Toppunt van beschaving

De manier waarop olie en kernenergie als brandstof worden gepropageerd, ook door wetenschappers, is schaamteloos en zeer schadelijk. En des te verbijsterender omdat zonne-energie ruimschoots en ‘oneindig’ in de behoefte kan voorzien.

Daniel Yergin, The Quest: Energy, Security, and the Remaking of the Modern World. New York: Penguin Press, 2011

Jo Hermans, Energie Survival Gids / Energy Survival Guide. BetaText, 2008 / BetaText & Leiden University Press, 2011

In de zaak van de Bergermeer-gasopslag geeft de Raad van State de minister van Economische Zaken schaamteloos gelijk. Het gasbedrijf TAQA heeft plannen voor ondergrondse gasopslag in een oud gasveld onder de Noordkop van Noord-Holland. De gemeente Bergen, Natuurmonumenten, Milieudefensie, Stichting Gasalarm en anderen zijn tegen, maar de Raad van State verklaart de bezwaren ongegrond. In de Bergermeerpolder komt weliswaar een boortoren van 65 meter hoog, maar over twee jaar verdwijnt die weer en zie je er niets meer van, want de gasbehandeling vindt plaats op het industrieterrein van Alkmaar. Er is een kleine kans op aardbevingen, niet zwaarder dan 3,9 op de schaal van Richter, en TAQA zal alle eventuele schade vergoeden. Vroeger zat hier ook al aardgas in de grond; de lege ruimten worden weer gevuld met aardgas uit Rusland en andere landen. In de twintigste eeuw is in ons land een enorm gasnetwerk opgebouwd. Als ons gas straks op is, wil Nederland nog steeds de gasrotonde van Europa zijn en daarbij hoort ook de Bergermeer-gasopslag. Het is gewoon handel; in de zomer, als de gasprijs laag is, vult TAQA de ondergrondse opslag, en als de prijs hoog is, in de winter, dan verkopen ze het gas weer. Waarom is dat schaamteloos?

Voor de gasopslag moet TAQA miljarden investeren, en niet alleen in het oude gasveld. Naar verluidt zijn de bezwaren van de gemeente Alkmaar afgekocht met investeringen in hun industrieterrein. De bezwaren van de gemeente Heiloo zijn weggewerkt met de belofte van een eigen afrit van de autosnelweg A9. Nu blijft de gemeente Bergen met lege handen zitten, terwijl men mekkert over kabaal en trillingen tijdens het boren, over het verdwijnen van weidevogels en over mogelijke aardbevingen. Tegenwoordig heeft iedereen het over duurzaam, maar als het erop aankomt geen woord hierover, niet in de plannen, niet in de vergunning, niet op de spandoeken, niet in de gerechtelijke uitspraak. Niemand merkt op, TAQA niet, de minister niet, de gemeente Bergen niet, de milieubeweging niet, de Raad van State niet, wat deze miljardeninvesteringen werkelijk betekenen: dat we de komende veertig jaar gewoon doorgaan met het gebruik van aardgas alsof er geen vuiltje aan de lucht is, alsof er geen klimaatprobleem is. TAQA had plannen kunnen maken voor groen gas, de overheid had daarom kunnen vragen, en de milieubeweging, of de wethouder van GroenLinks. Maar nee, duurzaam is nu even niet aan de orde, de economie moet groeien, het industrieterrein moet uitbreiden, de afrit van de snelweg moet er komen, en Bergen moet niet mekkeren over de weidevogels of het beven van moeder Aarde.

Het kan allemaal nog schaamtelozer, zoals blijkt uit recente boeken over onze toekomstige energievoorziening.

‘Feasting on oil’

Op de wereldtentoonstelling in New York in augustus 1896 trok de stand van de Edison Illuminating Companies de meeste aandacht. Thomas Alva Edison was de beroemdste Amerikaan van dat moment, hij had een elektriciteitsnet aangelegd door heel Amerika. Tijdens een diner voor zijn managers zat naast de grote baas de jonge Henry Ford van Edisons Detroit Company en vertelde van zijn jongste innovatie: een gemotoriseerd voertuig op vier wielen dat zijn eigen brandstof in een tank meevoerde. Maar de 33-jarige Ford was niet meer zo zeker van zijn zaak en vroeg Edison of de verbrandingsmotor niet vervangen moest worden door een elektrische. ‘Blijf bij de verbrandingsmotor en benzine,’ zei Edison terwijl hij met zijn hand op tafel sloeg. ‘Het probleem met de elektrische auto is dat hij altijd in de buurt van een elektriciteitscentrale moet blijven.’ Die klap op tafel maakte een wereld van verschil, schrijft Daniel Yergin in The Quest, en niet alleen voor de jonge Henry Ford. Een eeuw later varen supertankers over de hele wereld in een ware zoektocht naar de onvoorstelbare hoeveelheden brandstof die wij thans nodig hebben om ons wagenpark en onze economie in beweging te houden.

