Achter de beelden is niets

Naar eigen zeggen is Rudy Kousbroek meer dan tien keer aan een roman begonnen. Maar eentje ervan is voltooid en gepubliceerd. Uit een feuilleton in het NRC Handelsblad (1975 en ’76) geschreven bij negentiende-eeuwse gravures die destijds melodramatische liefdes- en avonturenverhalen in populaire tijdschriften illustreerden, maakt hij in 1981 een roman: Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam.
Een eerste indruk van het boek is verwarrend. Bij de oubollige en stijve plaatjes staat het verhaal van ene Vincent. De toon is ingehouden en klassiek maar eenvoudig, op het kinderlijke af. De gebeurtenissen zijn van een sprookjesachtige absurditeit. Tegelijkertijd probeert Vincent voortdurend door onnozele pogingen tot logisch redeneren enige betekenis of orde in het hem omringende ‘oerwoud van raadsels’ te brengen. Het gaat om een zoektocht naar zijn vader en een meisje, Tristouse. Er is sprake van een vorm van magie, waarin helderziendheid en gedachtelezen van belang zijn en waarin verstandskiezen grote macht geven. Vrouwen als optische illusie, martelende biechtvaders, Vincent die in een hond verandert en een onzichtbare muur; het lijkt een parodie op een fantastische roman.
Voor zover er sprake is van een intrige, berust die op de tot niets leidende tegenwerking van Vincent door de autoriteiten van de Helvetische Volkstheocratie. Deel 3 van het boek is een uitweiding over deze dictatoriale heilstaat, waarin quasiwetenschappelijk geklets, gewelddadige en dogmatische godsdienst en poëzie samenzweren tegen alles wat maar enigszins mysterieus of onverklaard zou kunnen lijken. Een satire waarin romantische dichterlijkheid, de rooms-katholieke kerk, de marxistische filosofie, Franse structuralisten en politieke activisten ervanlangs krijgen. Het venijn is gericht tegen het schrikbewind van ontmaskeren, duiden en bevrijden.
De roman lijkt vooral een virtuoos spel met beelden, symbolen en woordspelingen. High-brow cabaret. Zo’n toneelstukje op een schoolavond door een irritant belezen en slimme scholier, die alles belachelijk maakt en de ene na de andere mystificatie lanceert om zijn gehoor te pesten. Waarom zei Kousbroek dan dat hij het als het belangrijkste boek beschouwde dat hij gepubliceerd had? En waarom schreef hij in een nabetrachting dat het ontbreken van toeval in zekere zin het onderwerp van het boek is? Was het hem ernst? Of is de roman een grap?
Het antwoord is dat Vincent de meest complexe, meest extreme en meest pijnlijke grap is die Kousbroek heeft geschreven; het boek berust op een spel en biedt voortdurend de kans om te gniffelen en te schaterlachen en tegelijkertijd is het een boek dat, volstrekt gemeend, Kousbroeks levensgevoel wil overbrengen. Zo noemt hij, in een vraaggesprek met Lien Heyting in 1986, althans de inzet ervan: ‘Vincent laat zien hoe ik in elkaar zit. Het is ook een poging wanhoop zo vrolijk mogelijk te beschrijven.’
Geef iemand een hoop plaatjes die zich ondoorzichtig tot elkaar verhouden of zelfs een willekeurige verzameling zijn en vraag hem om een logisch verhaal erin aan te wijzen. En let wel: voor alle details in de beelden moet een goede verklaring zijn. Waarom dat omgevallen tafeltje? Hoezo wijst deze man naar de deur? Beschrijf de interne logica.
Als iemand vervolgens zijn redenerend verstand als een brave hond de mogelijke onderlinge verbanden laat apporteren, zal hij geleidelijk in het patroon van de sporen die de hond achterlaat tot zijn verwondering zichzelf herkennen. Zo verging het Kousbroek, wiens dochter toen ze klein was om het verhaal vroeg dat bij zulke plaatjes hoorde. Toeval blijkt te ontbreken. Niemand ontsnapt aan zichzelf.
Een levensgevoel is geen realistisch of rationeel verhaal en ook geen verhaal met een politieke, morele of wetenschappelijke betekenis. Sterker, het schrijven van een roman is als het om het verbeelden van een levensgevoel gaat, de opgave die morele, wetenschappelijke, politieke en kunstbeschouwelijke verklaringen en duidingen buiten werking te stellen. Ons levensgevoel, een mengsel van karakter en eerste ervaringen, ontstaat in een levensstadium voordat zulke betekenissen het denken en leven beheersen. Het is de prehistorie van je volwassen, schrijvende ik. Zou je die unieke, ongrijpbare wereld waarin dromen, angsten, verlangens en magisch denken heersen willen binnenvallen met de algemene categorieën van psychologie, narratologie, sociale psychologie en filosofie, dan zou je precies datgene wat je wilt oproepen met je verhaal vervalsen, verraden en kapot martelen op het procrustesbed van je theorieën en moraal. Die vernietigende methode, gewijd aan het ‘waarom van de dingen’, verbeeldt Kousbroek met de Helvetische Volkstheocratie. Want al is dat deel van het boek een baldadige satire, het is hem wat dit betreft ook bittere ernst.
