Biograaf in het Letterkundig Museum

Voor Anton Korteweg

t Is vol van schatten hier. Zo luidde de passende titel van een ooit door Anton Korteweg en Murk Salverda gemaakte bronnenpublicatie van het Letterkundig Museum.1 Zo, als een schatkamer, heb ik het Museum inderdaad ervaren tijdens het werken aan mijn biografie van M. Vasalis. Over dat project had ik jarenlang gedroomd en in 2004 kon ik er daadwerkelijk aan beginnen. Voordien leek een biografie van Vasalis onbegonnen werk, niet door de hoeveelheid bronnen maar juist door het gebrek eraan. Vasalis publiceerde weinig en liet zich nimmer interviewen. Het verhaal ging weliswaar dat er nog stapels ongepubliceerd werk van haar moesten zijn, maar waar lagen die? Het verhaal ging ook dat Vasalis veel persoonlijke documenten zou hebben vernietigd; zou een biografie dan nog mogelijk zijn? Gelukkig werd ik geholpen door de kinderen van Vasalis, Lous, Hal en Maria Droogleever Fortuyn, aan wie ik werd voorgesteld door Vasalis’ uitgevers Wouter van Oorschot en Gemma Nefkens. Na Vasalis’ dood in 1998 en na hun bezorging van de postume Vasalis-bundel De oude kustlijn in 2002, bleven de kinderen het archief van hun moeder beheren. Ze bleken wel met een biograaf in zee te willen gaan. Na de eerste oriënterende gesprekken gaven ze me toegang tot het archief-Leenmans (Margaretha Leenmans is Vasalis’ meisjesnaam) in het Letterkundig Museum. Ik was de enige die daarin mocht, samen met een assistent. Alleen dat al vond ik spannend.

De oogst was kwantitatief gering, maar kwalitatief opwindend. Het ging om een paar dozen heterogene materialen, die grotendeels bij toeval in het Letterkundig Museum terecht zijn gekomen. Mensen die Vasalis gekend hadden werden oud en gingen opruimen. Soms waren het ook hun nabestaanden die brieven van Vasalis naar het Museum stuurden. Het Letterkundig Museum is gelukkig een zo bekend instituut dat iedere ontwikkelde Nederlander weet dat men daar alle geschriften van betekenis voor de Nederlandstalige literatuur heen moet brengen, omdat ze daar op de juiste wijze worden gearchiveerd. Allerlei instituten fuseren tegenwoordig en veranderen dan van naam. Niet doen! Laat het Letterkundig Museum altijd zo blijven heten, opdat iedereen het ten eeuwigen dage nog vinden kan. Denk aan mij: ik was blij met alle kaartjes, brieven en zelfs halve briefjes die allerlei mensen die Vasalis ooit kenden naar het Letterkundig Museum hebben gestuurd. Toen ik dat materiaal voor het eerst te zien kreeg wist ik nog niet wat ik later nog van de erven zou krijgen: dagboeken, handschriften van literair werk en duizenden brieven. Daarom typte ik alle vondsten tot de laatste komma uit. Losse puzzelstukjes nog, die pas jaren later, toen ik het overige materiaal van de erven had gekregen en vijfentwintig mensen had geïnterviewd, in een groter geheel pasten.

Wat vond ik in het archief-Leenmans in het Letterkundig Museum? Ik doe een greep. Een vroege brief van Vasalis aan Bertus Aafjes, nadat deze in 1941 een recensie had geschreven van Vasalis’ debuut Parken en Woestijnen en die blijkbaar aan haar had gestuurd. Op 11 februari 1941 schrijft Vasalis terug:

Het is een wonderlijke sensatie zoo’n kritiek te lezen, en het is mij ten eenen male onmogelijk deze ook maar enigszins objectief te kunnen beoordeelen. Eenige zinswendingen vond ik bijzonder opmerkelijk en ik moest er erg om lachen; b.v.: zij presteeren het in haar verzen op de meest ongecompliceerde wijze gecompliceerd te zijn... [...]



