Op uitnodiging

Steeds vaker springen de lampen, vind ik meer scharen
dan ik ooit kocht. De oplossing moet van een mannetje komen
dat weinig inneemt, staand zijn boterhammen eet en vertelt
hoe ik om moet gaan met elektriciteit.

Muziek zoekt hij met zijn ogen, hij weet van metalen
die ik slechts bij element en atoomnummer ken, hij lacht
de kamer al groter, zijn broek is gereedschap, verhalen
plakken aan zijn pijpen – zorg dat er niets ontsnapt.

Inspectie biedt alle reden tot slaan, het gebeurt, kort.
Ik had beter moeten weten; de vlam in de geiser,
de zuren van mijn huid, handschoenen mens –
ik had handschoenen moeten dragen.

Ik weet van de zee, ik weet van mensen, hoe hij net als ik
adem zoekt, even warm is – niets doet het nog.
Een vloer vol onderdelen.

Carnivale

Mijn eerste nachten op de Rozenstraat,
waar ik wakker onder de balken lig
een storm over mijn dak trekt
de wind tracht te draaien.

Op de verdieping onder mij bestiert een narcist
zijn harem van drie manke vrouwen, waar hij ‘hond’
tegen schreeuwt wanneer ze zich als dieren gedragen.
Een huwelijk

met een verlamde kunstenares die – elke dag
naar buiten gereden – als uithangbord fungeert
met de zwakste van hen, die op een dag
een andere wereld in moet vallen – het duurt

Er is ook liefde
niet voor mens, maar voor wollen truien,
een obsessieve pas, naderend gerinkel.

De derde zegt dingen als:
‘Er stond een neger in de gang vannacht.
We dachten dat het een inbreker was.’