Kousbroek ziet af van de realistische-romanconventies en gebruikt het spel met de gravures als de logische motor van zijn roman. De gebeurtenissen volgen elkaar op, maar zoals in een sprookje of een droom, waarin visioenen, erotiek, angst en magie elkaar afwisselen. De hoofdpersoon, Vincent, kan het vehikel worden voor de verbeelding van een levensgevoel, juist omdat hij als een onnozele, naar logische verklaringen zoekende jongeling door de wereld doolt. Hij is goedgelovig, en snel afgeleid; vervolgens regelmatig radeloos, omdat hij bang is alle tekens en verwijzingen verkeerd te begrijpen. Hij wordt voortdurend misleid, hij maakt de verkeerde keuzes. Hem overkomt hetzelfde als Kousbroek: ter bezwering van de angst voor het feit dat de wereld als systeem van tekens helemaal geen achterliggende betekenis of bedoeling heeft, produceert hij in het wilde weg logische verklaringen. Al die imaginaire oplossingen vormen samen een beeld voor hoe hij in elkaar zit. Je kunt zeggen, zijn lot. Een vrolijk verteld wanhopig lot.
Wat overkomt Vincent? Als zijn vader onder raadselachtige omstandigheden verdwijnt en zegt dat er een geheim bewaard moet worden, gaat Vincent op zoek. Al snel blijkt dat het vinden van zijn vader nauw samenhangt met het vinden van een meisje, Tristouse, dat mensen die dicht bij haar komen helderziend kan maken. Helderziend maken, zo heet het in de roman, ‘dat wil zeggen in staat om iets in iemand zijn hoofd te laten ontstaan, een gedachte die er eerst niet was’.
Eerst lijkt dit vermogen te berusten op een erotische kracht, want Tristouses vermogens gaan op hem over zodra ze de liefde bedrijven en ze haar maagdelijkheid verliest. Maar nog belangrijker blijkt een vermogen om ‘wensen in werkelijkheid te veranderen’, en dat heet in het boek Wollstonecraft. Een echt leven hebben, dat je vormgeeft naar je wensen en verlangens, zodat je geen lijdend voorwerp of toeschouwer van je leven bent, maar de schepper ervan. Die kracht berust in een Wollstone, in Vincents geval een verstandskies, die hij bij toeval in handen krijgt. Hij verliest hem, vindt hem opnieuw.
Aan het slot komt hij, in het Schrödingerhuis aan de Rue Mystagogue, waar het verhaal van zijn zoektocht begon, zijn vader tegen. Dat huis is een ruimte tussen het werkelijke leven en de dood in. Een parallelle wereld, waar tegenstrijdige feiten het geval kunnen zijn. Een melancholieke, virtuele wereld. Vincents vader, die niet meer terug kan naar de wereld van de levenden, onthult dat hij de baarvader van Tristouse is. Tristouse is zijn halfzus en dus: ‘Vincent had een baarvader!’ En hoe was die dochter van wie hij bevallen was verwekt? Door Wollstonecraft, de wens is de vader van de gedachte, zegt Vincents vader. Ook Tristouse bevindt zich inmiddels in het Schrödingerhuis en als Vincent hoort dat de Wollstone die hij in bezit heeft de enige manier is om te ontkomen naar de wereld van de levenden, en een echt iemand te worden, met echte gevoelens, die dus ook echt bemind kan worden, dan schenkt hij die aan Tristouse. Hijzelf is daarmee voor eeuwig een buitenstaander, iemand die zijn wensen nooit meer werkelijkheid kan laten worden.
Zichzelf ombrengen leidt er alleen maar toe dat er meer Vincenten ontstaan. Als hij met behulp van een toverdrank, Lethe Urquell, de oorsprongvertroebelende vloeistof, terugreist naar de scène van zijn jeugd en zichzelf wil opheffen door vergif in de pap te druppelen die hij als baby-Vincent zal eten, grist een Indisch kindermeisje, zijn baboe, hem het gif uit handen. Zichzelf opheffen lukt niet. Tristouse neemt bijna onverschillig zijn aanbod aan en loopt de wereld in waar ze vrij is om alles te doen wat ze maar wil. Hij volgt haar, maar stuit in het park om het Schrödingerhuis op een onzichtbare muur. Daarachter gevangen ziet hij haar nog even op hem wachten en verdwijnen in een wereld waar alles mooi, wonderlijk en nieuw is. ‘Het is maar beter dat ik niet meer kijk, dacht Vincent, als ik dat een poosje volhoud wen ik er misschien wel aan.’
Vader, Vincent en Tristouse, het zijn misschien wel allemaal ‘zelven’ van de auteur. In dit sprookje is het lot van een schrijver te herkennen, die met zijn vader een wereld verloor waarin alles mooi, nieuw en wonderlijk was. Een wereld waarin hij vertrouwd was en geen angst kende om de onbegrijpelijkheid en betekenisloosheid van de wereld. Dankzij het talent om in geschreven visioenen anderen gedachten in het hoofd te planten die ze ervoor niet hadden, dacht hij, dankzij een baarvader, uit dat verleden een nieuw vrij leven te kunnen verwekken. Een echt iemand te worden, met echte gevoelens, die zijn leven vormt en stuurt. Maar degene die hij had kunnen zijn, of ooit was, is achter een onzichtbare muur verdwenen. Hij is voorgoed een toeschouwer, gevangen in het Schrödingerhuis. De lange, virtuoze grap, het huzarenstukje dat de roman Vincent is, en waarin Kousbroek speelt met alles wat er in zijn werk toe doet, is uit. De wanhoop die Vincent aan het einde voelt went nooit.

Lees:

Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam, Amsterdam: De Bezige Bij, 1981.

Rudy Kousbroek. Informatie (in de serie Literair Moment), Amsterdam: Meulenhoff, 1986.

‘Katakroniek, een essay over Rudy Kousbroek’, door Tvan Slobex (r./ocs), in De Centrifuge 4, themanummer over Kousbroek, uitgegeven door de Bâtafysica (nap), 2008.