonder een duidelijke aanleiding. Volgens mij is er iets met haar aan de hand.’
Ik had op dat moment niets in de gaten. U moet begrijpen dat ik pas in de laatste jaren kennis heb verworven over de duivel. Mijn leven daarvoor stond in het teken van God, niet van het kwaad.
‘Wat moet ik doen, Massimo?’
‘Geef haar liefde en aandacht. Ze is nog jong, geef haar tijd om te wennen aan haar nieuwe leven. Misschien heeft ze meer afleiding nodig, wat activiteiten buitenshuis. Kan ze niet af en toe haar vader helpen?’
Rodolfo plukte een arancia van de boom. Hij bracht zijn arm naar achteren, spande zijn spieren en gooide tijdens een korte ademstoot de vrucht in een rechte lijn kapot tegen een boom. Daarna zakte de rechterkant van zijn mond opnieuw naar beneden. ‘Dat weiger ik, het zou een schande zijn voor de vrouw van iemand met zo’n landgoed. Ze heeft nu alles wat ze kan wensen, ze moet leren tevreden te zijn.’
‘Laat de dokter eens met haar praten, misschien weet hij wat haar mankeert,’ was mijn advies.

Maart brak aan. De duretta del Gargano werd van de bomen geknipt. Tijdens die drukke weken verscheen Carmine nauwelijks buiten. Rodolfo vertelde me dat ze vaak op bed lag zonder aanwijsbare oorzaak. De dokter was drie keer gekomen, maar had drie keer zijn hoofd geschud en zijn schouders opgehaald. Een kind zal haar goed doen, had hij bij zijn vertrek in de deuropening gefluisterd. Zwanger worden lukte echter niet. Ze wees haar man steeds vaker af, waardoor hij meestal op de bank in de woonkamer sliep. Ik merk, zei Rodolfo tegen me, dat het er alle schijn van heeft dat ze geen kind van me wil. U begrijpt padre, dat is volstrekt tegennatuurlijk en tegenovergesteld aan de wil van God. We vroegen raad aan de priester van Vico del Gargano. Hij beloofde voor haar te bidden.
Op een dag in april stond ik in de keuken met mijn vriend toen Carmine binnenkwam. Ze droeg een nachtjapon die ooit wit geweest moest zijn, waar zich nu opgedroogde zweetvlekken in de dunne stof hadden verspreid. Geen knipoog, maar een levenloze blik in haar ogen. Een normale vrouw uit het dorp had er zo’n vijftig jaar voor nodig om te veranderen in een van de verzuurde verschijningen die iedere dag bijeenkwamen op het dorsplein. Carmine had dit binnen het jaar bereikt. Haar bruine ogen waren klein en staarden dwars door me heen. Alle twijfels en ontkenningen over de vermoedens van Rodolfo moest ik op dat moment naast me neerleggen. In deze vrouw had het kwaad zich genesteld.

Op de late avond van 16 mei begonnen we met het proces van genezing. Ik vind het lastig om hierover te schrijven. Ik wist nog niets van de duivel, padre, nog nooit had ik gelezen in het handboek De exorcismis et supplicationibus quibusdam. We moesten het doen met de volksverhalen en onze eigen intuïtie om het kwaad te bestrijden. Nu weet ik dat het de verkeerde methodes waren en dat we de woede van de duivel wellicht hebben aangewakkerd. Toch schrijf ik het op, zodat we ervan kunnen leren. U bent de eerste aan wie ik het volledige verhaal heb verteld. Met de inwoners van Vico del Gargano heb ik het nooit over dit kwaad gehad. Dat zou ze onnodig bang maken. De boomgaard zou vervloekt zijn. De arancia del Gargano niet meer worden gegeten. U verzekerde me dat dit rapport strikt vertrouwelijk blijft. Het spijt me dat ik dit herhaal, maar het is erg belangrijk voor me.
