Rudy Kousbroek was een onvermoeibare promotor van het redelijke verstand. Nochtans werd hij, om het op zijn Kousbroekiaans te zeggen, opvallend vaak overmand door zijn gevoelens, met name het gevoel van weemoed. Het geluid van een oude Franse auto, een foto van een dier, een geur die hem herinnerde aan Indië, en hij was weer even terug, als het ware. Nostalgie is een verlangen, niet zozeer om daadwerkelijk terug te zijn in de verleden tijd, want dat zou absurd zijn, maar om een gevoel uit het verleden terug te vinden; niet hoe het werkelijk was, maar hoe het voelde. Ook dit was niet echt meer mogelijk, want wij zijn niet meer wie we eens waren, maar die vluchtige, ongrijpbare illusie kon Kousbroek meesterlijk beschrijven. Hoewel, zoals ik zei, Kousbroek een rationalist was, wist hij als geen ander gevoelens op te roepen, bij zichzelf en bij de lezer. Nostalgie was misschien wel zijn voornaamste onderwerp.

Gelukkig was zijn nostalgie niet gespeend van zelfspot. Ik herinner me nog levendig zijn optreden bij Zomergasten, toen hij na een korte onderbreking zonder enige verklaring plotseling te zien was in een wit tropenpak. Er werd verder met geen woord over gerept. Hij zat in dezelfde houding, in dezelfde stoel en praatte over van alles en nog wat, alleen nu gekleed alsof hij in Sumatra aan een rijsttafel zat.

Kousbroek was natuurlijk niet de enige schrijver die werd gebiologeerd door zijn eigen madeleines. Schrijven, schilderen, fotograferen en filmen zijn allemaal manieren om dingen die voorbijgaan terug te roepen, vast te leggen, nog een keer leven in te blazen. Wij zijn ons allemaal bewust van die zandloper die eens leeg zal zijn. Vandaar de drift van toeristen om kiekjes te nemen, om iets van de tijd vast te houden, of later terug te zien. Dit wroeten in de herinnering noemde Kousbroek ‘mijmeren’. Hij ried mij weleens aan meer te mijmeren. Ik was, in mijn schrijven, voor zijn gevoel misschien te afstandelijk, te Hollands kil.

Linkerpaneel van het drieluik Tuin der Lusten van Jheronimus Bosch (ca. 1450 – 1516), 220 x 389 cm

Museo del Prado, Madrid

Heimwee naar het paradijs

Nostalgie is overigens niet altijd zonder risico. Het kan leiden tot sentimentaliteit, tot kitsch. De letterlijke betekenis van nostalgie is ‘pathologische heimwee’. Nostos is Grieks voor de terugkeer naar huis. En algos is een ziekelijk verlangen. Heimwee is vaak kitscherig: denk aan Duitse Heimatkunst, al die schilderijen van boerse onschuld. Mijmeren over het verloren paradijs is vaak een verlangen naar verloren onschuld, naar puurheid. Beelden van pure onschuld zijn haast altijd – misschien wel altijd – kitsch, zoals die plaatjes, over de hele wereld verkocht, van kleine jongetjes met tranen in de ogen. Ik weet niet waar ze worden gemaakt, die plaatjes, in China misschien, maar hun kleffe aantrekkingskracht is kennelijk universeel.

Het kinderparadijs wordt dikwijls voorgesteld als de pure natuur, een Arcadië waar mens en dier in vriendschap en vrede met elkaar leven. In het geval van Europese kinderen die hun kinderjaren doorbrachten in de tropen, voordat zij werden verbannen naar een spartaanse kostschool in Engeland of de gure straten van een Nederlandse stad, kon men zich dat Arcadië heel concreet voorstellen. Het tropische Eden is warm en vruchtbaar, een weelderige tuin vol dieren, bloemen en palmbomen, waarin de kinderlijke onschuld wordt bewaakt door lieve, zorgzame baboes, die zachtjes liedjes zingen in het Maleis of Chinees, terwijl de muggen op afstand worden gehouden door een wuivende klamboe.