Dat sloeg op Aafjes’ ideeën over vrouwelijke dichters die zich volgens hem onopzettelijk raak kunnen uitdrukken. Vasalis vervolgt:

Het beoordeelen van het poetische is en blijft twijfelachtig. Ik heb mij afgevraagd hoe ik weet dat b.v. die regel van u – als witte duiven in een glazen til – zoo ongelooflijk mooi is. En dat kan men trachten te verklaren met associaties aan duiven, wit, & glas, maar het zegt niets, de regel roept een apart, stil universum op, met geen ander te vergelijken, privé en eigen. – Ik merk tot mijn schrik, dat ik een kritiek over uw poezie aan het schrijven ben – zonder de competentie daartoe te bezitten; het was geen voorbedachten rade. Nogmaals mijn hartelijke dank en vriendelijke groeten,

M. Droogleever Fortuyn Leenmans.



Later zou Aafjes een van Vasalis’ dierbaarste vrienden worden. Haar latere brieven aan hem heeft ze aan het einde van zijn leven teruggekregen en vernietigd vanwege hun vertrouwelijke karakter. Maar deze – waarin je het contact ziet beginnen – is er nog. Ik vond briefjes aan Jan Greshoff en aan Menno ter Braak, met behulp waarvan ik Vasalis’ eerste schreden op het dichterspad en haar wil tot publiceren in de late jaren dertig nauwkeurig kon reconstrueren. Ik kwam er ook achter hoe ze haar pseudoniem koos: als het aan haar had gelegen, had ze altijd ondertekend met M.L., want ze wilde koste wat het kost anoniem blijven. Ik vond een heel pakketje brieven aan haar eerste uitgever A.M. Stols, bij wie Vasalis’ eerste twee bundels (Parken en Woestijnen in 1940 en De vogel Phoenix in 1947) verschenen totdat ze in de vroege jaren vijftig definitief naar Van Oorschot ging. Die Stols-brieven zijn aanvankelijk zakelijk en heel beleefd. Vasalis is eenendertig jaar en weliswaar al bekend vanwege haar veelbelovende voorpublicaties in Groot Nederland, maar toch ook nog een debutant. Vervolgens worden de Stols-brieven persoonlijker. Hij stuurt haar eind april 1942 orchideeën bij de geboorte van haar tweede kind, een groot cadeau in oorlogstijd, waar Vasalis verrukt van is. Ook corresponderen ze over de gestage herdrukken die Stols van Vasalis’ eerste bundel maakt, herdrukken waarvan hij er overigens een aantal listig antedateert. Zo lijkt het alsof ze allemaal nog in 1941 verschenen, een wel vaker toegepaste truc in oorlogstijd.2 Vasalis sluit zich niet aan bij de Kultuurkamer en het Letterengilde, en mag daarom vanaf het voorjaar van 1942 niet meer officieel publiceren, maar het is Stols die deze ontduiking van de regels regelt. Vasalis heeft niet overzien hoe hij dat aanpakte: Stols vertelde zijn auteurs lang niet alles. Na de oorlog – Vasalis kan zich dan niet verenigen met Stols’ overstap naar het in haar ogen in oorlogstijd te Duitsgezinde Elsevier3 – wordt zij gereserveerder naar Stols. Af en toe zit er een leemte in die briefwisseling, maar, o geluk, Vasalis bewaarde haar correspondentie met Stols zelf ook. Die kreeg ik van de erven. Daar zitten ook weer leemtes in, maar beide verzamelingen vullen elkaars gaten op. Soms voelde ik me als gebogen over die enorme puzzels van duizend stukjes uit mijn jeugd, met zeeslagen en zeilschepen en heel veel golven en wolken die precies op elkaar leken. Eindeloos verrukkelijk gepeuter waarin elk besef van tijd verdween.

