Buiten de tijd

Geen beter meetpunt voor de spectaculaire vooruitgang van de moderne techniek dan de schrijfmachine. Want iedereen weet: na de schrijfmachine kwam de computer. Op de een kon je, zij het behoorlijk moeizaam, schrijven; en niets anders. Voor de computer is schrijven kinderspel. Hij doet er van alles bij: bankbetalingen afhandelen, videospellen en films afspelen, een muziekbibliotheek en alle gezinsfoto’s opslaan en ordenen. Maar het echte mirakel is dat de computer via het internet onmiddellijke toegang geeft tot duizelingwekkende hoeveelheden informatie en miljarden mensen.

Daar steekt de Olympia sg1 uit 1959 waarop ik dit schrijf lachwekkend bij af. Ze weegt een kilo of tien en kan ondanks al dat staal en die honderden hefbomen en stangen niets anders dan letters en cijfers op een rijtje zetten. Ja, je kunt de regelafstand veranderen en tabulator-stops instellen, maar een typefout verbeteren is al onmogelijk. Het ding werkt op spierkracht. Hoe hebben mensen daar ooit aan kunnen werken, vraagt een digitale inboorling zich verbijsterd af. Technisch gezien is de vergelijking met over de autosnelweg in een Porsche naar Parijs, of dezelfde reis op de rug van een pakezel over een zandweg, niet overdreven. De schrijfmachine is sinds de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw een verschrikkelijk overbodig apparaat.

In 1988 verscheen er een boek waarvan de titel die triomfantelijke overwinning uitspreekt. The Mac is not a Typewriter, door Robin P. Williams. Het is een boek dat haarfijn uitlegt hoe je professioneel ogend drukwerk maakt met behulp van een tekstverwerkingsprogramma. Het gaat over het gebruik van leestekens, witregels, lettertypes, kolommen en voetnoten. In hetzelfde jaar, 1988, opende het Scryption zijn deuren. Het Tilburgse museum voor schrifttechnologie is onlangs hardvochtig wegbezuinigd, ondanks goede bezoekersaantallen en een Europese onderscheiding voor het erbij betrekken van de jeugd. Daar dus, drieëntwintig jaar geleden, hield Rudy Kousbroek een lezing ter gelegenheid van de feestelijke opening. Niet veel later stond die afgedrukt in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad1.

‘De geest in de schrijfmachine’ heet het stuk en het begint met het verwoorden van het afgrijzen waarmee Kousbroek vaststelt dat er in hedendaagse historische films waarin oldtimers verongelukken onvervangbare exemplaren van de meest fantastische auto’s ooit gemaakt achteloos worden vernietigd. Hij stelt zichzelf de vraag – die hij uitbreidt tot oceaanstomers, optische instrumenten, radio’s, klokken en schrijfmachines – waarop nu precies het sterke gevoel berust dat zegt dat dat alles bewaard moet blijven. Hij bekent dat hijzelf ook veel oude machines verzamelt om ze te redden. Piano’s, auto’s, klokken, wetenschappelijke instrumenten en schrijfmachines. Maar dat bewaren is een dure en omslachtige bezigheid. Soms werkt het zelfs averechts, zoals bij de tientallen schrijfmachines die verloren gingen omdat Kousbroek ze veilig dacht weg te bergen in een kelder bij vrienden, die vervolgens onder water liep.

Het bewaren van erfgoed is een culturele industrie geworden, merkt Kousbroek op en daarmee een beleggingsobject, zoals bij antiek aardewerk en zilver, oude kunst en bijzondere flessen wijn. Zoiets is er bij schrijfmachines nog niet aan de hand, stelt Kousbroek vast en de vraag is wat dán de reden kan zijn om ze te bewaren. Is er een geheim in verborgen, zoiets als de klank in een Stradivarius-viool? Nee, dat kun je moeilijk zeggen; overgezet van een typoscript naar een boek verandert er niets wezenlijks aan de betekenis van een verhaal. Ook technisch-historisch zijn schrijfmachines geen wonderen. Ze berusten op overbekende en vaak toegepaste vindingen. Geen geheim, niets technisch uitzonderlijks.