Zo moet het paradijs van Adam en Eva er ook een beetje hebben uitgezien, een schitterende oase in het Midden-Oosten. Genesis is dan ook een van de oerverhalen over nostalgie, behalve dat niemand, God noch Adam, Eva of de slang, echt mijmert. Een typisch christelijke interpretatie van het verhaal is dat het verlies van onschuld, zodra Adam en Eva van de appel hebben gegeten, wijst op de zondigheid van de mens. Kennis van goed en kwaad en schaamte over de menselijke driften worden voorgesteld als een val, een straf voor onze oerzonde. Door kennis te vergaren, steekt de mens God naar de kroon, en daarom is verbanning uit het paradijs een onvermijdelijke sanctie.

Een minder moralistische interpretatie is ook mogelijk. In het paradijs is de mens niet meer dan een dier. Een mens is pas een mens, en geen dier, als hij zich bewust is van zichzelf, en van de eindigheid van elk leven. Het is geen toeval dat mensen die erg terugverlangen naar het paradijs zich graag identificeren met dierlijke onschuld. Een variant is de nobele wilde, de zuivere tropische inboorling, onbezoedeld door de menselijke beschaving. Heel wat zoekers naar Arcadië, vooral maar niet uitsluitend onder koloniale omstandigheden, cultiveerden deze fantasie in Azië of Afrika. De hang naar onschuld komt niet zelden voor onder mensen die zich om de een of andere reden schuldig voelen, of door hun eigen samenleving schuldig worden bevonden: homoseksuelen bijvoorbeeld. Denk aan al die zwart-witfoto’s uit de jaren twintig en dertig, genomen op arcadische plekken als Capri, van naakte herdersjongens. De gevoelens van de fotograaf waren in de regel waarschijnlijk verre van onschuldig, maar het seksuele verlangen is in deze prenten gedrenkt in sentimentaliteit, en dus vaak kitsch, een variant van die plaatjes van huilende jongetjes.

Om nog even terug te komen op de oerzonde: God heeft Adam en Eva weliswaar afgeraden om de appel van de boom te eten, maar dat hoeft niet te betekenen dat zij, of wij, gebukt moeten gaan onder een gevoel van schuld. Gods wegen zijn tenslotte een raadsel. Wie weet bedoelde Hij het niet serieus. Het was in ieder geval een nodige stap. We weten sinds Adam en Eva dat we doodgaan. Maar wie wil een eeuwig leven? En wie wil leven zonder kennis of bewustzijn?

Wel, zulke mensen bestaan. Misschien willen we dat allemaal weleens. Toch zie ik verbanning uit het paradijs niet als de straf voor een oerzonde, maar eerder als een vorm van ontgoocheling en dus verlichting. Gelovige mensen vinden deze vorm van verlichting vaak een schande, een voorbeeld van hybris. Kousbroek vond dit zeker niet. Maar hij kon het mijmeren niet weerstaan. Hierin was hij niet meer dan menselijk. Want behalve de kennis van onze eindigheid, is het verlangen terug, nostalgie, een bijproduct van onze verlichting. Deze prijs is op zichzelf niet bitter, of niet uitsluitend bitter. Gezien de hoeveelheid plezier die we aan nostalgie beleven, als lezers en als schrijvers, gezien de haast obsessieve manier waarop we keer op keer proberen ons verleden nieuw leven in te blazen door vervlogen gevoelens op te roepen en dit terwijl we heel goed weten dat het een sisyfusarbeid is, moeten we concluderen dat mijmeren althans bitter-zoet is.

Maar het verlangen terug kan wel in de weg staan van de werkelijkheid. Of, anders gezegd, het kan ons ervan weerhouden om de werkelijkheid helder te zien. De meest oppervlakkige vorm van deze weigering is de neiging om het verleden te idealiseren, om het te zien als een zoetsappige kerstkaart, door net te doen alsof vroeger alles écht puur en mooi en schattig was. Er zijn echter ook interessantere manieren om de werkelijkheid te verdraaien.