Goed, de avond van 16 mei. Carmine lag te slapen op bed, toen we haar kamer stil binnenkwamen. De ruimte was op het bed na leeg, Rodolfo had de schilderijen, kast en kandelaars weggehaald, omdat ze in woede-uitbarstingen gooide met alles wat binnen handbereik was. Het was fris in de kamer, toch lag ze bijna naakt op bed in haar nachtjapon, de deken op de houten vloer. Rodolfo en ik liepen naar het bed en knielden beiden aan een zijde. Haar ogen bleven gesloten. Ik had het houten kruisbeeld uit de woonkamer gehaald en hield dat op tien centimeter boven haar gezicht. Haar oogkassen leken iedere week dieper weg te zakken in haar witte gezicht. Fluisterend zeiden we het Onze Vader om haar van het kwade te verlossen. Rodolfo keek met kleine ogen naar zijn vrouw die voor hem lag. In zijn in elkaar verstrengelde handen hield hij een rozenkrans. Toen we klaar waren met het Onze Vader, begon hij direct opnieuw vanaf de eerste woorden, zoals ik hem had opgedragen. Hij sloot zijn ogen en praatte harder. Het was een cadans. Regelmatig en rustig. Ze ontwaakte. Het kruisbeeld bleef ik boven haar gezicht houden. Ze keek ons geschrokken aan, maar bleef rustig. Rodolfo herhaalde geconcentreerd het gebed, liet zich niet afleiden: ‘Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren, en leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade.’ De geur werd sterker, vermengde zich met haar zweetlucht. Haar bruine haren plakten tegen haar gezicht. Haar volgende beweging had ik niet aan zien komen. Natuurlijk had ik het kruisbeeld niet voor niets gepakt, maar ik was me op dat moment niet bewust van de helende kracht die ervan uitging. Daar reageerde ze op. Ze pakte het beet en gooide het in een hoek van de kamer. Christus kwam los van het kruis. Rodolfo bleef stoïcijns bidden. Dat was ontzettend knap en moedig van hem, het kwaad had immers het uiterlijk van zijn vrouw. Dat had ik talloze keren herhaald, zodat hij mee zou werken. Je ziet je vrouw, maar het is een vermomming. Geknield naast het bed sprak ik de woorden die het kwaad moesten verdrijven: ‘Ik heb jullie macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden en te heersen over heel de macht van de vijand en niets zal jullie schaden.’
Carmine zat nu rechtop. Ze keek me met grote ogen aan. Ze moet de kracht van de woorden gevoeld hebben. We hadden van tevoren bedacht dat ze zich hevig kon verzetten, dat gebeurde niet. Haar blik had meer weg van verbazing. Alsof we ieder moment in lachen zouden uitbarsten over een opgevoerd toneelstuk. Ricardo bleef bidden. Hij durfde niet te kijken of haar aan te raken. Ik sloeg mijn psalmenboek open en probeerde de woorden zo overtuigend mogelijk uit te spreken.
‘Heer, houd u niet ver van mij,
Mijn kracht, haast u en help mij.
Behoed mijn nek voor het zwaard,
En mijn lichaam voor grijpende honden.
Ontruk mij aan de muil van de leeuw,
Aan de hoorns van buffels. U antwoordt mij.’
Ze begon te huilen, padre. Tranen ontsprongen in haar ogen en drupten op haar witte nachtjapon. Ze staarde naar boven. Met haar afgekloven nagels schuurde ze over het laken. Ik wist dat we op de goede weg zaten. Na twintig minuten en talloze Onze Vaders van Rodolfo verlieten we de slaapkamer. De ogen van het kwaad brandden in mijn rug.

Na die avond werd het steeds lastiger om de echte Carmine te herkennen in haar lichaam. Twee weken later zag ik haar tijdens het middaguur voor de winkel van haar vader Giuseppe. De winkel lag aan het dorpsplein en de zon brandde op de gevel. Iedereen zocht op dit uur beschutting thuis of in de schaduw van de smalle steegjes. Sinds haar vertrek van achter de toonbank naar de boerderij had Giuseppe minder reparaties gehad. Hij gaf zelf als oorzaak dat hij de spullen zo goed gerepareerd had dat ze niet meer stukgingen en lachte daarbij zijn drie voortanden bloot. Op dat moment wist hij niet dat hij zijn winkel een paar maanden later voorgoed zou sluiten. Carmine zat alleen op de houten bank voor de winkel, ik heb nog steeds geen idee wat ze daar deed. Vanmiddag vertelde ik u de hoofdlijn van het gesprek, inmiddels heb ik het dagboekfragment gevonden van deze dag, alsof ik toen wist dat het belangrijk zou kunnen zijn. Ik schrijf het woordelijk op, dan kunt u haar gemoedstoestand het beste beoordelen.
