Democratie, gelijkheid en markt

Een paradijs waait uit de storm. Over markt, democratie en verzet, Thomas Decreus, EPO, 2013

Democratie en tegendemocratie, Pierre Rosanvallon, Boom, 2012

La société des égaux, Pierre Rosanvallon, Editions du Seuil, 2011

Democratie en vrije markt, dat zijn twee handen op één buik. Zo luidt althans het dominante vertoog, zeker in Noordwest-Europa en de Verenigde Staten. Maar wie deze koppeling in een breder historisch perspectief plaatst, is veeleer geneigd haar te beschouwen als een typisch product van de Koude Oorlog. De wonderbaarlijke implosie van het communisme die op deze ‘oorlog’ volgde, ontketende een ware overwinningsroes bij de ideologen van de vrije markt. Dit leidde tot een visie waarin de vrije markt als moreel superieur wordt beschouwd, een superioriteit die bij voorkeur gebaseerd wordt op de onverbrekelijke koppeling tussen markt en democratie. Maar inmiddels, een hardnekkige en nog steeds voortwoekerende kredietcrisis verder, komt de keerzijde van deze visie meer en meer aan het licht.

In Een paradijs waait uit de storm. Over markt, democratie en verzet stelt de jonge Leuvense historicus en politiek filosoof Thomas Decreus de koppeling tussen democratie en markt principieel ter discussie. Zijn betoog draait zelfs om de fundamentele onverenigbaarheid van markt en democratie, van marktsoevereiniteit en volkssoevereiniteit. Door zijn denivellerende en competitieve werking vormt de vrije markt een structurele bedreiging voor het streven naar gelijkheid en gelijkwaardigheid van alle burgers, het fundament voor een democratische samenleving. Grote inkomensverschillen belemmeren burgers om in gelijke mate deel te nemen aan de democratie, een notie die denkers als Aristoteles en Plato al voorstonden. Volgens Aristoteles kan de polis, de (stads)staat uit die dagen, alleen bestaan dankzij het goede en deugdzame leven. Het doel is veel hoger dan het kloppend maken van het huishoudboekje. Plato (zelf geenszins een democraat) acht het produceren uit winstbejag en het vergaren omwille van rijkdom fundamenteel strijdig met de deugd, en bovendien om pragmatische redenen verwerpelijk omdat te grote inkomensverschillen de stabiliteit van de polis ondermijnen, of deze nu aristocratisch of democratisch is.

Door de hele Europese Middeleeuwen en Renaissance heen blijft het idee overeind dat de economie slechts een subdomein van de politiek is en als zodanig geen zelfstandig en onafhankelijk maatschappelijk gebied. In de democratische revoluties van de late achttiende eeuw komt daar verandering in. De notie van gelijkheid neemt een belangrijke plaats in bij deze revoluties – denk aan het ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ van de Franse Revolutie – maar er komt ten opzichte van het denken over politiek en democratie uit de klassieke Oudheid een nieuw element bij: de scheiding tussen politiek en economie en als consequentie daarvan een strikte scheiding tussen de publieke en de private ruimte. Hiermee omvat het revolutionaire achttiende-eeuwse democratische denken al vanaf het allereerste begin een strikte tweedeling. Tegenover de nobele democratische principes van vrijheid en gelijkheid staat het feit dat deze principes alleen gelden voor de politiek, voor het publieke domein dus, en niet voor de economie, die definitief bestemd wordt tot privé-jachtterrein.

Maar jachtterrein voor wie? De louter op winstmaximalisatie gerichte zakenman had toen zeker nog niet de dominante positie in de economie die hij later zou gaan innemen. In het laatste deel van zijn drieluik over democratie (La société des égaux; een Nederlandse vertaling van de inleiding is opgenomen in Democratie en tegendemocratie) benadrukt de prominente Franse historicus en politiek filosoof Pierre Rosanvallon juist dat ‘de vrije markt’ in de achttiende eeuw nog nauwelijks was aangeraakt door de dynamiek van het industriële kapitalisme. Het was niet in de eerste plaats een economisch begrip, maar veeleer een sociologische categorie waarvan een sterk emancipatorische werking uitging. Op de arbeidsmarkt bevorderde zij een grotere onafhankelijkheid van de arbeider dan gilderegels en andere beperkende bepalingen tot dan toe hadden toegestaan. In het vroege achttiende-eeuwse liberalisme stonden matigheid en soberheid centraal, en niet het streven naar ongebreidelde groei en winstbejag. Niet voor niets schreef Adam Smith als aanvulling op The Wealth of Nations zijn The Theory of Moral Sentiments. Alle gepredikte soberheid doet echter niets af aan de constatering van Decreus dat de reikwijdte van democratie in de democratische revoluties van de achttiende eeuw beperkt werd tot het politieke domein, geheel overeenkomstig de denkwereld en de belangen van een bourgeoisie wier emancipatie in deze jaren in een stroomversnelling komt.