Daniel Yergin won in 1992 de Pulitzer Prize voor non-fictie met zijn boek The Prize: The Epic Quest for Oil, Money & Power. Zijn nieuwste boek, The Quest: Energy, Security, and the Remaking of the Modern World, begint waar zijn vorige eindigt: bij het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, het einde van de Koude Oorlog en de hegemonie van de Verenigde Staten. Yergin stelt drie vragen: 1) Is er genoeg energie voor een wereldeconomie van nu 65 triljoen en straks 130 triljoen dollar? 2) Hoe garanderen we de voorzieningszekerheid? 3) Wat zijn de milieu- en klimaateffecten van het energiegebruik? Het is duidelijk waar Yergins hart ligt, hij is een echte ‘olieman’: meer dan de helft van The Quest gaat over vraag 1, meer dan een derde over vraag 2, terwijl vraag 3 nauwelijks aan bod komt.

Met verrassende anekdotes leidt Yergin ons langs de geopolitieke ontwikkelingen en de meest invloedrijke personen van de afgelopen twintig jaar.

We leren hoe Abramovic (de eigenaar van Chelsea, dat dit jaar de Champions League won) aan zijn miljarden kwam. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie kon het Kremlin de rekeningen niet meer betalen en verkocht zijn kroonjuwelen inclusief de verwaarloosde olievelden aan de Russische miljonair, die zich vervolgens kon verrijken tot miljardair.

Ook de achtergrond van de politieke onrust in de satellietstaten van Rusland wordt duidelijk. De gigantische olievoorraden in Azerbeidzjan, waarvan de exploitatie onder de communisten in verval raakte, maken nu van de stad Bakoe een tweede Abu Dhabi. Maar daarvoor moest er wel eerst een pijpleiding worden aangelegd, niet naar Rusland zoals Poetin wilde, maar dwars door Georgië en Turkije naar de Middellandse Zee.

Sakhalin is een eiland met enorme olie- en gasvoorraden; het ligt in de Stille Oceaan ten noorden van Japan, maar nog steeds in Rusland. Shell dacht: verder van Moskou kan je niet zijn, en investeerde twintig miljard dollar. Maar de lange arm van Poetin dwong Shell, na beschuldigingen van ernstige milieudelicten en het intrekken van vergunningen, tot het overdragen van de helft van de aandelen aan het Russische Gazprom.

Yergin beschrijft de wereldwijde zoektocht naar nieuwe olie- en gasvelden, niet alleen in de voormalige Sovjet-Unie, maar ook in Noord-Noorwegen, de Golf van Mexico, de Indonesische archipel, China, Australië, Afrika, het Midden-Oosten, Chili, Brazilië, Venezuela, Alaska en binnen de VS. Zijn boodschap is een klassieker uit de olieindustrie: overal waar je naar olie zoekt, daar zul je het vinden.

De grote vraag is: wanneer is de olieproductie over haar maximum heen, wanneer gaat die naar beneden? In The Quest ontkent Yergin het verschijnsel ‘peak-oil’, hij gelooft zelfs niet meer in een piek; zolang de economieën van China en India blijven groeien, zal de vraag naar olie en dus ook de productie blijven stijgen, om uiteindelijk een plateau te bereiken. Hij vindt wel dat de zoektocht naar olie een heroïsche onderneming is, en succesvol, want, aldus Yergin: ‘Just in the years 2007 to 2009, for every barrel of oil produced in the world, 1.6 barrels of new reserves were added.’ Dat is vreemd, want de website van zijn eigen instituut, IHS Cambridge Energy Research Assocation, laat in een tabel zien dat voor elk vat olie geproduceerd in de periode 2007 tot 2009 minder dan een half vat olie werd gevonden. Ook uit de jaarverslagen van Shell en BP blijkt dat zij de afgelopen vijf jaar meer olie hebben verkocht dan gevonden.