‘Carmine, hoe gaat het met je?’
Ze leek te schrikken van mijn woorden, hoewel haar ogen op me gericht waren toen ik naar haar toe liep. Een paar seconden bleef het stil. ‘Massimo.’
Ik herhaalde mijn vraag.
‘Goed.’
Een doffe laag had de glans in haar bruine haren verdrongen. Ze droeg de kralenketting van haar huwelijksdag, wat ik ongepast vond nu het geluk van die dag helemaal verdampt was.
‘Hoe voel je je?’
‘Ik heb het koud.’
Het was meer dan dertig graden die dag. Op de boomgaard deden veel plukkers op dit moment een dutje in de schaduw van de bomen. Ik zag kippenvel op haar armen.
‘Sorry dat we je laatst lieten schrikken, maar...’
‘Rodolfo zei dat de duivel in me huist.’
‘Wat denk je zelf?’
‘Ik kan geen kinderen krijgen. Mijn man is bang voor me. Ik weet het niet meer.’
Ik pakte haar hand, hij voelde ijskoud. Ik schrok van de tekenen van de duivel op haar onderarmen. Diepe, rode krassen op een witte huid. Sommige wonden waren nog niet geheeld. Carmine zag me kijken en schoof haar mouwen omlaag.
‘Voel je het kwaad?’
‘Ik voel niets. Wat moet ik doen, Massimo? Ik wil een kind, ik wil echt gelukkig zijn met Rodolfo. Het lukt me niet. Mijn lichaam; het is alsof al het leven eruit is. Ik ben moe, vooral heel moe.’
Ik herinner me dat de pupillen in haar ogen geen moment van vorm of richting veranderden. Ze staarde in de verte. Ik had gehoord dat inktzwarte ogen een teken van de duivel konden zijn.
‘Laat ons je helpen. Ik heb gelezen over uitdrijvingen, ik denk dat het werkt.’
‘Jullie doen maar.’
Haar vader Giuseppe verscheen in de deuropening van zijn winkel. Ik stak een hand op om hem daar te houden. Misschien kon ik tot haar doordringen, uiteindelijk moest haar geloof de duivel verdrijven, niet wij.
‘Geloof je in de liefde van God?’ vroeg ik haar.
‘God heeft mij verlaten.’
Ik schrok van de kilheid waarmee ze de woorden uitsprak. ‘Misschien heeft God jou niet verlaten, maar heb jij God de rug toegekeerd.’
‘Het resultaat is hetzelfde. God bestaat niet voor mij.’
Giuseppe draaide zich om en liep naar binnen. Ik zuchtte en besefte dat we misschien te laat met de uitdrijving waren begonnen. Als ze geen geloof meer had, was het moeilijk haar te redden.
‘Laat me met rust.’ Carmine verborg haar hoofd tussen haar armen.
In mijn dagboek schreef ik die dag: ‘We moeten alles doen om haar te helpen. Alles.’

De volgende dag ging ik naar Rodolfo om hem te vertellen over onze ontmoeting. Carmine lag op bed in haar lege kamer, zoals bijna iedere middag en avond van iedere dag. Rodolfo ijsbeerde door de woonkamer, had geen rust om te zitten. Hij vertelde me dat hij de laatste week talloze pogingen had ondernomen om bij haar een kind te verwekken. Hij dwong haar tot gemeenschap. Mijn excuses dat ik het zo schrijf, padre, maar ik weet niet hoe ik het anders duidelijk moet maken. Zijn letterlijke woorden zal ik niet herhalen. Rodolfo was ervan overtuigd dat hij haar zwanger kon maken en dat daarmee haar liefde voor God en hem terugkwam. Iedere nacht sloop hij haar kamer binnen. De laatste keren had ze hem onophoudelijk gekrabd en geslagen zodat hij het op had gegeven. We besloten dat het zo niet langer kon.