Er is hier sprake van meer dan een accentverschil. Waar Decreus in de achttiende eeuw al de wortels van het democratische tekort ontwaart dat het wezenskenmerk zou worden van onze liberale democratie, beschouwt Rosanvallon de democratische revoluties van de achttiende eeuw als de grote klaroenstoot die gelijkheid op de agenda van de geschiedenis heeft gezet (of als ‘de uitvinding van de gelijkheid’, zoals het eerste deel van zijn boek over gelijkheid treffend heet). Dit hoopvolle begin wordt in de daaropvolgende negentiende eeuw van het industriële kapitalisme lelijk verstoord door de ‘pathologieën van de gelijkheid’: het conservatieve liberalisme met zijn sociale ongelijkheid, het utopische socialisme en communisme, het nationale protectionisme en het geïnstitutionaliseerde racisme.

Na deze ‘eerste crisis in de gelijkheid’ valt tegen het eind van de negentiende eeuw echter het begin te ontwaren van de ‘eeuw van herverdeling’. Een herverdeling van inkomen en politieke macht die door drie pijlers wordt geschraagd: het algemeen kiesrecht, de vrije markt en de rechten van de mens. Een andere belangrijke factor die bijgedragen heeft tot het succes van deze herverdeling wordt wel kort besproken, maar krijgt mijns inziens niet het verdiende gewicht: de voortdurende wereldwijde dreiging van communistische revoluties tijdens de ‘korte twintigste eeuw’ (van de Oktoberrevolutie in 1917 tot de Val van de Muur in 1989). Zonder die ‘negatieve’ dreigende kracht waren de Europese sociaal-democratische bewegingen er nooit in geslaagd politieke en sociale concessies als het algemeen kiesrecht en de verzorgingsstaat af te dwingen en te behouden. Dat het tirannieke en totalitaire stalinisme decennialang onbedoeld voor de gunstige randvoorwaarden zorgde die de groei en bloei van sociale emancipatie- en bevrijdingsbewegingen in de ‘vrije’, kapitalistische wereld mogelijk maakten, mogen we toeschrijven aan de wrange dialectiek van de geschiedenis.

Dat er vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw een zeer ingrijpende verandering heeft plaatsgegrepen ten nadele van sociale gelijkheid is een besef dat bij beide auteurs volop leeft, al leggen zij verschillende accenten. Decreus typeert deze ontwikkeling als de ‘herprivatisering van het publieke’, als onderdeel van een verschuiving van volkssoevereiniteit naar marktsoevereiniteit. Dit proces neemt de gedaante aan van een inperking van de macht van de staat, maar dat is vooral gezichtsbedrog. Verworvenheden op het gebied van sociale gelijkheid en participatie worden inderdaad steeds verder afgebroken, maar onderdelen van het staatsapparaat die gericht zijn op repressie en het garanderen van een ongebreidelde ontplooiing van de privésector worden juist versterkt en uitgebreid. De groeiende macht van de vrije markt over een steeds breder terrein van de samenleving laat zich ondertussen op tal van vlakken voelen, ook op gebieden die voorheen nauwelijks tot niets met economie van doen hadden: zorg, wetenschap, burgerschap. De kwaliteit van de diensten en relaties is hier lang niet altijd bij gebaat – neem de vaak even lachwekkende als treurniswekkende effecten die het marktdenken heeft op de hedendaagse universiteit.

Maar de vrije markt tast ook het wezen van het burgerschap aan. Het achttiende-eeuwse republikeinse ideaal van de citoyen met oog voor het algemeen belang maakt plaats voor een geperverteerd neoliberaal burgerschap. Meer en meer wordt de ondernemer de modelburger bij uitstek. Hierdoor ontstaan ook nieuwe scheidslijnen tussen wie wel en wie niet als een goed burger beschouwd moet worden. De nieuwe vijanden van de neoliberale heilstaat worden de ‘profiteurs’, die het verdienen gemarginaliseerd en gecriminaliseerd te worden: vreemdelingen, asielzoekers, werklozen en mét hen ook de georganiseerde tegenkrachten tegen een ongebreidelde vrije markt, waaronder de om haar ‘conservatisme’ heden ten dage vaak gesmade vakbeweging, die immers het heilige spel op de arbeidsmarkt lelijk verstoort.