Maar toch. Naast het aspect van uniek instrument en dat van monument voor een fase van de schrifttechnologie, is er nog een kant aan de schrijfmachine en volgens hem roept die de sterke emotie op. Zo omschrijft Kousbroek het in de laatste alinea van het stuk:

Er is iets waarvoor precies dezelfde vragen gelden, die dan op precies dezelfde manier beantwoordbaar zijn, en dat is kunst. Bijna altijd zijn de eerste voortbrengselen van een beginnende techniek als kunstvoorwerpen te zien, en niet alleen maar om hun ‘aandoenlijke’ uitwendige vorm. Het is opvallend dat deze bewaarlust ook altijd verbonden is aan criteria van oorspronkelijkheid, van authenticiteit. Een antieke schrijfmachine kan, zoals wij al zagen, niet onthullen hoe een oude tekst moet worden gelezen; toch verlangt men, net als voor een antieke piano, dat hij op de oorspronkelijke manier kan functioneren. Het is niet alleen begonnen om de zichtbare machine, het is ook nodig dat het ‘werkt’, en dat is iets onzichtbaars, het is het denkbeeld dat daarvoor niet bestond, uitgedrukt in metaal. En het zit er nog in, het is er blijven wonen; dat zonderlinge mechanisme met al die stangen en hefbomen is het huis van iets onsterfelijks, iets dat, zoals alle kunst, gesitueerd is buiten de tijd.

De overbodige schrijfmachine als een vernuftige, mechanische uitbreiding van ons talige brein is, in alle naaktheid, ontroerend. Het is een oud stuk gereedschap, maar de schrijfmachine kan net als een Egyptisch borstbeeld, een ets van Lucas van Leijden of een gedicht van Kouwenaar iets ervaarbaar maken dat ‘buiten de tijd’ staat, dat ‘onsterfelijk’ is en dus altijd actueel en van waarde. En daarvoor geldt een noodzakelijke voorwaarde: het bestaan van werkende schrijfmachines. Enter Scryption.

Wat is er gebeurd sinds schrijfmachines in de jaren tachtig in het museum kwamen? Ze waren ondanks hun overbodigheid niet zomaar verdwenen. Ze doken op onverwachte plekken op. En zoals Kousbroek scherp zag: het draait steeds om de een of andere notie van authenticiteit. In 1991 was de wereld nog maar net begonnen te veranderen in een mondiale digitale informatiecultuur en de satellietzender cnn maakte al reclame voor zichzelf door grote billboards in de stad neer te zetten waarop slagzinnen te lezen waren die bezwoeren dat ze ouderwets degelijke journalistiek bedreven. Geen oppervlakkige tv-studio-prietpraat, maar the real thing, het onafhankelijke, ter plekke op de werkelijkheid buitgemaakte nieuws. De compromisloze, integer verwoorde waarheid. De slagzinnen stonden in een diepzwart fond, geschreven in witte, gruizige schrijfmachineletters. Soms stond de serieuze kop van Peter Arnett, veteraan-verslaggever van de Vietnam-oorlog erbij, om het beeld compleet te maken.