Een dag later kwam ik terug met mijn psalmenboek. Rodolfo had die ochtend wijwater meegenomen uit de chiesa Matrice, de kerk waar ze nog geen jaar eerder elkaar trouw beloofden, ook voor slechte tijden als deze. Ze begon dit keer direct te schelden toen we haar kamer binnenkwamen. Een onophoudelijk hoog gekrijs klonk uit haar mond op het moment dat we haar handen en voeten met touwen aan het bed vastbonden. Ik herkende niets meer van de Carmine die ooit met een glimlach achter de toonbank stond, die knipoogde naar iedere jongeman en vorige zomer vrolijk door de boomgaard rende. Dat stelde me op een vreemde manier gerust. Ik wist dat we niets verkeerds deden, maar dat het kwaad haar in zijn macht had. Met een haast onmenselijke kracht schopte ze met haar benen in de lucht. Bijna schoot het touw los. Het houten bed schudde en kraakte. Met moeite kwam ik boven haar geschreeuw uit om de duivel aan te spreken. ‘Ik beveel je, oude slang, bij het oordeel van de levenden en de doden, door jouw schepper, door Hem die de macht heeft om je naar de hel te sturen, om deze dienaar van God te verlaten. In de naam van de allerheiligste drie-eenheid, in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest, zeg me wie je bent!’
Rodolfo besprenkelde haar onophoudelijk met wijwater, wat haar bozer maakte. Ze schreeuwde harder. Met één hand kon ze bij haar lange haren. Ze trok ze uit haar hoofd. Zonder moeite. Bruine plukken vielen op het bed. Padre, ik moet u eerlijk zeggen: ik was bang. Nog nooit was ik zo dicht bij de duivel geweest. Mijn geloof in God was mijn bescherming, samen met het kruis dat ik met een gestrekte arm voor me hield. Zonder vast geloof was ik zeker bezweken. Na een klein kwartier werd het kwaad rustiger. Carmine schreeuwde niet meer en ontspande haar spieren, voordat ze in een diepe slaap viel en wij uitgeput haar kamer verlieten.
‘Ik kan het niet meer aan,’ zei Rodolfo toen we in de woonkamer stonden.
De sinaasappeloogst van augustus was bijna binnengehaald, in de schuur stonden kisten vol arancia del Gargano opgestapeld. De verwachting was dat er nog een paar dagen geknipt moest worden. Het ging allemaal aan Rodolfo voorbij. Zijn vader had de leiding tijdelijk overgenomen. De plukkers vroegen niet naar de oorzaak, iedereen was blij dat ze geen last meer hadden van de woede-uitbarstingen van Rodolfo. Een week daarvoor had hij Francesca, die al acht jaren trouw hielp bij de oogst, op de grond geduwd toen ze haar rieten mand vol arancias had laten vallen. Niemand had het gedurfd om er iets van te zeggen. Pas toen Rodolfo uit het zicht was, snelden de andere plukkers toe om haar te helpen.

Carmine leek niet te reageren op enkel bidden, dus we moesten iets anders proberen. Ik had gehoord van een gevaarlijke methode voor een uitdrijving. Rodolfo stemde zonder aarzelen in, hij was doodop. Zijn vrouw liep de laatste nachten dolend door het huis. De methode bestond uit het schrijven van psalmen met saffraanpoeder. Dat was een lastige klus, waar Rodolfo zeker een dag voor nodig had. Voorzichtig probeerde hij letter voor letter de woorden ‘in naam van Christus, ga weg’ met het poeder op een glasplaat te vormen. Met een scheermesje gaf hij de letters strakke contouren. Hij zat in de kelder, waar de wind geen vat kon krijgen op het saffraanpoeder. Ik keek toe. Ik vond het noodzakelijk dat hij het zelf deed, zijn vastbeslotenheid om het kwaad te verdrijven was immers het grootst. Het duurde uren tot de woorden leesbaar waren. We hebben gebeden en vervolgens het poeder verdeeld over verschillende flessen, waarin we het vermengden met azijn en ammoniak. We vulden twaalf flessen, zodat we genoeg hadden voor een langere tijd. De lege drankflessen haalden we bij Giuseppe, die er de laatste weken iedere dag minstens een leegdronk om zijn dochter te helpen. Ik gaf Rodolfo de opdracht om Carmine van dit vocht te laten drinken. Drie keer per dag. Zo veel als mogelijk, ook als ze niet wilde. Het zou de duivel razend maken. Ik waarschuwde hem dat hij er niet van moest schrikken als ze alles direct uitbraakte. Dat hoorde erbij. Het gif moest uit haar lichaam. Rodolfo volbracht zijn taak met liefde en toewijding, waar ik nog altijd met veel bewondering aan terugdenk. Hij is een voorbeeld voor velen.