Ook Rosanvallon wijdt in het voorlaatste deel van zijn Société des égaux onder de veelzeggende titel ‘De grote ommekeer’de nodige aandacht aan deze ‘tweede crisis van de gelijkheid’ van de afgelopen drie decennia en behandelt deze op een aantal wezenlijke punten beduidend breder en dieper dan Decreus. Met het wegvagen van het communisme en het verdwijnen van het perspectief op sociale revolutie blijft een ‘reformisme van de angst’ over: een reformisme ontdaan van zijn veerkracht en niet in staat de verzorgingsstaat met succes te verdedigen. Een belangrijke oorzaak van de grote ommekeer legt Rosanvallon terecht bij de ingrijpende veranderingen die vanaf de jaren tachtig optreden in de organisatie van de arbeid. In het klassieke kapitalisme werd de arbeider gereduceerd tot uitwisselbare arbeidskracht. De gemechaniseerde productielijn wiste alle verschillen van leeftijd, sekse, afkomst en opleiding uit. De hedendaagse organisatie van het werk verschilt hiervan fundamenteel: individuele werknemerscapaciteiten als creativiteit en flexibiliteit worden steeds belangrijker en de strikte discipline van weleer heeft plaatsgemaakt voor interactief en probleemoplossend handelen onder steeds wisselende omstandigheden. De systematiek van strikte planning is ingeruild voor een benadering waarin permanente aanpassing centraal staat. Deze mutatie in de organisatie van de arbeid is in belangrijke mate een gevolg van de ontwikkeling van de kennis- en informatietechnologie van de laatste decennia.

Deze arbeidsindividualisering en de vaak geïdealiseerde groeiende autonomie van de werknemer in het hedendaagse ‘kenniskapitalisme’ zijn verraderlijk, aangezien de economische gezagsverhoudingen erdoor versluierd worden. De werkdruk is beslist niet afgenomen en het werk zelf is bovendien ingewikkelder geworden. De hedendaagse individuele arbeider, kenniswerker of niet, voelt zich veel sterker op zichzelf teruggeworpen dan in de fabriek van weleer, met alle stress en andere vormen van psychische druk als gevolg. Én met alle nadelige gevolgen voor de slagkracht van de sociale en politieke strijd voor meer gelijkheid en democratie. De centrale vraag is hier: waar liggen gegeven de huidige organisatie van de arbeid wél kansen voor een heropleving van de sociale emancipatie?

Rosanvallon beperkt zich in de analyse van zijn ‘grote ommekeer’ overigens niet tot de wereld van de arbeid. Hij signaleert een intensivering en veralgemening van de intermenselijke concurrentie en competitie over de volle maatschappelijke breedte. Daarbij wijst hij ook op de opkomst van wat hij noemt ‘de ideologie van de gelijkheid van de (gelijke) kansen’ die alle ruimte biedt aan groeiende meritocratische tendensen in de maatschappij. Wie dezelfde kansen krijgt als ieder ander en er meer van bakt, kan bogen op zijn eigen verdienste, wie er minder van bakt heeft dat aan zichzelf te wijten. De meritocratische ideologie verabsoluteert het individu en etaleert tegelijkertijd haar egalitaire karakter. En dat terwijl zij in de maatschappelijke werkelijkheid de ongelijkheid vaak juist verscherpt. Kortom: een ideologie die solidariteit en sociale samenhang van binnenuit uitholt en opvreet – vooralsnog met groeiend succes, naar het zich laat aanzien.

In welke richting kunnen werkzame remedies tegen de door Rosanvallon gesignaleerde ‘grote ommekeer’ en tegen Decreus’ herprivatisering van het publieke gezocht worden? Waar liggen de kansen voor meer machtsgelijkheid en emancipatie? Decreus en Rosanvallon bieden hiervoor wel relevante ingrediënten, maar op zichzelf zijn deze verre van toereikend.