Rond 1990 veroverden jonge vormgevers aan de Amerikaanse Westkust de nieuwe mogelijkheden die het digitaal ontwerpen ontsloot. Het werd alsmaar makkelijker en goedkoper om glad en commercieel ogend drukwerk te maken. Daartegenover ontwikkelden ze een rauwe, chaotische stijl; ondoorzichtig en tegendraads. Een van de dingen waar ze massaal en steeds virtuozer gebruik van maakten was het gemak waarmee je op de computer nieuwe lettertypes kon aanmaken. Hoe gekker en ruiger hoe beter. En zo stonden tijdschriften als Ray Gun, het alternatieve muziektijdschrift uit Santa Monica, dat de opkomst begeleidde van bands als Nirvana, Soundgarden en Pearl Jam, vol met opzettelijk scheef en smerig gelaten schrijfmachineletters, overgenomen van ‘de oude Remington van opa’. Uiteraard bewerkt, reusachtig uitvergroot, kortom een geval van digitaal bij elkaar geknutselde authenticiteit. En die trend om van oude schrijfmachineletters digitale fonts te maken is nooit meer gestopt. Aan de lopende band worden er nieuwe gemaakt, het internet puilt ervan uit. Vaak gratis, maar de betere, voor professioneel gebruik, niet zelden tegen een fikse prijs.

De affiches van boekenbeurzen en literaire festivals, maar ook de omslagen van literaire boeken, laten de laatste tien jaar steeds vaker schrijfmachines zien, als teken dat het hier het ‘echte werk’ betreft: authentieke literatuur, helemaal alleen, uit overtuiging en ouderwets geloof in de literaire kunst geschreven werken. In de tijd dat de meeste schrijvers ook werkelijk schrijfmachines gebruikten waren hun machines zelden op de omslagen van boeken of affiches te zien.

Maar is het zo dat de mechanische schrijfmachine alleen nog leeft als een nostalgisch reclameplaatje en verder verworden is tot een object voor antiekverzamelaars en museumconservatoren? Nee, er blijkt iets wonderlijks te zijn gebeurd. De afgelopen tien jaar, met de doorbraak van de onlinemedia en het aantreden van digitaal inheemse generaties, heeft de schrijfmachine een nieuw leven gekregen. En uiteraard is dat nieuwe leven ondenkbaar zonder het internet. De digitale media hebben de schrijfmachine niet doen verdwijnen, maar bevrijd en een nieuw leven gegeven.

Kousbroek zag in de schrijfmachine na de digitalisering iets voor vitrines en catalogi. Hij had in 1988 niet kunnen bevroeden dat er in de eenentwintigste eeuw een cultuur rond de schrijfmachine zou ontstaan. Daarin spelen musea als het Scryption een ondergeschikte rol. Veel belangrijker zijn uitdragerijen, kringloopwinkels, internetveilingen als E-bay en Marktplaats, en schrijfmachinereparateurs. En de vele websites, blogs en discussiegroepen die liefhebbers van de schrijfmachine onderhouden om kennis, ervaringen en de machines zelf te delen. En nee, het zijn niet alleen mannen van middelbare leeftijd die het internet benutten voor hun verzamelaarshobby. Het boeiende eraan is nu juist dat het een diverse en groeiende groep mensen is van alle leeftijden, letterlijk van 17 tot 87, die het niet alleen gaat om het zoeken, kopen en verzamelen van schrijfmachines, maar ook om het werkelijk gebruiken ervan. Waarvoor? Voor het schrijven van brieven, filmscripts, verhalen, romans, memoires, gedichten, stukken op hun blog, variërend van bizarre verzinsels tot bloedserieuze levensbeschouwelijke mijmeringen. Ondanks het feit dat ze de digitale wereld kennen, zich er moeiteloos in bewegen en soms zelfs hun brood verdienen bij computerbedrijven, schrijven ze sommige teksten uit vrije wil op schrijfmachines.