Er was een vroege briefwisseling van Vasalis met romanschrijfster en redacteur Emmy van Lokhorst en haar echtgenoot Paul Hugenholtz, en brieven van en aan de schilder Paul Citroen en de schrijver Vigoleis Thelen – met de beide laatsten sloot Vasalis vriendschap rond 1960. Ook was er een bijzonder grappig en lief briefje aan haar vriendin Fanny de Jong en een aantal brieven aan Bep de Roos, de weduwe van E. du Perron. Het gaat er niet zozeer om dat er iets wereldschokkends in die briefjes staat. Het gaat om een karakter en een stijl die je ineens geopenbaard worden, om een toon, een touch, iets vrolijks of liefs dat levend is en vers – al is het vijftig of zestig jaar geleden geschreven – waardoor je als biograaf het gevoel hebt dat je ineens contact hebt met de persoon die dit schrijft. Het is wat Huizinga de historische sensatie noemde. Het gevoel dat je tegenwoordig bent bij iets, dat je iemand heel even totaal kent – die je op rationele gronden nooit kunt kennen.

De mooiste vondst was het pakket brieven van Vasalis aan Victor van Vriesland. Dat waren er veel. Net als de brieven aan Greshoff en Ter Braak documenteren ze Vasalis’ eerste schreden op het dichterspad. Als aankomend psychiater in Santpoort, zevenentwintig jaar oud, is de jonge Vasalis in augustus 1936 met zes gedichten gedebuteerd in Groot Nederland en ze heeft de smaak van het publiceren te pakken. Op 11 oktober 1936 schrijft ze Van Vriesland – die een oud-leerling is van haar vader, geschiedenisleraar op Haagse Eerste Gymnasium:

Zeer Geachte Heer,

Ik wil u even antwoorden op uw schrijven van 6 Oct. aan mijn vader, waarin u te kennen gaf wel meer van mijn verzen te willen lezen, om ze eventueel als schrift van de Vrije Bladen uit te geven. Ik wil u buitengewoon graag toesturen wat ik heb, als u mij even zoudt kunnen berichten, hoeveel het er moeten zijn.

6 november vertrek ik voor een half jaar naar Zuid-Africa; misschien kan ik vóór dien tijd een en ander in orde maken? Zeer dankbaar ben ik u voor uw waardeerend oordeel en uw belangstelling,

Met gevoelens van de meeste hoogachting,

M. Leenmans

(M. Vasalis)



‘Hoeveel had u er gehad willen hebben?’ vraagt ze eigenlijk, met een vertrouwen in haar productiecapaciteit dat in latere jaren sterk zal verminderen. Vier jaar later is dat al merkbaar, maar dan heeft ze inmiddels ook een drukke baan als arts in het Amsterdamse Wilhelminagasthuis, een man en een eerste kind. Bovendien is het dan oorlog. Van Vriesland vindt haar een grote literaire ontdekking en zij vindt hem gek, hartelijk en interessant. Hij heeft haar gevraagd om een serie gedichten voor het Boekenweekgeschenk van 1941, maar ze kan er maar één sturen, ‘De kleine zeemeermin’, dat begint met de regel ‘Mijn vissen leven toch het best bij alcohol’. Op 9 december 1940 schrijft ze dus aan Van Vriesland (ondertekenend met haar roepnaam Kiekie in plaats van met haar pseudoniem):

Beste Vic,

Het blijft helaas bij de visschen en de alcohol. Dat is trouwens geheel in overeenstemming met de tijdsomstandigheden. Wij moeten het vleesch afsterven met behulp van de geest (i.d. zin v. spiritus) en van den ichtus. Wees niet boos, I did my bloody best, maar ik kon niets meer uit de citroen van mijn gemoed knijpen. Ik heb een paar heel afgrijselijke sombere en doofstomme versjes gemaakt, die zelfs de welwillendste beoordeelaars tot wanhoop zouden brengen. Nu doe ik het in geen jaren meer. Dag! Gaat het je wel vrij goed? Kiekie.4