Rosanvallon geeft in het laatste deel van La société des égaux een eerste ruwe schets van een toekomstige samenleving van gelijken. Hij stelt voor om de drie centrale principes van de democratische revoluties van de achttiende eeuw – gelijkheid, individuele autonomie en participatie – voor de eenentwintigste eeuw te herijken door ze te vertalen in singulariteit (de erkenning van de uniciteit van ieder mens), wederkerigheid en saamhorigheid. De singulariteit zou zich in deze individualistische tijden als de grote onthuller van oude en nieuwe vormen van discriminatie kunnen gaan ontpoppen. De wederkerigheid zou de basis kunnen vormen voor de nu zo node gemiste sociale cohesie en insluiting. Een doeltreffende politiek van de wederkerigheid heeft echter alleen kans van slagen als beleidsmakers en burgers de moed kunnen opbrengen om zonder taboes van laag naar hoog de feiten te onderzoeken en de daaruit gebleken misstanden aan te pakken, van uitkeringsfraude tot en met belastingfraude.

In het toekomstperspectief van Decreus staat het concept van democratie als verzet centraal. Niet voor niets hebben het verzet en de revoluties van de laatste jaren steeds democratie in de breedste zin van het woord als inzet. Geen democratie in een vaste, vooraf te bepalen vorm, maar als een autonoom proces waarin contestatie een sleutelrol vervult. Dat verzet wordt op alle fronten geleverd, niet in de laatste plaats op het politieke front. De liberale parlementaire democratie is au fond immers niet meer dan ‘electieve aristocratie’. Alleen dankzij het verzet van de georganiseerde arbeidersbeweging werd in de loop van de negentiende en de vroege twintigste eeuw het censuskiesrecht vervangen door algemeen kiesrecht. Het aristocratische wezenskenmerk van de liberale parlementaire democratie wordt echter steeds opnieuw gereproduceerd in de spreekwoordelijke kloof tussen politieke elite en burger. Stemmen is en blijft een kwestie van macht afstaan.

Beide perspectieven op democratie en gelijkheid in de eenentwintigste eeuw missen essentiële bestanddelen. Zonder de door Decreus centraal gestelde contestatie kunnen de singulariteit, wederkerigheid en saamhorigheid van Rosanvallon makkelijk ontaarden in een reformisme van de angst. Onwillekeurig komt dan het bekende beeld naar boven van welwillende sociaal-democratische bestuurders die hun beleid ‘met meel in de mond’ vergeefs pogen te verdedigen. Maar verzet alleen biedt op zijn beurt evenmin voldoende munitie voor een constructief toekomstperspectief. Misschien zouden we een aanzet tot zo’n nieuw perspectief kunnen zoeken in de wereld van de arbeid?

Alle arbeidsbesparende technologie ten spijt zal de mens van de eenentwintigste eeuw eerder meer dan minder tijd aan werk kwijt zijn, hetgeen onder meer verband houdt met de in deze eeuw in meerdere delen van de wereld optredende vergrijzing. Democratisering van het arbeidsproces zou juist de sleutel kunnen vormen tot het succesvol aanvechten van de allesoverheersende positie van de markt. De arbeidersbewegingen van de negentiende en twintigste eeuw liepen op drie benen: de politieke partij, de vakbeweging en de coöperatie. De derde poot is in de loop der tijd deels afgestorven, deels vercommercialiseerd onder de groeiende invloed van de vrije markt. Maar in tal van sectoren beleeft de coöperatie recentelijk juist een renaissance. Daarbij lijkt met name de (duurzame) energiesector interessante kansen te bieden, niet alleen vanwege de duurzame zaak zelf, maar ook vanwege het groeiende strategische belang van de sector. Zulke coöperatieve reacties hebben echter alleen kans van slagen als zij politiek worden ondersteund, niet alleen in de vorm van wetgeving en beleid, maar ook door buitenparlementaire actie waarin het verzet van Decreus op essentiële momenten de doorslag zou kunnen geven. Een op dergelijke wijze politiek actief opererende coöperatieve beweging sluit niet alleen aan bij de hedendaagse individualisering van de arbeid, bij de singulariteit dus, maar ook bij de wederkerigheid en de saamhorigheid in het gedachtegoed van Pierre Rosanvallon. Wanneer komt deze auteur van L’âge de l’autogestion (Het tijdperk van het (arbeiders)zelfbestuur) uit 1976 met een eenentwintigste-eeuwse remake van zijn jeugdzonde? Of was het juist zijn jeugdliefde?