Kroniek & Kritiek: Findlinge

Dat ik die vijf letters op de Duitse pocketeditie van Blankow aanvankelijk niet eens had gezien, was de schuld van de Engelse rashond op het omslag. Een fotoshoppeling, een fremdkörper. Wat moest die daar in het weiland, op de plaats van de hond van Blankow, die een benadering van het archetype is, dus zonder naam en zonder ras. Ik staarde ontzet naar mijn beeldscherm: wat deed Jack Russell op mijn Duitse boek.

Gelukkig bleken zelfs de vertegenwoordigers van de pocketuitgeverij hem fake te vinden, met een muisklik werd hij verwijderd voor hij gedrukt was. Maar dat zag ik pas toen ik de verse pocket op een dag in de boekhandel van een Duits provinciestadje aantrof. En toen zag ik tussen de witte bloempjes in het verder lege, sappige gras dus ook die vijf witte letters: ‘Roman’. Zucht, hoe vaak moet ik het nog zeggen: ‘Het ís geen…’ – Ach laat maar, ik was mijn haast pavloviaanse reactie onderhand beu. Vanaf toen besloot ik mijn schaamte gewoon te verbijten. Of misschien was het nog beter haar te overschreeuwen met het leugenachtige credo: een roman is een roman als er roman op staat.

Twee jaar eerder had de Duitse uitgever van de hardcover het boek tot mijn vreugde níét in het hokje ‘roman’ gestopt. Maar dat betekende nog niet dat ik, toen het boek eenmaal uit was, ontkwam aan de vraag naar het genre, dus zei ik dat we het in Nederland literaire non-fictie noemden. Maar ik had het kunnen weten: als die term in het Duits niet gangbaar is, dan kon ik wel inpakken met mijn letterlijk vertaalde literarische Non-Fiktion.

Blikken vol onbegrip.

Goed, erzählerisches Sachbuch dan, een tip van mijn uitgever.

Glazige blikken.

Nu kan ik behoorlijk terriërachtig zijn en rudimentair schuilt er ook nog een missiezuster in me, dus ik vond dat er een prachtige taak voor me lag, ik zou de Duitse lezers invoeren in een genre dat ze tot nog toe niet als zodanig hadden herkend. Als een handelsreiziger treinde ik met mijn rolkoffertje door Duitsland, las voor uit Blankow, wachtte op het moment dat het R-woord viel en begon mijn pleidooi voor het genre-zonder-Duitse-naam.

Ondertussen bleef de helft van de literatuurcritici – en niet de minsten – het boek hardnekkig een roman noemen en de andere helft brak zich het hoofd over het genre: ‘Was ist dieses Buch? Kein Roman, kein Sachbuch, kein Bericht. Ein Band, der aus dem Rahmen fällt. Ein Findling’, ‘Gattung poetisches Sachbuch’, ‘eine neue poetische Art der Geschichtsschreibung’, ‘Zwitterwesen aus Selbsterkundung und historischer Recherche’.

Een boeket bloemrijke citaten, een mooi bijeffect van de genreverwarring, al begon me geleidelijk nog een ander verschil tussen Duitse en Nederlandse boekbesprekingen op te vallen. Duitsers kunnen goed prijzen, ze schwärmen graag – het heeft jaren geduurd voordat ik begreep dat schwärmen voor hen geen negatieve klank heeft zoals voor mij, en eigenlijk wil ik er nog steeds niet aan. Maar ze maken ondertussen wel ware kunststukjes van hun kritieken, soms heb je de indruk dat ze het voorwerp van hun bewondering zelfs een beetje uit het oog verliezen, zo heerlijk zijn ze aan het fabuleren.

Nederlanders hebben weinig oog voor de culturele kloof tussen kleine en grote broer en voor je het weet denk je als auteur dat nog niemand jouw boek zo goed heeft begrepen als die Duitse recensent. Enige afstand tot de exoot in de Duitser blijft geboden. Voor Nederlandse literaire non-fictie-schrijvers is het extra verraderlijk. Tot een aantal jaren geleden vroeg in Nederland niemand zich af of het non-fictiewerk literair was of niet, hoogwaardig of niet, of welke predicaten vandaag verder nog mogen circuleren. Er waren aparte pagina’s of zelfs bijlages voor non-fictie en dus zat je als non-fictieschrijver helemaal opgesloten in je hok. Je mocht al blij zijn als je boek fatsoenlijk werd naverteld. Kraak voor mijn part alles maar af wat níét de inhoud betreft, dacht ik vaak, maar zég er iets over. Oordeel ook over de vorm. Maar dat hoefden ze niet, hokjes zijn een welkom houvast voor luie denkers.

Op een mooie dag kwamen alle boeken samen in één katern en tegelijkertijd werd ook elders in boekenland het schot tussen fictie en non-fictie neergehaald. Maar de slopershamer was niet in handen van critici en wetenschappers, hij was in handen van de marketeers. Zij rammelden aan de poorten van de belletrie. En onder hun hoede krikten uitgevers en schrijvers de status van hun non-fictie op door er ‘literair’ voor te zetten, of er met luttele kunstgrepen een ‘roman’ van te maken. De overlap werd groter en groter. Sluipenderwijs werden genreaanduidingen vooral marketinginstrumenten.

En binnen een paar jaar begon het hele bouwwerk opnieuw te kantelen. Het non-fictieve won terrein en stootte de fictie van haar troon. Al geldt fictie in zekere kringen nog wel als de hogere kunst, op de markt heersen inmiddels andere wetten, daar is waargebeurd nu de beste aanprijzing. De non-fictie reikt niet meer naar de roman, maar de roman lonkt naar de non-fictie, hij heet ‘autobiografisch’ of op zijn minst berusten overeenkomsten met bestaande personen niet meer op toeval.

Tegen de Duitsers zou ik nu zeggen: laat u het maar zitten die literarische Non-Fiktion. Blijft u zich vooral in recensies, discussies en op voorleesavonden bij ieder boek opnieuw afvragen wat het is. Want in feite vormt de literatuur één continuüm met aan het ene uiterste werken met een inhoud plus een vorm en aan het andere uiterste werken waarin inhoud en vorm alleen bij de gratie van elkaar bestaan, ook wel poëzie – en de meeste boeken bevinden zich daar ergens tussenin. En dat is goed zo. Mij is het Wurst welk etiket mijn volgende boek meekrijgt. Zolang er maar geen Jack Russell op het omslag staat.