Van Vriesland is zeventien jaar ouder dan Vasalis en hij heeft al een bewogen leven achter de rug als hij in de oorlogsjaren vervolgd wordt omdat hij Joods is.5 Eerst verlaat hij zijn huis aan de Amsterdamse Postjeskade en vanaf eind 1941 verschuilt hij zich in Bergen, Noord-Holland. Vasalis stuurt berichten uit winters Amsterdam:

14-1-’42

Lieve Vic,

Hoe maak je het; ik steek maar even een tentakel uit naar Bergen, die onderweg wel bevriest doch ter plaatse grondig ontdooit. Ik ben er gelukkig zeker van, dat je niet schaatsen rijdt, want het is een lijdensweg, die alleen zeer gezonden & masochisten berijden. De heele dag trekken hier blauwe, beschimmelde smoelen langs, met hun schaatsen rinkelend als geesten met hun ketenen; alleen door onze achter-ruiten is het een mooi en veilig gezicht, want daar zijn de kindertjes op de vijver & je hoort een ijl gejoel. [...]

Ik heb besloten – o.a. ook door jouw gesprek in Bergen – die novellen niet af te maken en liever – als ik het kan en hoe lang het ook duurt – met een roman te beginnen. Ik heb me eigenlijk laten haasten door Stols, dat kan nooit goed zijn; nu ben ik heerlijk opgelucht en zal het hem schrijven, den ouden [Macaro? onleesbaar].

Lieve Vic, deze is alleen dienende om je te begroeten en je nog eens met nadruk te zeggen, hoezeer ons perceel voor korten of langeren tijd voor je open staat onder elke omstandigheid. Dag!

Je Kiekie

Het handschrift van Vasalis is soms moeilijk te ontcijferen. Behalve een dierbare vriend is Victor een literaire mentor. Vasalis heeft hier nog novellen op stapel staan die nooit meer af zullen komen, evenmin als die geplande roman. Als Van Vriesland te veel pusht dat ze gedichten moet schrijven in plaats van werken als dokter – voor het geld naar hij denkt – legt ze zijn adviezen echter resoluut en boos naast zich neer. Zoals op 6 (of 7) augustus 1942:

Beste Vic, wat zeg ik, lieve Vic,


Gisteren kreeg ik je brief met het verwonderlijk individueel-calligraphisch schrift.

En ofschoon je daarin weer heele leelijke rauwe dingen schrijft over gold-rush en geld-aanbidding, die je verwart met de hartstocht die me tot mijn beroep bracht en nog vasthoudt, ben ik blij weer eens een tastbaar levensteeken van je te ontvangen. Hoe weet je bovendien, dat ik geen beeldschoone versjes schrijf, of dat ik er wéér zou schrijven als ik niet werkte? De geest is juist weer eenige weken in mij vaardig, geheel onafhankelijk van wat ik beleef en wat er gebeurt. In zooverre gelijkt het inderdaad op een zwangerschap (vergeef me dat ik deze gevaarlijke ziekte even memoreer): de vrucht bekommert zich om niets dan om zijn eigen groei.

Zou je me gauw kunnen schrijven wat je me over de Neve meedeelde in die brief, die ik niet gekregen heb? Hij heeft me te spreken gevraagd, & ik wou graag weten wat er aan de hand is.

Ik zou je zoo graag weer eens zien & spreken, en als het urgent is of wordt kom ik direct met mijn nageslacht over. Maar het is inderdaad een heksentoer om er uit te breken vooral met het loodzware jongetje op de sterk vermagerde arm.

Ik ben blij, dat je tot September in Bergen mag blijven, Amsterdam is een vernederde & bedroevende stad geworden.

De kindertjes zijn goed en een onuitputtelijk vermaak, Lous wordt binnenkort geschilderd, het kost wel een gulden.

[...] Hail blithe spirit,

Yours for better or worse, for later or sooner.