Daar kan ik goed in komen. Al ben ik sinds het kon een gretig gebruiker van computer, e-mail en internet, ik heb de schrijfmachine nooit opgegeven. Sterker, ik ben in 1992 begonnen met het kopen van extra schrijfmachines. En niet om een verzameling op te bouwen, eraan te knutselen of ernaar te kijken, maar om dagelijks in gebruik te hebben. Vandaar dat ik opveerde toen ik een paar jaar geleden in een tijdschriftartikel las dat kantoormachinehandels in Seattle, Portland, Los Angeles en San Francisco de vraag naar opgeknapte mechanische schrijfmachines zagen groeien. Vooral de uitleg van de twintigers onder de klanten, die jonger zijn dan de pc en de Mac, was interessant: ze vonden dat het echte schrijven beter plaatsvindt in een vorm van digitale retraite. Ze klaagden over de afleiding door YouTube, het web, sociale media, e-mail, muziek, en de eindeloze mogelijkheden tot lay-out van de digitale tekst. Wat schrijven betreft maakten ze een verschil tussen tekstverwerken, communiceren en echt schrijven. Voor dat laatste, waarmee ze persoonlijk getinte projecten bedoelden, leek hun de schrijfmachine het beste.

Niet veel later vond ik een video op YouTube waarin een kunststudente uit Minneapolis vertelt over een nieuwe passie. Lopend van de campus naar een koffiehuis waar ze vriendinnen zou ontmoeten, trof ze langs het trottoir een schrijfmachine aan. Tussen de vuilnisbakken, als afval. Ze was geschokt, want ook al was ze opgegroeid met computers en had ze nog nooit een regel geschreven aan een schrijfmachine, ze kon deze oude Remington niet voorbijlopen alsof het een oude mixer of stofzuiger was. Ze belde met haar vriendinnen dat ze niet kwam en droeg de loodzware kantoormachine mijlenver naar huis. De camera, die ze eerst op zichzelf gericht had gehad, draaide ze om en die bracht nu de stemmig uitgelichte schrijfmachine in beeld. Een bakbeest, een crèmekleurige kantoormachine van rond 1960. Het ding maakte merkwaardig genoeg eenzelfde indruk als de studente zelf: zwaar, breed, bleek, aandoenlijk en eenzaam.

Onderwijl vertelde de studente dat ze hem helemaal schoongemaakt had, op het internet had gezocht naar de do’s and don’ts van het schoonmaken en opknappen van schrijfmachines, vervolgens een lintje besteld en dat ze nu een project begonnen was dat draaide om haar nieuwe liefde voor de schrijfmachine. Ze noemde hem Bernhard en deed research, maakte tekeningen, schreef aan de machine zelf over haar ervaringen, maakte foto’s en video’s. Ze probeerde te weten te komen van wie hij was geweest en op basis daarvan speculeerde ze over alles wat er op de machine geschreven was gedurende de vijf decennia dat het ding bestond. Ze zocht ook contact met gelijkgestemden, vandaar de plaatsing van het filmpje op YouTube.

De combinatie van nieuwsgierigheid en genegenheid die in dit filmpje te zien was, deed sterk denken aan de manier waarop mensen over zwerfpuppy’s, weeskinderen, verstoten berenwelpen en dergelijke praten. Ieder leven telt. De slachtoffers hoeven niets bijzonders te doen of te kunnen, alleen maar er te zijn. De sprekers willen alles te weten komen over hoe ze kunnen zorgen voor deze weerloze wezens. Hier was de schrijfmachine niet louter een monument voor een technisch verleden, maar ook een bedreigd, lijdend lichaam. Een machine weliswaar, maar eentje die gevoel of ziel had. En de meest waarschijnlijke reden daarvoor was die directe, mechanische en dus fysieke verbinding met de schrijfhandeling, waarmee bewustzijn wordt omgezet in materiële tekens. Er was door dat schrijven iets geestelijks of menselijks in het mechaniek gevaren en dat smeekte om aandacht, zorg en studie. Iets dat niets meer te maken had met doelmatig tekstverwerken of schrijftechnologie. Iets buiten de tijd.

Ik ontdekte dat deze studente niet alleen was. Zo vond ik bijvoorbeeld een professioneel gemaakt filmpje van Karen Abad dat een liefdesverklaring is aan haar modern vormgegeven jaren zestig Olympia sm9, een middelgrote, draagbare machine, die ze in een zonnige parkomgeving met bloesemende bomen en struiken met de camera uit alle hoeken besluipt, begluurt en streelt. Alsof het om haar kind of huisdier of minnaar gaat. Romantische muziek, macro-opnames, ritmische montage. Hier werd de schrijfmachine als een levend lichaam benaderd; speels en sensueel. Er hing een belofte in de lucht toen het filmpje was geëindigd.