Yergins ‘optimisme’ – om geen ander woord te gebruiken – is opmerkelijk, temeer daar hij zich, als het om voorzieningszekerheid gaat, zorgen maakt om het verschijnsel ‘petro-states’, landen die in elk opzicht van elkaar verschillen – politiek, sociaal, economisch, cultureel, religieus, wat bevolkingsdichtheid betreft – maar één ding gemeen hebben: de export van olie en gas. Ze zijn lang niet allemaal lid van de OPEC, maar inmiddels hebben zij wel hun voorbeeld gevolgd. Zo zijn de lokale oliereserves, aangeboord door de grote oliemaatschappijen, nog maar voor de helft eigendom van de industrie, en voor de andere helft van de lokale oligarchie. Wat ‘petro-states’ ook gemeen hebben, is dat ze zich geen politieke of sociale onrust kunnen veroorloven. Voorbeelden zijn Venezuela, dat voor Chavez een zeer betrouwbare leverancier was, Iran voor Khomeini, Irak voor Saddam Hoessein en Libië voor Kaddhafi. Yergin herinnert ons nog aan een heel ander probleem van het verschijnsel ‘petro-state’, en dat is wat genoemd wordt ‘the Dutch disease’: dat een land veel te veel geld uitgeeft en de gas- of oliebaten niet bestemt voor toekomstige energievoorziening maar voor het financieren van overheidstekorten.

Net als Exxon, zijn vroegere werkgever, bagatelliseert Yergin milieu- en klimaatproblemen. De schade aan de kust voor Alaska door de Exxon Valdez ‘was a finite affair’. Over de ramp met het Macondo-platform van BP in de Golf van Mexico weet hij te melden: ‘The sea itself provided a major solution. The natural seepage of oil from fissures in the bottom of the Gulf – estimated to be as much as a million barrels of oil a year – combined with the warm waters, had nurtured microbes known as hydrocarbonolostic, whose speciality is feasting on oil. For them Macondo oil was an unexpected bonanza, and they went to work on it. As a result, the oil biodegraded and disappeared much faster than had been expected.’ En als het over klimaatverandering en CO2-emissies gaat, dan laat Yergin vooral de klimaatsceptici aan het woord, om ten slotte te concluderen dat wereldwijd de publieke opinie zo in twijfel is dat het tegengaan van de opwarming van de aarde geen prioriteit meer heeft en politieke maatregelen niet urgent gevonden worden.

Omdat milieu en klimaat voor Yergin geen issue zijn, kan hij optimistische getallen verspreiden over te winnen olie uit de teerzanden in Canada en Venezuela en schaliegas uit de rotsbodems in de VS, Canada, Brazilië, China en vele andere landen. Teerzanden zijn afzettingen van zand, klei, water en bitumen; de laatste zijn tot olieproducten te verwerken, en de voorraad teerzanden in Canada is vergelijkbaar met de olievoorraad van Saoedi-Arabië. De milieuproblemen met teerzanden zijn enorm: grote landoppervlakten worden ontgonnen, oerbossen worden gekapt, er is risico op meren vol giftig afval, de exploitatie leidt tot verhoogd waterverbruik en veroorzaakt een verhoogde emissie van broeikasgassen. Voor de winning van één vat ruwe olie uit teerzanden is een half vat olie nodig. Daarmee is de uitstoot van broeikasgassen voor een effectief gewonnen vat olie uit teerzanden dus ruim 1,5 maal zo hoog als bij een vat aardolie. De milieuproblemen die de winning van schaliegas met zich meebrengt, zijn zo mogelijk nog groter. Boringen alleen zijn niet voldoende, de boorput moet worden gestimuleerd. Dit gebeurt door hydraulisch openbreken van het gesteente, ‘fracking’: onder hoge druk worden grote hoeveelheden water, zand en chemicaliën ingespoten. Het mengsel van water en chemicaliën wordt dan weer opgepompt, waarna het moet worden afgevoerd en als zwaar chemisch afval verwerkt. Bovendien loopt men het gevaar van vergiftiging van het drinkwater.

Deze nieuwe methoden van olie- en gaswinning zorgen wereldwijd voor grote opwinding. Voor oliemannen als Yergin, die zich niet bekommeren om milieu- en klimaatproblemen, is de zoektocht naar olie en gas puur een kwestie van macht. En die ligt bij de grote oliemaatschappijen, want Exxon, BP en Shell pompen ieder maar liefst honderd miljoen dollar per dag in hun zoektocht naar olie en gas. Is dat niet schaamteloos ‘feasting on oil’?