’s Morgens, ’s middags en ’s avonds ging hij naar haar kamer, hield haar mond open, duwde de fles tot achter in haar keelgat en liet de vloeistof naar binnen glijden. Daarna ving hij alles op in een emmer, die hij achter de boerderij leegde.
‘Hoe lang moet ik hiermee doorgaan?’ vroeg hij me na vier dagen.
‘Zo lang als nodig.’
‘Ik vind het verschrikkelijk. Ze is mijn vrouw. Een jaar geleden...’
‘Het gaat erom dat je Carmine bevrijdt van de duivel. Op dit moment is het je vrouw niet meer. Denk aan die mooie dagen dat jullie onder de bomen in het gras lagen te genieten. Dat wil je toch?’
‘Ja, maar...’
‘Dan zit er niets anders op dan volhouden. Je moet laten zien dat je sterker bent dan het kwaad.’ Ik begreep dat het moeilijk voor hem was. Ik had er ook veel moeite mee, maar het was beter om daarvan niets te laten blijken. ‘Hoe gaat het nu met haar?’
‘De eerste dagen verzette ze zich enorm. Gisteren en vanmorgen liet ze me begaan. Ze lijkt geen kracht meer te hebben, ik moest zelfs mijn vinger in haar keel steken om haar alles uit te laten braken.’
‘Dat is goed, Rodolfo.’ Ik probeerde hem recht aan te kijken, maar hij bleef naar de grond staren. ‘Dat betekent dat het kwaad uitgeput raakt. Het kan zich niet meer verzetten tegen de woorden van God. Nog even volhouden en je hebt Carmine terug.’
‘Dit vergeeft ze me nooit.’
‘Je vergist je. Je helpt haar. Ze zal gelukkiger zijn dan ooit.’
Hij knikte, pakte een nieuwe fles en liep daarmee de slaapkamer binnen.

Tijdens die angstige momenten wist ik dat het mijn roeping was om priester te worden. Toen ik zo dicht bij het kwaad was, voelde ik de kracht van God in me. Ik wist dat Hij het kwaad in de wereld kon overwinnen en ik wilde niets liever dan mijn leven daarvan in het teken stellen. U was zelf bij mijn eerste gesprek voor de priester-exorcistopleiding van het Apostolorum, padre. Over enkele weken ben ik klaar om gelovigen bij te staan in hun strijd tegen het kwaad. Nu begrijp ik pas dat God zich via Carmine aan me openbaarde. Via haar maakte hij me duidelijk dat hij me de kracht gaf om de duivel te overwinnen. Uw lessen over duiveluitdrijving hebben me geholpen om het kwaad te onderscheiden van geestesziekten en de juiste methoden te gebruiken. Nu pas zie ik in dat Rodolfo en ik wellicht anders te werk hadden kunnen gaan, zodat we de duivel in een eerder stadium hadden verdreven. Voor Carmine kwam deze kennis te laat. Op de dag van haar dood ging ik ’s middags naar de boerderij. Rodolfo zat op de bank en staarde voor zich uit. Op tafel stonden zeven lege flessen die nog stonken naar azijn en ammoniak. Pas toen ik naast hem zat, merkte hij mijn aanwezigheid op.
‘Het werkt niet. Ze reageert bijna helemaal niet meer.’
‘Dan is ze bijna genezen. Nog even en je hebt je vrouw terug.’
Ze is mijn vrouw al maanden niet meer. Ik stop ermee.’ Hij begon te huilen. Hij brak even eenvoudig en onverwachts als de dikke takken van de sinaasappelboom een jaar eerder.