Kiekie

Pas na jaren verder onderzoek vielen alle details uit deze brief op hun plaats. Victor van Vriesland wilde zelf geen kinderen, zowel door het gevaar dat hij in oorlogstijd liep alsook omdat hij vooral leefde voor zijn literaire werk. Hij had dan ook niets met Vasalis’ moederschap.6 De Neve is de directeur van uitgeverij Contact, voor wie Vasalis in de oorlogsjaren vertaalt. Het jongetje is Vasalis’ zoontje Dicky, dat in 1943 sterft aan polio. Dat Vasalis Amsterdam een ‘vernederde & bedroevende stad’ noemt heeft te maken met de razzia’s waarbij duizenden Joden werden opgepakt, die net hadden plaatsgevonden en die haar sterk aangrepen. Lousje werd in 1942 geschilderd door Edgar Fernhout, de schilder die een van Vasalis’ beste vrienden werd.

Van het aanbod uit de vorige brief van januari 1942 zich te verschuilen bij Vasalis en haar gezin zal Victor later in de oorlog een week lang gebruikmaken. Daarna wordt hij door het verzet naar een onderduikadres in Zwolle gebracht. Vasalis helpt hem zijn zaken te regelen. Haar brieven worden naar zijn onderduikadres gebracht door een koerierster. Het vreemde is dat haar brieven aan Van Vriesland in 1943 abrupt lijken op te houden, terwijl er wel brieven naar een tot dan toe onbekende ‘Cor’ gaan, vervolgens naar een ‘Cees’, dan naar ‘Ernst Breman’ en naar ene ‘Tante’. Wekenlang gepiekerd wie dat nu konden zijn. Vasalis kende bij mijn weten geen Cor, haar vriend Kelk werd aangeschreven als Kees, niet als Cees. Ze kende ook geen Ernst Breman, en wie die Tante was? Sjoerd van Faassen, conservator van het Letterkundig Museum, vertelde me dat die brieven allemaal uit de nalatenschap van Victor van Vriesland kwamen. Was ‘Tante’ dan soms zijn tante? Totdat ik het ineens zag, door al die brieven nog eens drie keer te bestuderen, door te lezen dat Van Vriesland in Zwolle de schuilnaam ‘Ernst van Vliet’ voerde en later ondergedoken zat bij Paul Breman, leraar Frans in Dalfsen: ‘Cor’, ‘Cees’, ‘Ernst’ en ‘Tante’ moesten allemaal schuilnamen van de ondergedoken Van Vriesland zijn! Vier series brieven werden nu een, de continuïteit was duidelijk. Alweer een stukje van de zeeslag klaar. Dan ineens zie je haar humoristische kant. Ze kan het in haar brief aan ‘Cees’ (van 24-9-1943) namelijk niet laten een opmerking te maken over de nieuwe naam: ‘Dag lieve Cees, waarom heeft je moeder je zoo gedoopt. Als je het fluistert is het het sissen van de slang.’ Als Van Vriesland ‘Ernst’ heet schrijft ze: ‘De naam bevalt me best, alleen moet ik er soms om lachen, omdat deze vlag de lading slechts zoo gedeeltelijk dekt.’7 Ze vond het ook heel komisch dat Van Vriesland – oude brombeer, groot vrouwenversierder en erudiet kenner van de Franse literatuur – enige tijd later als ‘Tante’ door het leven ging:

Lieve tante,

[...]

Ik lees de autobiografie van Wells – den eenigen auteur, die ik beter ken dan jij, zeer belangwekkend, en hardgrondig engels. Zijn opvattingen over wat een roman behoort te zijn zouden je blind van afschuw maken. Je bent meer een fransch dametje – of vrouwtje, als je dame beleedigend vindt. [...]

Op 4-10-1943 is er weer een brief aan ‘auntie’ waarin Vasalis Victor – die op de Postjeskade woonde – uit de doeken doet dat er een keuringsoproep voor hem ligt:

Dear auntie!