Goed nieuws

‘Als het over energie gaat is het vaak moeilijk om zin en onzin van elkaar te onderscheiden.’ Aldus opent de Leidse fysicus Jo Hermans zijn Energie Survival Gids, die antwoord geeft op alle mogelijke praktische vragen uit het dagelijks leven. Zijn al die besparingen wel zinnig? Is de trein echt efficiënter dan de auto of het vliegtuig? Zijn die zorgen over het klimaat wel terecht? Brengen die windmolens eigenlijk wat op? Wordt zo’n zonnepaneel ooit rendabel? En is kernenergie wel verantwoord? In korte, heldere hoofdstukken geeft dit boekje praktisch inzicht in energiegebruik thuis, buitenshuis, in vervoer en industrie, in energievoorraden in Nederland, Europa en de wereld en in het broeikaseffect. Daarna volgen hoofdstukken die uitzicht bieden op de toekomst van zonne-energie, windenergie, energie uit water en bodem, kernenergie en opslag van energie. Wie snel antwoord wil op zijn vraag, kan in de meeste gevallen terecht bij de conclusies aan het eind van elk hoofdstuk. Wie meer wil, kan ook voorbeelden narekenen, want Jo Hermans geeft alle benodigde formules, getallen en grootheden.

Jo Hermans is bepaald geen pessimist, maar als het om fossiele brandstoffen gaat, komt hij tot heel andere conclusies dan Daniel Yergin: ‘Als in 2050 elke wereldburger het huidige energiegebruik van de gemiddelde Nederlander zou hebben, zou het wereldenergiegebruik 3,5 maal zo groot worden als het nu is. De fossiele brandstoffen zouden dan nog deze eeuw op raken.’ Hermans lardeert zijn tekst met aardige weetjes, zoals: elke vlam (bijvoorbeeld van een kaars) is ongeveer 100 watt, in een brander van het gasfornuis zitten 20 of 30 vlammetjes, dat is dus 2 respectievelijk 3 kW; een keukengeiser heeft 10 maal 10 vlammen, dat is dus 10 kW; conclusie: de gewone warmwaterkraan heeft maar liefst een vermogen van 10 kW nodig.

Kennelijk was dit boekje zo’n succes (en terecht) dat schrijver en uitgevers besloten hebben tot een nieuwe editie in het Engels, de Energy Survival Guide. De oorspronkelijke, Nederlandstalige uitgave was van 2008; het is de moeite waard deze te vergelijken met de Engelse tekst van vandaag, niet alleen omdat de verschillen laten zien hoe sterk de energiewereld in vier jaar tijd veranderd is, maar ook hoe schaamteloos sommige fysici daarmee omgaan.

Het meest opvallende en tevens onheilspellende is dat de ‘Goed Nieuws’-rubrieken uit de oorspronkelijke uitgave niet zijn overgenomen in de Engelse editie. Nu ging dat goede nieuws over duurzame ontwikkelingen in ons eigen land, maar so what; in de Engelse tekst hadden deze toch niet misstaan? Als een installateur in de Bijlmer laat zien dat je ook bij renovatie van bestaande hoogbouw forse energiebesparingen kan realiseren, als een Nederlandse ondernemer hotels op Curaçao koelt met zeewater, als de glastuinbouw energieleverancier wordt in plaats van slokop, en als Amsterdams huisvuil gebruikt wordt om gebouwen te verwarmen, stroom op te wekken en biogas te maken, dan blijft dat toch goed nieuws, ook in het Engels? En Hermans had er best bij mogen vermelden dat die installateur inmiddels is overgenomen door een landelijk opererend energiebedrijf en dat die ondernemer weliswaar in 2008 bijna een miljard euro omzet draaide met duurzame energieprojecten, maar inmiddels, mede door toedoen van datzelfde energiebedrijf, failliet is verklaard. Duurzame energie is niet langer een gesubsidieerd reservaat in de maatschappij, maar de snelste groeier in de vrijemarkteconomie.

In het hoofdstuk over zonne-energie staat een tabel met de ontwikkeling van een aantal karakteristieke gegevens over zonnecellen in het Nederlandse klimaat en de verwachtingen voor de toekomst. Kijken we naar de prijs van een compleet systeem, dan kostte dat in 1980 nog meer dan € 30/W, in 2007 was dat al gedaald tot € 5/W. En de verwachting was dat in 2030 de prijs voor een zonnepaneel onder de € 1/W zou zijn. Aldus de tabel in het boek van 2008. Gaan we nu naar de Engelse uitgave van vorig jaar, dan blijkt dat Hermans deze tabel domweg heeft overgenomen, hoewel het goede nieuws nu juist is dat de prijs van zonnepanelen al in de afgelopen vier jaar is gedaald tot minder dan € 1/W!