‘Je moet nu niet opgeven. Geloof in het goede.’
‘Nee, ik doe het niet.’ Ik kon hem nauwelijks verstaan doordat hij steeds zijn neus ophaalde.
‘Kom, we gaan samen naar binnen. Je hoeft haar geen vloeistof meer te geven. Ik denk dat de duivel zo zwak is dat we hem met gebeden definitief kunnen verdrijven.’
Ik pakte hem stevig onder zijn schouders en trok hem omhoog. Hij liet zich meevoeren naar de kamer van zijn vrouw. Ze lag midden op het bed, zonder deken. De duivel had de mooie Carmine veranderd in een lijkbleke verschijning. Ik zag de botten door een bijna doorzichtige huid van wat eens haar mooie, bruine benen waren. Grote, open ogen. Er liep slijm langs haar mondhoeken dat zich verzamelde in een vochtige plek op haar kussen. Ze had enkele kale plekken op haar hoofd. Rodolfo knielde naast haar neer en pakte haar hand. Geen reactie. Hij kuste haar hand en begon opnieuw te huilen. Tussen het snotteren door zei hij zacht haar naam. Ik moest me over mijn angst heen zetten om haar te helpen. De duivel mocht niet denken dat wij het opgaven. Ik ging op het bed zitten en pakte mijn psalmenboek en het kruis. Ik las psalm 22 voor, terwijl ik het kruis op haar borst legde.
‘U hebt mij neergelegd in het stof van de dood,
De honden staan al om mij heen,
Een meute boosdoeners heeft mij omsingeld,
Ze hebben mijn handen en voeten doorboord.
Mijn beenderen kan ik tellen, één voor één.’
Na een paar regels zag ik een reactie. Ze knipperde met haar ogen. Haar vingers bewogen. Een gorgelend geluid steeg omhoog uit haar keel. Ik hield haar mond in de gaten in de hoop daar zwarte rook uit op te zien stijgen. Ik had gehoord dat dit het teken was dat de duivel het lichaam had verlaten. Vergeef me mijn onwetendheid, padre. De rook kwam niet, wel een aanzwellend geluid. Ze gilde, steeds harder. Dit was het moment.
‘Pak haar keel.’
Rodolfo had haar hand vast en keek me verbaasd aan. Dit hadden we niet overlegd. Ik wist dat hij het zou afkeuren. Maar het moest.
‘Nu! Pak haar keel. Red haar!’
Rodolfo veegde de tranen uit zijn ogen. Hij deed wat ik hem vroeg. Hij legde zijn dikke vingers om haar smalle hals.
‘Knijp erin. Hij moet weg!’
Met grote ogen keek Rodolfo eerst naar mij en toen naar zijn vrouw. Haar ogen stonden wijd open. Hij beet op zijn tanden. Zijn mondhoek trok recht. Ik wachtte op het moment dat ze kleur zou krijgen, dat het leven terug in haar lichaam kwam, terwijl ik me met luide stem tot de duivel richtte. ‘In de naam van de allerheiligste drie-eenheid, in de naam van de Vader, van de Zoon, en van de Heilige Geest, verdwijn uit dit lichaam!’
Ik ben ervan overtuigd, padre, dat we op dat beslissende moment eindelijk de juiste combinatie van woorden en handelingen hadden ontdekt, ingegeven door God uiteraard, die het mogelijk maakten om het kwaad voor eens en altijd uit haar lichaam te verdrijven. Ik voelde een bijzondere kracht die me, vreemd genoeg, tegelijkertijd een innerlijke rust gaf, alsof God kort, slechts een fractie van een seconde, bezit van me had genomen en mijn gedrag stuurde. Bij Rodolfo moet hetzelfde gebeurd zijn, al heb ik er nooit meer met hem over gesproken. Hij was onbereikbaar voor het kwaad dat onder zijn sterke arm heftig bewoog. Zijn hand drukte hij meer en meer op haar witte hals. Hij keek haar liefdevol aan, dezelfde blik als in de chiesa Matrice. De duivel sloeg met haar armen. Rodolfo’s vingers kleurden wit. Eindelijk verdween haar zware ademhaling.

Massimo Ravasio

Rome, 22 augustus 2008