Misschien, dacht ik, dat in een wegwerpeconomie waar elektronische apparatuur in plastic behuizing de norm is, het mechanische op menselijke solidariteit kan gaan rekenen. We snappen mechanische machines. Ze delen met ons mensen de tragische aspecten van het lichamelijke. Het gevecht met de zwaartekracht, de slijtage die gewrichten sloopt, de strijd tegen vuil en vermoeidheid. Mensen kunnen herstellen van een kwetsuur of ziekte en mechanica kan worden gerepareerd. Ze zijn allebei afhankelijk van onderhoud en zorg. Mensen en mechanische machines kunnen hun werk doen, ook al verkeren ze in een onvolmaakte toestand. Oud, moe, verbogen, half kapot, ze doen het. Ze hebben desondanks hun waarde.

Als elektronische apparaten een storing hebben of beneden peil presteren, worden ze geheel of gedeeltelijk vervangen en gedumpt. Als het meezit gerecycled. Het tempo van de elektronische vooruitgang is hoog. Voor onderhoud en reparatie van elektronica is weinig ruimte. Haar levensduur wordt niet gemeten in decennia, zoals die van mensen en mechanische apparaten, maar in maanden. Digitale machines zijn in feite alleen de wegwerpverpakking waarin de culturele en economische levensvorm huist die ze zo waardevol en machtig maakt en die in niets op mensen of andere zoogdieren lijkt, omdat ze lichaamloos is: informatie, oftewel software, code, algoritmes, data.

De aanblik van een aan zijn lot overgelaten schrijfmachine, uitgestoten door de wereld van doelmatigheid, nut en prestatie, wekt mededogen op voor dat lichaam en het vergeten, eenzame zweempje van een ziel. Worden we misschien herinnerd aan iets in onszelf dat verloren, vergeten en verstoten is en dat we willen redden en verzorgen? Of opnieuw leren kennen? Waarvan is dat zweempje ziel in de schijfmachine een projectie?

Laten we eens kijken naar wat die mensen die met schrijfmachines bezig zijn voor activiteiten ontplooien op het internet en daarbuiten. Allereerst zijn er de omgevingen waar men het vrijwel uitsluitend over de machines zelf heeft. Verzamelaars en liefhebbers wisselen tips uit over aankoop, modellen en reparaties, onderdelen en linten. Sympathiek volk, vrolijke behulpzame sfeer, maar erg feitelijk allemaal. Interessanter zijn de bloggers, van wie er enkele tientallen op vrijwel dagelijkse basis met elkaar in verbinding staan. Naast verhalen en foto’s over hun machines schrijven ze over wat ze lezen en meemaken, over hun literaire aspiraties, hun blik op de actualiteit, hun verleden. Dat doen ze uiteraard op schrijfmachines, om die typoscripten dan te scannen en als beeld op het internet te zetten. Zoiets heet een ‘typecast’, een term die ironisch genoeg is ontleend aan het jargon van computerprogrammeurs en waarmee oorspronkelijk wordt aangegeven dat een regel code uit het ene programma wordt geciteerd in een ander programma. Een digitaal Fremdkörper, zou je kunnen zeggen.