Zijn boek uit 2008 eindigt met een Epiloog over de Trias Energetica: we moeten ten eerste zo veel mogelijk energie besparen, ten tweede zo duurzaam mogelijk in onze energiebehoefte voorzien en ten derde deze voor zover nodig met schone fossiele brandstof aanvullen. In zijn Engelstalige editie ontbreekt deze Trias; het is alsof de auteur uit 2008 thans zelf niet meer gelooft dat ‘Een gemiddeld Nederlands huis voldoende energie-opwekkend vermogen heeft in het buitenoppervlak om aan de vraag naar elektriciteit en warmte (en eventueel koude) te voldoen’. Of is het niet meer waar dat: ‘… in theorie 9% van de Noordzee voldoende zou kunnen zijn om de landen rond de Noordzee van elektriciteit te voorzien’?

In de nieuwe, Engelstalige editie wordt de Epilogue gedomineerd door – het is haast niet te geloven – beschouwingen over kernenergie. ‘Since the nuclear disaster in Fukushima in March 2011 we have come to realise that the world is at a crossroad. Will nuclear fission plants be phased out (as, for example, Japan, Germany and Switzerland are planning), and will the world opt for a nuclear-fission-free future? Or will nuclear fission become a major energy source in the years to come? In the latter case nuclear energy, which generates 13.5% of the world’s electricity or about 5% of the total energy, will have to be expanded substantially to play a major role. This will necessitate a switch to breeder reactors in view of finite uranium reserves.’ Hier komt de aap uit de mouw: schaamteloos hebben Nederlandse fysici in de door hen gesponsorde Engelstalige editie fabels ‘geplugd’ over ‘inherent-veilige’ kerncentrales en ‘duurzame’ kernfusie. Zij kunnen of willen niet toegeven dat de dagen van kernenergie geteld zijn.

Ook in Fukushima, net als op Three Mile Island en in Tsjernobyl, blijken vermijdbare en verwijtbare fouten van de leiding en de medewerkers te hebben geleid tot het fatale verloop van de kernramp. Volgens de ingenieurs is de kans op een kernsmelting eens in de 100.000 reactorjaren, maar in de praktijk blijkt dat een op de 2000 reactorjaren te zijn. Kerncentrales zijn een factor 50 onveiliger door menselijk falen. De risico’s zijn zo groot dat niemand meer een kerncentrale kan bouwen of verzekeren zonder overheidsgarantie, ook niet in Nederland. Maar in de vrijemarkteconomie, waartoe energie thans behoort, zijn overheidsgaranties verboden. Dus worden er al decennialang bijna geen kerncentrales meer gebouwd, behalve in niet-democratisch geregeerde landen als China, Noord-Korea en Iran. Daarom is kernenergie op sterven na dood.

De schaamteloosheid voorbij

In één oogopslag is in bovenstaande figuur te zien hoe het is gesteld met de energievoorziening in de wereld: rechts de voorraden gas, olie, uranium en kolen, links de beschikbare hoeveelheid duurzame energie, met zonne-energie als de grote winnaar. Let wel, de bolletjes met fossiele brandstoffen geven de totale voorraden weer, terwijl bij de duurzame energie de beschikbare hoeveelheid per jaar wordt gegeven. Het kleine bolletje helemaal linksonder vertegenwoordigt het huidige jaarlijkse energieverbruik in de wereld, klein in vergelijking tot de hoeveelheid zonne-energie, maar vergelijkbaar met de beschikbare hoeveelheid fossiele brandstoffen. We zijn dus bijna door onze voorraad fossiele brandstoffen heen. Toch is er genoeg energie in de wereld, dankzij de zon.

Inmiddels is zonne-energie ook betaalbaar; voor nog geen € 5000 heeft u al een systeem op uw dak, groot genoeg om alle benodigde stroom op te wekken, ook voor uw auto, en voor de rest van uw leven. Nu is de grote uitdaging om zonne-energie overal en altijd beschikbaar te maken voor iedereen over de hele wereld. Wat daarvoor nodig is weten we: een world wide web van zonne-energie. Wereldwijd gaat de zon nooit onder, en als iedereen zijn eigen kleine zonnecentrale heeft en een nieuwe Edison al die kleine centrales in een groot netwerk met elkaar verbindt, dan is wereldwijd het energieprobleem opgelost.

In zijn bekende essays over vuur stelt Joop Goudsblom dat de mens door de eeuwen heen, met steeds verdere specialisatie en onderlinge samenwerking, steeds hogere vormen van vuurbeheersing heeft ontwikkeld. De mate van vuurbeheersing in een samenleving zou gezien kunnen worden als een maat van de onderlinge afhankelijkheid der leden, een maat van de beschaving van die samenleving. Als we straks naast internet en Facebook het World Wide Energy Web hebben, is dat dan geen toppunt van beschaving?