[...] Vandaag hoorde ik, dat een vriend van me, die op de Postjeskade woonde een oproep had om door Dr. Roegholt gekeurd te worden. Die keurt voor de sterilisatie. Mijn vriend was niet thuis, ik ging toen naar R. die ik nog goed ken & deze zeide me (of eigenlijk zijn vrouw zei me) dat hij mijn vriend dan wel na nader afspraak kan keuren, hij meende wel, dat deze zwakke asthmatische neurasthene man, die nooit een nageslacht verwekte bij groote getalen vrouwen, op zijn rapport vrijgesteld zou worden, & als steriel ontsterd. Het zal mij benieuwen. Donderdag kom ik met de vroege trein, dan moet ik met het eten weer thuis zijn, sans pardon. [...]

Dag lieve tante, u moet Donderdag wel vroeg op, gaat u Woensdag vroeg naar bed? Haalt u me maar niet van de trein, met uw dikke been, ik ga wel direct naar tante Doc. Bidt u ’s avonds maar hard voor uw slonzige, maar u toch zeer toegenegen nichtje,

Kiek.

Dokter Roegholt voorzag Joden en gemengd gehuwden van valse sterielverklaringen, waardoor ze konden worden ‘ontsterd’ en voorlopig gevrijwaard bleven van deportatie. Vasalis schrijft Van Vriesland dus dat ze die procedure voor hem heeft geregeld.8 Van Vriesland leed aan astma en was op voorspraak van Vasalis, die psychiater was, aan het begin van de oorlog een tijdje opgenomen in de Valeriuskliniek in Amsterdam om te bekomen van zijn angst.9 De brieven van Vasalis aan Van Vriesland zijn van grote waarde geweest voor mijn biografie.

Het archief-M. Leenmans bevat ook enkele aardige uitwisselingen tussen Vasalis en Stance Eenhuis, medewerker van het Letterkundig Museum, en briefjes van en aan Anton Korteweg, de onvolprezen directeur van het Museum, die haar in 1994 tot optreden in Den Haag trachtte te bewegen. Maar Vasalis was toen al boven de tachtig, en fysiek te wankel om nog aan dat verzoek te kunnen voldoen. Het bevat bovendien een paar stukjes van de hand van haar vader, de historicus en leraar H.A.L. Leenmans. Leenmans was een hartstochtelijke linkse intellectueel. Iets van zijn heftige karakter blijkt uit dit briefje van 15 december 1909 aan Mr. H[enri] Wiessing, redacteur van De Groene Amsterdammer – zijn dochtertje Kiekie is dan tien maanden oud:

Zoudt U zoo goed willen zijn mij even te melden of een artikel van mij, gericht tegen een stuk van Dr. Aeg. W. Timmerman, in de Dec. afl. vd Nieuwe Gids, in uw blad zal worden opgenomen, indien het in behoorlijken vorm is geschreven en niet al te groot is? Het zou dan uiterlijk de volgende week moeten geplaatst worden, opdat de enormiteiten van het artikel van mijn tegenstander niet al te lang ongestraft blijven.

Met vr. groet, steeds Uwe H.A. Leenmans

Wat een toon, zo dacht ik bij het lezen van dit briefje. Hoe karakteristiek die voor Hal Leenmans was begreep ik pas toen ik van de erven Vasalis verschillende dozen materiaal uit haar vaders archief had gekregen.

Buiten het archief-Leenmans bezit het Letterkundig Museum ook een boeiende verzameling brieven van James Brockway, met wie Vasalis op late leeftijd – in de jaren negentig – bevriend raakte omdat hij haar gedichten zo prachtig in het Engels vertaalde. Brockways brieven zitten in zijn eigen archief en daarbij is nog een aantal kopieën van haar brieven aan hem. Mijn assistent Marleen Castelein schreef er een stuk over, dat later weer tot de helft moest worden ingekort want een biograaf moet kiezen, helaas, en Brockway is een der ten halve gekillde darlings. Buiten het archief-Leenmans stond mij ook de knipselverzameling van alles wat over Vasalis in kranten en tijdschriften werd geschreven ter beschikking. Bij dezen beloof ik dat ik mijn verzameling secundaire Vasalis-bronnen, die inmiddels nog uitgebreider is dan die in het Letterkundig Museum, aan het Museum te beschikking zal stellen.