Wie zijn die typecasters? Er zijn literatuurdocenten bij die op die manier verslag doen van hun experimenten om studenten essays en gedichten op schrijfmachines te laten schrijven. Er blijkt steeds weer een wonderlijk enthousiasme bij digitale inboorlingen voor de rauwe fysieke kwaliteit van het schrijven aan een schrijfmachine. Dan zijn er de amateurdichters en schrijvers.2 Mensen die in het dagelijks leven bij computerbedrijven, tijdschriften, kantoren of archieven werken. Maar ook balorige types, die absurde en vaak scabreuze minivertellingen plaatsen, schots en scheef getypt met half werkende machines.3

Er is een gepensioneerde elektrotechnicus uit Albuquerque, Joe Van Cleave4, die zijn leven lang een goed amateurfotograaf is geweest en nu met en zonder schrijfmachine zijn beschouwingen deelt over (digitale) fotografie, zijn ontmoetingen op straat en op reis, zijn experimenten met zelfgemaakte, lensloze chemische camera’s. Boeiende beelden en teksten van een heldere, onafhankelijke geest. Dan is er een filosofieprofessor uit Cincinatti, Richard Polt5, die een enorme verzameling schrijfmachines heeft, en vrijgevig en geestig zijn kennis deelt, en soms ook korte prikkelende bespiegelingen tikt over het lot van de schriftcultuur en het literaire schrijven in de eenentwintigste eeuw.

Er zijn typecasters uit alle delen van de Verenigde Staten, Engeland, Zwitserland, Oostenrijk, Australië en Nederland. De even buiten Seattle, Washington State, woonachtige Sheryll Lowry heeft de afgelopen jaren het initiatief genomen een papieren ’zine te maken dat helemaal gevuld is met bijdragen van typecasters. Het heet Silent Type6 en bevat de op papier gedrukte digitale scans van getypte vellen met verhalen, essays en gedichten, aangevuld met foto’s en collages. Er zijn twee afleveringen van verschenen. Ik schrijf hierover als deelnemer, laat dat duidelijk zijn. Bijdragen van mijn hand verschenen in Silent Type. En ik heb sinds drie jaar een weblog7 waar ik typecasts op zet. Soms in het Engels, of begeleid door een Engelse vertaling om de kameraden in de zogenaamde Typosphere ter wille te zijn.

Je kunt denken dat het niet uitmaakt of je met een mengsel van roet en olie op een rol papyrus schrijft, met een inkt en ganzenveer op perkament, met een schrijfmachine op papier of met een laptop op een harde schijf. Maar niemand kan ontkennen dat het krijgen van een handgeschreven of getypte brief per post de schrijver directer en intiemer aanwezig maakt dan een e-mail of digitale bijlage. Het gebruik van schrijfmachines door de typecasters roept hun toevallige exemplaren en machines, het moment van schrijven, hun individuele levenssfeer op. Je leest eraan af dat de schrijfmachines voor de schrijvers een sterke associatie met de boekencultuur van lezen en corresponderen belichaamt. In een wereld van automatische tekststromen zijn dit verfrissend ‘echte’, persoonlijke schrijfsels.

Het is onmiskenbaar zo, dat hier een bepaalde vorm van nostalgie meespeelt. Een verlangen naar de sfeer en de vormgeving van vroeger. Gek genoeg opvallend vaak bij jonge mensen die een hang vertonen naar de tijd van ver voor hun geboorte. Dat neemt soms vermoeiende vormen aan. Ik kan me ergeren als mensen doorzeuren over de aanschaf van bakelieten telefoons, lyrisch worden over oude vw-busjes en zich verliezen in het bewonderen van oude rubber stempels. Maar klagerigheid of een kleffe, snobistische idealisering van het verleden speelt eigenlijk zelden mee. Wat mij aan deze subcultuur bevalt is niet alleen het open en enthousiaste karakter, maar vooral het strijdbare aan het gebruik van de nostalgische liefde voor de schrijfmachine.

Strijdbaar? Laat ik even teruggaan naar de door Kousbroek aangewezen ‘onzichtbare’, nog het meest aan de verwondering bij een kunstwerk herinnerende, eigenschap van een schrijfmachine. Hij beschreef een emotie die je ondergaat bij het zien van de uitgestalde machine, veroorzaakt door het wonderlijke feit dat deze aandoenlijke, vernuftige machine ooit gebouwd is om te schrijven. De schrijfmachine die ervaren wordt als een kunstwerk.