Verloren onschuld

Ik herinner me een congres in Amsterdam over de Tweede Wereldoorlog, bijna twintig jaar geleden. De Nederlandse historicus Ido de Haan gaf bij die gelegenheid een lezing over de mythes die ons beeld van de Duitse bezetting lang hadden beheerst: hoe dapper de Nederlanders waren geweest, hoe we de joden hadden proberen te redden, hoe uniek de Februaristaking in Europa was geweest, en zo nog meer. Een voor een werd in het betoog van De Haan korte metten gemaakt met deze halve waarheden en onzin. Zijn verhaal was een indrukwekkende poging om flatteuze leugens te ontzenuwen, en zo een beter beeld te krijgen van hoe het werkelijk was geweest. Op De Haans rede volgde toen een voor mij onvergetelijk commentaar van de Israëlische auteur Tom Segev. Hij sprak zijn bewondering uit voor De Haans ‘debunking’. Hij, Segev, poogde precies hetzelfde te doen in Israël. Daar gold hij als een mythebreker. En zo hoort het ook. Alleen op die manier vallen de schellen van onze ogen. En toch, zei Segev, moest hij iets over dit onderwerp kwijt. Toen hij opgroeide in Israël, ging er een verhaal over de oorlog dat ieder kind kende: in de donkerste dagen van het joodse volk flakkerde er nog één kaars in Europa, één tekentje van hoop dat niet alle mensen verdorven waren, dat de joden niet helemaal alleen stonden in hun ellende, en dat was de dappere houding van het Nederlandse volk dat had geprotesteerd tegen de jodenvervolging. Nu wenste Segev Ido de Haan veel succes en hij hoopte dat hij zijn debunking nog lang voort zou zetten. Maar hij vroeg ook om begrip dat hij nog eventjes wilde blijven vasthouden aan die mythe over Nederland en zijn dappere volk.

Dit was een goed voorbeeld van mijmeren. Segev wilde de geschiedenis niet herschrijven. Hij was voor verlichting, en tegen obscurantisme. En hij verlangde zeker niet terug naar een tijd waarin joden alleen op grond van afkomst het recht op leven werd ontzegd. Zijn nostalgie betrof zijn eigen kindertijd in Israël, en de warme onschuld die sprak uit het verhaal over het dappere Nederlandse volk. Hij bracht dit gevoel zo zuiver onder woorden dat ook mij de tranen in de ogen sprongen.

Nostalgie naar verloren onschuld kan ook collectief zijn, en dat is vaak problematischer dan de individuele ervaring. Hoe vaak lezen we niet, na een aanslag op een publieke figuur, een terreurdaad, of een onbezonnen oorlog, dat het land zijn onschuld heeft verloren. De Verenigde Staten, bijvoorbeeld, zouden hun onschuld hebben verloren na de aanslag op Kennedy, of de Vietnamoorlog, of wat al niet meer. Dit veronderstelt dat er ooit een pure staat van onschuld zou hebben bestaan, vóór de lynchpartijen op zwarten, voor de burgeroorlog, voor de slavernij, voor de uitroeiing van de indianen. Helaas is dit idee van nationale verloren onschuld niet alleen in de VS wijd verbreid. Denk aan de paniek in Nederland na de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Het kan zijn dat die illusie wat sterker heerst in de VS, omdat de oorsprongmythe van Amerika er een is van een nieuw begin, een verlossing uit de zondigheid van de Oude Wereld. Amerika was het nieuwe Jerusalem. Vandaar de desillusie, wanneer het beloofde paradijs ook giftige slangen blijkt te bevatten.

Iets dergelijks geldt overigens ook voor Israël, waar de nostalgie naar de zuiverheid van het pioniersbestaan in de kibbutzim nauw samenhangt met de desillusie over de morele superioriteit van het beloofde land, vooral na de oorlog in 1967 en de bezetting van Palestijns gebied. Mijn punt is natuurlijk niet dat Israël of de VS zondiger zouden zijn dan andere landen. Waar de schoen wringt is in die mythe van pure onschuld, de vermeende onschuld van armen en verdrevenen, of in het geval van Israël de slachtoffers van een massamoord. Maar ook de moderne staat Israël werd geboren in bloed, en niet alleen het bloed van de slachtoffers uit Europa.

Bezoedelde zuiverheid

Pure onschuld is een fictie, net als de pure natuur van Arcadië. Hoe harder de val, hoe sterker de nostalgie. Vandaar misschien dat de moderne Engelse cultuur zo wordt beheerst door nostalgie. Wellicht heeft dit iets te maken met de recente geschiedenis. Engelsen verlangen graag terug naar hun ‘finest hour’, toen Churchill, Spitfires en de onoverwinnelijke geest van de Londenaren het nazigeweld trotseerden.