Ook buiten het Letterkundig Museum vond ik talloze bronnen voor mijn biografie: het omvangrijke archief dat de erven Vasalis zelf beheren uiteraard, maar bovendien feiten en verhalen die ik zelf opspoorde. Met een van die verhalen besluit ik. Cadeautje van Jon Verhave, die via via hoorde dat ik Vasalis’ biografie schreef:


Hoewel ik wist dat mevrouw Droogleever-Fortuyn zich altijd verre gehouden heeft van publiciteit, vatte ik op een zonnige zomervakantiemorgen in 1998 het plan op om haar, zonder dat ik haar daarvoor toestemming had gevraagd, te ontmoeten. Ik vertelde mijn plan aan mijn vrouw, die zich, bescheiden als ze is, er onmiddellijk van distantieerde. Om de situatie te begrijpen is het belangrijk dat je weet dat ik al heel lang leraar Nederlands op een havo/vwo school ben en dat ik in een rolstoel zit. Voordat ik mijn plan ging uitvoeren had ik haar adres en telefoonnummer opgezocht. Ik reed in mijn aangepaste auto naar haar straat in Roden, ongeveer 25 kilometer bij mijn woonplaats Wijnjewoude vandaan, parkeerde mijn auto en verliet hem, gezeten in mijn rolstoel, gewapend met mijn mobiele telefoon. Langzaam reed ik de oprijlaan op, bleef vlak voor haar huis staan en toetste haar nummer in mijn telefoontoestel in. Zij nam op. Ik zei: “Mevrouw, als u naar buiten kijkt, ziet u mij op het pad staan. Ik zou u zo graag één maal in mijn leven de hand drukken en u zeggen dat ik uw gedichten zo bewonder, maar als u mijn actie impertinent vindt, draai ik me direct om en verdwijn.” Zij antwoordde dat ze naar buiten zou komen. Dat gebeurde.

Terwijl ik getroffen werd door haar prachtige oude, gerimpelde gezicht gaven wij elkaar de hand. Ik vertelde haar over mijn liefde voor haar poëzie en vooral ook dat ik in de loop der jaren dat ik les geef vaak gedichten van haar op school behandeld had en dat ik zelfs één keer een voordrachtswedstrijd in 2-havo klassen georganiseerd had, waarbij uitsluitend gedichten van haar voorgedragen werden. Ze vond het heel fijn te horen dat ook pubers sommige van haar gedichten konden waarderen. Daarna zei ze me dat ze me graag in haar huis had willen uitnodigen om een kopje thee te drinken, maar dat dat niet ging, omdat de dokter er was vanwege het feit dat haar man ziek was en dat ze dus bij hem moest zijn. Ik antwoordde dat ik reuze blij en tevreden was vanwege onze ontmoeting en wenste haar sterkte. We namen afscheid. Ik draaide me om en reed bij haar vandaan. Toen ik bij de bocht van de oprijlaan was, keek ik nog een keer achterom. Ze stond er nog en we zwaaiden naar elkaar.

Enkele maanden hierna, op 16 oktober 1998, overleed Vasalis. Drie maanden later stierf ook haar zieke man. Jon Verhave was zeker niet de enige poëzielezer die een weg zocht om Vasalis te bereiken. Vasalis had weliswaar een hekel aan kijkers rondom haar huis. Ze hield totaal niet van fan-bezoek maar ze was ook weer te aardig om deze bewonderaar meteen weg te sturen.

Behalve bij mij had Jon Verhave zijn verhaal vast ook kwijt gekund bij het Letterkundig Museum. Want het Museum leeft, dankzij het materiaal dat het koopt en krijgt. Moge het zich blijven verheugen in langdurige bekendheid.


noten

1. Korteweg, Anton, en Murk Salverda (eds.), ’t Is vol van schatten hier... 2 delen. Amsterdam: De Bezige Bij; ’s Gravenhage: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum 1986.