Dat kunstwerk is in de eenentwintigste eeuw niet langer een kunstwerk om passief te ondergaan, maar om te gebruiken. Het is een interactief kunstwerk geworden. Met als gevolg dat het niet alleen meer gaat om de verwondering om de techniek, of het schrijven als idee van menselijke beschaving, maar dat die esthetische emotie zich uitbreidt naar de activiteit waarvoor de machine gemaakt is: het schrijven. Schrijven aan de schrijfmachine is in de ogen van sommigen inefficiënt en belachelijk, maar het is blijkbaar ook een manier geworden om dicht bij de wonderbaarlijke mogelijkheid of belofte te komen die het schrijven in zich bergt: een kunstwerk te worden. Zinnen die de lezer voor even meenemen naar een plek buiten de tijd.

Voor zover het de communicatie van informatie betreft is de digitale technologie superieur aan die van het tijdperk van schrijfmachine en drukpers. Als je nuttige, belangrijke, economisch waardevolle gegevens en sociaal relevante meningen wilt schrijven zijn schrijfmachines inefficiënt. Die twintigers in Californië zeiden het heel scherp: echt schrijven is geen tekstverwerken of communiceren. En ze duidden dat echte schrijven aan als persoonlijke projecten. Je kunt ook zeggen: de keren dat ze iets willen schrijven dat waarde op zichzelf heeft en iets schept en vormgeeft in plaats van nuttig is of makkelijk. Het schrijven dat zelfbewust is en niet instrumenteel.

De schrijfmachine lijkt een symbool geworden voor iets aan het schrijven dat haaks staat op de informatie-ideologie waaraan ook de cultuur onderworpen is geraakt. Informatie wordt steeds vaker opgeroepen en verstuurd door systemen, niet meer door personen. We zijn eraan gewend dat alles wat we via het internet versturen gefilterd en geanalyseerd wordt door de software van bedrijven en overheden. De robotvertaling, de automatische uitnodiging, het fictieve persoonsprofiel: steeds meer informatie waar nauwelijks nog mensen aan te pas komen.

Vandaag de dag herinnert de schrijfmachine eraan dat schrijven of tekst niet identiek hoeft te zijn aan informatie, sociaal contact of een succesvol product. Dat het ook het vehikel kan zijn voor ervaringen en waarheden waarvoor geen plek is in de taal van de wetenschap, het nieuws, de politiek of de media. Schrijven als poging om met de tekst zelf een authentieke ervaring op te wekken, hoe klein ook. Een tekst kan een machientje worden, dat ervaren wordt zoals Kousbroek beschrijft dat je de schrijfmachine kunt ervaren: ‘als een kunstwerk’. Oftewel het gevoel iets onzichtbaars te ervaren door de zichtbare machine van woorden. Ontroering, een waarheid of een inzicht, die niet samenvallen met de informatieve waarde van het verhaal, het gedicht of het essay. Zodat je de tekst wilt koesteren en bewaren. Zoals je een ets van Lucas van Leijden wilt bewaren of een Egyptisch borstbeeld. Daar is iets zoals het nergens is. Daar staat het zoals het nergens staat. Al maakt de tekst en zijn betekenis helemaal deel uit van de wereld, toch zit er iets in dat buiten de tijd lijkt te staan.

Dat is natuurlijk de meer verheven uitleg van dit alles. Wat de typecasters en andere schrijfmachineliefhebbers doen zou je een vorm van volkskunst kunnen noemen. Een hedendaagse en strijdbare manier om liefde voor literatuur, en het schrijven als kunstvorm, hoe bescheiden van pretentie ook, te vieren en te delen. Het ‘echte’ lezen en schrijven berust op de opschorting van de communicatie met anderen en het meegaan in de tijdruimte en het ritme van de tekst die je schrijft of leest. Door dat uitstel en die ontvankelijkheid kunnen de beelden, emoties en ideeën die in het spel zijn zichzelf organiseren.