Maar ik denk dat de oorsprong van de typisch Britse nostalgie iets verder terug ligt in de tijd. De industriële revolutie vond eerst plaats in het Verenigd Koninkrijk, met ingrijpende gevolgen voor de samenleving. William Blakes beroemde gedicht, geschreven in 1804, over het bezoek van Christus aan ‘England’s green and pleasant land’, tussen de ‘satanische, zwarte fabrieken’, is een van de meest nostalgische mijmeringen in de Engelse literatuur. De ongerepte, groene natuur, het ware, onschuldige Engeland, moest weer herrijzen tussen de rokende textielfabrieken van Manchester en Leeds. Dat was het Jerusalem van de titel van dit gedicht, toen het op muziek werd gezet in 1916, op het moment dat een hypermoderne, gemechaniseerde oorlog bezig was Europa te verwoesten.

Ook dit Engelse Arcadië berustte op een fictie. Het groene, pre-industriële Engeland was even doordrenkt met bloed als andere plaatsen waar mensen lang hebben gewoond, en was dus allesbehalve onschuldig. Maar het is een betrekkelijk onschuldige fantasie, als ik het zo mag zeggen. ‘Jerusalem’ is een patriottisch lied, maar het is gespeend van agressie, laat staan moorddadigheid.

De droom van onschuld en zuiverheid wordt pas gevaarlijk als mensen worden opgehitst tegen een vijand die de zuiverheid bezoedelt. Antisemitisme berust al eeuwenlang op een dergelijke waan. De bloedsmaad dat joden hun paasbrood bakken met het bloed van christenkinderen is een voorbeeld: joden als de vijand van christelijke onschuld. Onder de nazi’s wordt het beeld van bezoedelde zuiverheid een ideologie die is ontleend aan romantische fantasieën en aan quasiwetenschappelijke theorieën. De fantasie is nostalgisch, het pure Duitse volk, de middeleeuwse romantiek, de deugdzame boeren, et cetera. De quasi-wetenschap betreft rassenleer, schedelstructuren, joden als kwaadaardige bacillen die de gezondheid van het Germanendom van binnenuit aantasten. Het spreekt vanzelf dat om de zuiverheid te beschermen, en de weg terug te vinden naar een ideaal verleden, die bacillen moeten worden vernietigd. Waar het hier om gaat is dat de Duitse volksaard wordt voorgesteld als onschuldig, onbezoedeld, eerlijk, naïef, ruraal, haast dierlijk. Joden zijn stedelijke parasieten, oververfijnd, cynisch. In de antisemitische verbeelding worden joden vaak geassocieerd met kritiek, of wetenschap. Zij weten te veel – net als Adam en Eva. Daarom moest wat de nazi’s ‘joodse wetenschap’ noemden worden verbannen, en de wereld van cultuur gezuiverd van joodse critici, schrijvers, journalisten, kunstenaars.

Het is altijd gevaarlijk om parallellen te trekken met de nazi’s, omdat dit zo vaak te kwader trouw wordt gedaan, als een manier om intellectuele tegenstanders monddood te maken. Niet alle religieuze extremisten, ook niet alle radicale islamisten, zijn nazi’s of fascisten. Maar er zijn overeenkomsten. Ook religieuze extremisten, zoals wijlen Osama Bin Laden en zijn aanhangers, dromen van een paradijs van puur geloof, onbezoedeld door heterodoxe gedachten. In dit verloren paradijs wordt niet nagedacht of gediscussieerd. Iedereen gelooft hetzelfde en is onderworpen aan dezelfde God. Bewoners van dit heilige Arcadië hebben nog nooit gehoord van die appel van kennis, laat staan ervan gegeten.

De overeenkomst met de nazi’s is de notie dat de bezoedelaars, de zondigen, de afvalligen, de andersdenkenden of andersgelovigen, moeten worden uitgeroeid om de weg naar het paradijs weer te vinden. Nostalgie, in deze vorm, is een recept voor barbarisme.

Nu is het niet zo dat nostalgie zich uitsluitend richt op tempo doeloe of denkbeeldige paradijzen. Mensen kunnen ook goed mijmeren over ervaringen die objectief bekeken helemaal niet leuk waren. Soms is ook dit een illusie, iets mooier voorstellen dan het was. Ik meen me te herinneren dat Kousbroek zelf weleens heeft gewezen op de neiging van sommige overlevenden uit de jappenkampen om te doen alsof de gevangenen allemaal zo vreselijk aardig voor elkaar waren, aardiger dan in het gewone leven. Hij moest hier geloof ik niets van hebben. En dat is hem niet altijd in dank afgenomen.