2. Zie over Stols in oorlogstijd Sjoerd van Faassen en Salma Chen, ‘Wij zijn geen collaborateurs’, in: Hans Renders e.a. (red.), Inktpatronen. De Tweede Wereldoorlog en het boekbedrijf in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam: De Bezige Bij 2006, pp. 251-193.

3. Uitgeverij Elsevier collaboreerde in oorlogstijd echter niet. De houding van directeur Klautz was al vroeg antifascistisch en de uitgeverij bleef tot in 1944 aan de anti-Duitse kant. Financieel dreef Elsevier in de vroege jaren veertig op de kurk van Jan de Hartogs giga-bestseller Hollands Glorie, een op den duur verboden boek. Een smet op Elseviers blazoen was wel de band met nsb-professor Jan de Vries, aan de kaak gesteld door het illegale Vrij Nederland in het felle stuk ‘Uitgeverij en boekhandel in den oorlog’ van 14-8-1944. Ook de voorbereidingen tot het naoorlogse Elsevier’s weekblad laten zien dat Elseviers houding in 1944 wat opportunistisch werd, waarop het hard werd afgerekend door het eveneens illegale blad De Vrije Kunstenaar. Zie Adriaan Venema, Schrijvers, uitgevers & hun collaboratie. Deel 4. Uitgevers en boekhandelaren. Amsterdam: De Arbeiderspers 1992. Waarschijnlijk heeft Vasalis zich in haar te absolute oordeel door Vrij Nederland en De Vrije Kunstenaar laten leiden. De uitgeverij Elsevier had ook niets van doen met de toevallig gelijknamige drukkerij Elsevier, die geheel in handen van de bezetter was. Na de oorlog heeft de uitgeverij Elsevier de drukkerij gedwongen een andere naam te kiezen om van haar grotendeels onverdiende slechte reputatie af te komen.

4. ‘De kleine zeemeermin’ wordt opgenomen in Emmy van Lokhorst, Victor E. van Vriesland (red.), Novellen en gedichten. Amsterdam: Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels [maart] 1941, p. 74. Later neemt Vasalis het op in haar tweede bundel De Vogel Phoenix (1947). Een eerste versie van dit gedicht stuurde ze al naar Vestdijk in 1935, die er commentaar op leverde. Zie verder mijn bij Van Oorschot te verschijnen biografie (Meijer 2010).

5. Levensbeschrijving van Victor E. van Vriesland door Dirk Kroon, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1974-1975, pp. 98-109. Het grootste deel van de oplage van bovengenoemd Boekenweekgeschenk 1941 wordt op last van de bezetter zelfs teruggehaald omdat de samensteller de Joodse Victor van Vriesland is (zie Venema 1992, p. 110).

6. Victors toenmalige vrouw, Tonny van der Horst, schreef in haar herinneringen dat Van Vriesland haar tweemaal had gevraagd abortus te plegen toen ze toch zwanger van hem werd, wat ze beide keren ook deed, tot haar verdriet. Zie Tonny van der Horst, Liefde en oorlog. Een autobiografisch verslag. Amsterdam/Antwerpen: Atlas 1995, pp. 45-47.

7. Vasalis aan ‘Ernst’ – Van Vriesland – 10-9-1944.

8. Zie voor dokter Roegholt de autobiografie van zijn zoon: Rigter Roegholt, De stad is een gesprek. Terugblik op mijn leven. Amsterdam: Aksant 2003, pp. 45-54. Waarschijnlijk maakte Van Vriesland, die al ondergedoken was, er geen gebruik van. De medische verklaring zou hem ook niet lang hebben beschermd: in juni 1944 schafte de bezetter het ‘ontsterren’ weer af.

9. Van der Horst 1995, pp. 41-45.