De schrijfmachine is tegenwoordig een embleem voor die houding geworden. En heel praktisch voor sommigen het voertuig naar de plek waar je je afzondert van de communicatie met anderen, en de weerstand van mechanica en taal extra voelt. Daar lees je en schrijf je. Waar het onvolmaakte, het individuele, de geschiedenis, het fysieke en het toevallige de dienst uitmaken. Maar alles begint en eindigt met lezen. En dus met het vinden van lezers, al zijn het er maar een paar. Het internet is het voertuig waardoor een hedendaags type literair genootschap kon ontstaan, open en geïmproviseerd, waarin de liefde voor het lezen en schrijven vermengd is met dat aandoenlijke gehannes met schrijfmachines. De schrijfmachine is de totem waaromheen de belofte van het schrijven als kunst wordt gevierd.

De mechanische schrijfmachine is technisch achterhaald en dus economisch overbodig. Er komen nauwelijks nieuwe bij8, de bestaande zijn verweesd. Maar door een combinatie van analoge en digitale techniek vond dit technische monument, dat een esthetische emotie kan oproepen, een nieuwe, culturele bestemming, als ‘transdigitale schrijfmachine’. Digitale technologie heeft de schrijfmachine niet alleen overbodig gemaakt maar ook bevrijd.

Ik ben de eerste om toe te geven dat het een marginaal, onbelangrijk verschijnsel is, dat net als de schrijfmachine zelf soms aandoenlijk werkt. Maar het is een symptoom van de literatuur in de eenentwintigste eeuw. Net als schrijversscholen, twitterromans, e-books en Nightwriters.

‘Ik doe meer moeite voor mijn verhaal,’ schreef een jonge schrijver die een commentaar achterliet op mijn blog en zo begon te vertellen dat hij aan schrijfmachines zijn werk enorm zag verbeteren en nu met zijn tweede verhaal een prijs had gewonnen. Kijk! Zelfs als het niets anders is dan magisch denken, het werkt! Niet alleen bij het schrijven van zijn verhaal, maar ook door ons tweeën in contact te brengen. De schrijfmachine, die terugkeert als één van de instrumenten waarmee eenentwintigste-eeuwse schrijvers hun werk maken. Kousbroek had het waarschijnlijk onvoldoende gevonden, zo’n bijrolletje in de buitenwijken van de literatuur, maar voor mij (leren schrijven aan de Adler Gabriele 25, vroeg gedigitaliseerd en schrijfmachineliefhebber) is het een poÎtisch beeld. Mooier en roerender dan een schrijfmachine in een vitrine.


Noten

1.‘De geest in de schrijfmachine’, Rudy Kousbroek, NRC Handelsblad (2-12-1988), Cultureel Supplement p. 7.

2.Voorbeelden:

– The long slow blog: rino.blogspot.com

– A treatise in pedestrianism: typewriteralley.blogspot.com

fossilswithoutfear.blogspot.com

3.Urgent Typewriter Correspondence: typewriternonsense.blogspot.com

4.joevancleave.blogspot.com

5.writingball.blogspot.com

6.strikethru.net (hier gratis pdf’s van Silent Type en veel links)

7.dirkvanweelden.net

8.Er schijnen in China nog mechanische Olivetti-klonen (type ms 25) te worden gemaakt. Soms onder de surreële naam Generation 3000. Wisselende, bedenkelijke kwaliteit. En op de site van het Duitse Manufaktum (exclusieve, handgemaakte producten; manufaktum.de) staat dat de Olympia sg3 (type jaren zeventig, een formidabele kantoormachine uit Wilhelmshaven) voor 6 700 nog nieuw te koop is. Qua stijl aangepast: in plaats van grijzig-wit, in modern zwart plastic. Effect: een BMW om aan te typen.