Gedeeld leed

Persoonlijke ervaringen zijn natuurlijk subjectief, en het kan best zijn dat de een meer saamhorigheid in de kampen heeft gezien dan de ander. Maar mij gaat het om iets anders. Ook een subjectief slechte ervaring kan een bron zijn van gemijmer. Ongeveer dertig jaar geleden ontmoette ik een man in Zuid-Korea. Hij moet toen een jaar of zestig zijn geweest. Toen hij hoorde dat ik in Japan woonde, begon hij mij in vloeiend Japans te vertellen hoe vreselijk hij geleden had als dwangarbeider in een Japanse kolenmijn. De Koreaanse slavenarbeiders werden geslagen, zij hadden honger, en als er Amerikaanse bommen vielen, mochten zij niet in de schuilkelders. Zijn ogen werden vochtig toen hij terugdacht aan al die gruwelijkheden. En toen, plotseling, vroeg hij mij naar een Japanse filmster uit de jaren veertig. Leefde die nog? O, wat was zij mooi. En kende ik die oude Japanse film, en die, en die? Iets dat leek op een gevoel van geluk sprak uit zijn ogen. Hij was weer even terug in de tijd van zijn jeugd, een ellendige tijd, maar het was zijn jeugd, en die films waren prachtig, en die ster zou hij nooit meer vergeten.

Engelse mannen uit een bepaalde klasse denken dikwijls met grote weemoed terug aan hun kostschooljaren. En dat terwijl de meeste kostschoolervaringen verre van aangenaam waren. Het eten was meestal bar, de klaslokalen waren koud, de leraren sadistisch en de pesterijen van ouderejaars haast ondraaglijk. En toch, die merkwaardige nostalgie. Ik citeer uit het dagboek van Harry Kessler, de Duitse estheet met een Britse moeder, die eerst alle ontberingen moest lijden van een Engels internaat in Ascot, en daarna die van een Pruissische officiersopleiding in Potsdam. Hij keerde op latere leeftijd terug naar Ascot, waar hij eens werd getergd door Engelse kostschooljongens, en hij schrijft: ‘Ascot en Postdam verschaffen mij de gelukkigste herinneringen van mijn leven… en dat terwijl ik juist in Ascot en Postdam de meest intieme en virulente nood heb geleden. Maar ik zou de meeste zorgeloze en zelfs de heerlijkste momenten van mijn leven geven om nog een keer die mengeling van pijn en plezier te kunnen proeven.’

Nu is ook dit natuurlijk persoonlijk. Niet iedereen deelt met Kessler de smaak voor pijn en plezier. Maar het is een vorm van nostalgie die vaker voorkomt. Het is niet voor niets dat kostschooljongens, studenten, of soldaten, zo veel belang hechten aan ontgroeningsrituelen. Ik heb het idee dat meer mensen mijmeren over het gedeelde leed van hun ontgroening dan over de ellende die zijzelf aan andere groenen hebben toegebracht. Ook dat zal wel voorkomen, maar waarschijnlijk alleen bij sadisten. Misschien dat het verhaal van saamhorigheid in de kampen niet helemaal op onzin of illusies berust. De gedeelde intense ervaring schept een band, althans in de herinnering. En daar gaat het hier om.

Net als aan andere vormen van nostalgie zijn ook aan deze vorm risico’s verbonden. Mijmeringen over persoonlijke ervaringen op het internaat, in het kamp, of de kazerne, doen geen kwaad. Collectieve nostalgie naar gedeelde smart is gevaarlijker, vooral wanneer daarbij ook gevoelens van ressentiment en wraak een rol spelen. Men zou hier tegenin kunnen brengen dat het in dit geval niet echt gaat om nostalgie, omdat geen enkele gemeenschap terugverlangt naar vervolging of massamoord. Dat is natuurlijk zo. Maar de nostalgie betreft niet het historische leed zelf, maar de saamhorigheid van de collectieve herinnering.

Identiteitspolitiek

Er is veel geschreven over de zogenaamde ‘identity politics’, ooit begonnen in de Verenigde Staten en voor een deel overgewaaid naar Europa. Identiteit is in de loop van de laatste veertig jaar steeds meer in de plaats gekomen van klassenstrijd. De strijd voor een internationaal proletariaat is min of meer opgegeven. Sinds de jaren zestig gaat het meer om de strijd voor collectieve belangen van groepen die zich op etnische, religieuze, seksuele of culturele gronden onderscheiden van de meerderheid.

Het probleem, vooral in Amerika, is dat culturele of religieuze verschillen dreigen te vervliegen in de smeltkroes. Een joodse immigrant uit Minsk of Odessa draagt zijn cultuur nog met zich mee. Bij Amerikaanse joden van de derde generatie is die bagage meestal afgelegd. De snelheid en mate van assimilatie hangt sterk af van opleiding en welvaart. Hetzelfde geldt voor Japans-Amerikanen, Chinees-Amerikanen, Armeens-Amerikanen, en ga zo maar door. Er is een duidelijke tendens onder de hoger opgeleiden om op te gaan in de smeltkroes. Misschien juist om die reden ontstaat er bij veel mensen nostalgie naar datgene wat zij achter zich hebben gelaten. Maar omdat er weinig inhoudelijks is overgebleven van die oude identiteit, in de zin van geloof, taal of cultuur, valt men steeds meer terug op verhalen, of legenden, van historisch leed. Vandaar de onsmakelijke wedloop om het kampioenschap in het slachtofferschap. Joden hebben hun Holocaust, dus waarom zouden de Armeniërs, de zwarten, de indianen of de Chinezen ook niet zoiets hebben? De ontkenning van genocide geldt nu in vele kringen als een vorm van ‘hate speech’. Niet alleen in de VS. In Frankrijk kun je zwaar worden gestraft als je de mening verkondigt dat de massamoord op Armeniërs niet simpelweg kan worden geclassificeerd als genocide.

In deze vorm van identiteitspolitiek wordt het verleden een dogma, waarover geen discussie meer mogelijk is. En als er bovendien sprake is van een aartsvijand, kan dit leiden tot nieuw geweld. De bloedigste etnische zuiveringen in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog vonden plaats in Bosnië, uitgevoerd in naam van een verloren veldslag in 1389, toen Serviërs door een Ottomaans leger werden overrompeld. Niet dat Miloševic, Karadžic, of Mladic anders zou hebben gehandeld zonder die beruchte slag bij Kosovo in 1389, maar het collectieve zelfmedelijden van de Serviërs, de nostalgie naar gedeelde smart en vernedering, heeft bijgedragen aan de wraakzucht die de Servische leiders bewust hebben gebruikt om het volk op te hitsen.

Er zijn dus goede redenen om nostalgie te wantrouwen. Identiteitspolitiek, het ziekelijke verlangen naar de Heimat, kitsch, ressentiment zijn allemaal uitingen van nostalgie die we beter kunnen vermijden. En toch blijft de hogere vorm van mijmeren een onontbeerlijke bron van kunst. Het meer van de herinnering heeft ook het mooiste voortgebracht waar de scheppende mens toe in staat is, en daarom eren wij vandaag Rudy Kousbroek. Hij was op zijn manier een erfgenaam van Marcel Proust, van John Milton, van Vergilius en Homerus.

De Odyssee is misschien wel het allermooiste verhaal over heimwee ooit geschreven. De zwerftocht van Odysseus was een beetje als het leven zelf. Hij verlangde naar zijn Heimat, hij deed alles om weer terug te gaan naar Ithaca, waar zijn vrouw en zijn hond op hem wachtten. Maar de weg terug werd afgesneden door een aaneenschakeling van avonturen. Het is misschien ook geen toeval dat Odysseus gold als de slimste held onder de Grieken in Troje, slimmer zelfs dan sommige goden. Hem werd vaak hybris verweten. Hij wist te veel. En toen hij eindelijk weer thuis was, bij zijn vrouw Penelope, was het duidelijk dat niets meer helemaal hetzelfde was. Niet dat zijn oude huis was veranderd. Maar hij was niet meer dezelfde man die ooit zijn huis verlaten had.

Nederlands-Indië, de Heimat van Kousbroek, bestaat niet meer. Maar zelfs als die nog wel bestond en alles nog intact was, het internaat, het ouderlijk huis, de tuin, de dieren, dan nog was er geen weg terug, want de volwassen schrijver is niet meer het kind dat ooit in dat paradijs speelde. Wat overblijft is de herinnering, die natuurlijk ook weer verandert met de tijd. En de herinnering komt pas weer tot leven als zij wordt opgeschreven, geschilderd of verfilmd. De enige weg terug is de kunst. Dat wist Homerus. Dat wist Kousbroek. En daarom leven zij voort zolang de mensen kunnen lezen.