Shining India, de keerzijde

door Jan Pronk

Behind the Beautiful Forevers: Life, Death, and Hope in a Mumbai Undercity, Katherine Boo, Penguin Books India, 2012

At Work in the Informal Economy of India: A Perspective from the Bottom Up, Jan Breman, Oxford University Press, 2013

The Long Road to Social Security: Assessing the Implementation of National Social Security Initiatives for the Working Poor in India, K.P. Kannan en Jan Breman (red.), Oxford University Press, 2013

In haar boek Behind the Beautiful Forevers beschrijft Katherine Boo hoe mensen weten te overleven in Annawadi, een slum in de buurt van het vliegveld van Mumbai. Het is een verhaal over leven, dood en hoop – aldus de ondertitel – aan de rand van het menselijk bestaan. Het boek leest als een roman, maar het is een fascinerend journalistiek verslag, door Boo opgetekend na drie jaar met de slumbewoners te hebben opgetrokken. Het kan ook gelezen worden als een antropologische studie, maar Katherine Boo voert zichzelf niet ten tonele als ooggetuige, interviewer of commentator. Wat zich in en rond Annawadi afspeelt, wordt geheel van binnenuit verteld, bezien met de blik van vooral de kinderen, die eigenlijk geen kinderen meer zijn. Zij leven van wat anderen voor hen overlaten, en zij vechten om een deel daarvan. Sommigen overleven door afval in te zamelen van hotelgasten, vliegreizigers en de welvarende middenklasse in de stad, die zich steeds verder uitbreidt als voorpost van Shining India. ‘Everything around us is roses,’ zegt een jongen, ‘and we’re the shit in between.’ De strijd om het bestaan, onderlinge conflicten, prostitutie, corruptie, wetteloosheid, rechtsverkrachting, vuilnis en armoede worden beschreven zonder opsmuk, niet larmoyant, maar feitelijk en hard.

Katherine Boo schreef haar boek uit verwondering: hoe komt het dat steeds grotere ongelijkheid onze steden niet doet imploderen? Ze geeft in een nawoord een tentatief antwoord: de onzekerheid van het dagelijks bestaan dooft de hoop en de verwachtingen die mensen koesterden toen zij nog jong waren. De samenleving doodt de moraliteit, want, aldus Katherine Boo, de maatschappelijke omstandigheden van het bestaan saboteren de aangeboren capaciteit van mensen om moreel actief te zijn – ze maken het leven in de undercity zo ongewis dat mensen elkaar gewoonweg niet meer kúnnen ondersteunen, laat staan in verzet kunnen komen.

In zijn recent verschenen studie At Work in the Informal Economy of India toont Jan Breman zich kritisch over conclusies die de ‘schuld’ voor hun misère bij de slachtoffers legt. Hij trekt een andere conclusie: ‘remaining mired in poverty in the undercity is not the failure or shortcoming of the down and out but stems from outside culpability, the politics and policies as directed and imposed from overcity’. Net als Katherine Boo heeft Breman participerend veldonderzoek gepleegd; niet drie jaar, maar decennialang (vanaf het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw), en dan vooral op het platteland en in de kleinere steden in Gujarat, in Noordwest-India. Geen enkele Nederlandse onderzoeker van ontwikkelingsprocessen heeft zo lang te midden van de armste bevolkingsgroepen gewoond en gewerkt om ter plekke maatschappelijke veranderingen te bestuderen die van invloed zijn op de bestaansmogelijkheden. Hij heeft zijn bevindingen in een flink aantal boeken neergelegd, waarvan de meeste werden gepubliceerd in het buitenland. Zo is een indrukwekkend interdisciplinair oeuvre ontstaan; een combinatie van sociologische, antropologische en economische analyse op basis van periodiek herhaalde eigen waarneming, talloze interviews en zelf verzamelde statistische gegevens en tijdreeksen.

Bremans laatstverschenen studie is een samenvattende analyse van al die bevindingen. Hij bestrijdt de heersende theorie dat ontwikkeling plaatsvindt doordat urbanisatie en industrialisatie in de moderne formele economie steeds meer arbeid en welvaart verschaffen aan mensen die in de traditionele landbouw geen emplooi meer vinden. In die theorie is een speciale plaats ingeruimd voor de zogeheten informele sector. Industrie en steden oefenen aantrekkingskracht uit op overtollige arbeid in de landbouw, waardoor migratie plaatsvindt van het platteland naar de stad. Dat arbeidsaanbod kan niet direct worden geabsorbeerd, maar vindt voorlopig emplooi in de informele sector, deels in de marge van de industrie, deels in de bouw, het transport, de handel en de dienstverlening. De transformatie van agrarische naar industriële samenleving kost nu eenmaal tijd, zo is de gedachte. Scholing van immigranten, aanpassing aan moderniteit en gezamenlijke actie bereiden tezamen de weg naar formalisering van arbeidsvoorwaarden, hogere lonen, meer zekerheid en emancipatie.

Dat, zo stelt Breman, is een vertekening. In werkelijkheid speelt zich het tegenovergestelde af: toenemende informalisering van de arbeid, circulaire migratie (zowel op het platteland zelf als tussen platteland en stad) en steeds meer ongeregeld los werk. Dat is mede het gevolg van veranderingen op het platteland zelf. Een halve eeuw geleden waren veel landarbeiders in meerdere opzichten onderworpen aan grondbezitters. Tegenover lijfeigenschap stonden patronageverplichtingen. Die verhoudingen werden verbroken door de invoering van kapitalistische productiestructuren in de landbouw. Dat mag gelden als een soort van vooruitgang, maar wel een die werd gekocht met toenemende en aanhoudende ontbering. Steeds meer landarbeiders die werkzaam waren bij grotere boeren, maar ook zelf een stukje land bezaten, raakten land-arm als gevolg van demografische ontwikkelingen, en landloos doordat zij hun schulden aan woekeraars en de landeigenaren bij wie zij in dienst waren niet meer konden voldoen. Na van hun land te zijn verdreven, restte hun niets anders dan ergens anders tijdelijk werk te zoeken, op het platteland dan wel in de stad.

Dit leidde tot stromen van continu rondtrekkende arbeiders, nomaden, die onderhand een gigantisch reserveleger van arbeiders zijn gaan vormen. Breman omschrijft hen als de ‘nowhere people, footloose, mobilized in immobility’. Zij migreren niet, maar circuleren. Zij blijven gevangen in een onderklasse, de undercity en een underground economy, waaruit zij niet kunnen ontsnappen en waar hele gezinnen, inclusief de kinderen, verstrikt raken in nieuwe vormen van lijfeigenschap, onderhorig aan arbeidsbemiddelaars en schuldeisers. Breman beschrijft hoe een massa ongeschoolde arbeiders, om in het levensonderhoud te voorzien, geen andere keus heeft dan onvoorwaardelijke onderwerping aan het dictaat van de productie. Die onderwerping gaat zover dat zij nauwelijks zeggenschap hebben over hun eigen leven, haast als de koelies van weleer. Hun uitbuiting wordt nog verzwaard door discriminatie. Zij betalen hogere tarieven voor basisvoorzieningen als water en medicijnen, of voor voorschotten om in het levensonderhoud te voorzien. Zij zijn slachtoffer van dwang en geweld door criminele bendes, en van corruptie en willekeur door gezagsdragers, inclusief de politie.

Die informele economie functioneert dus helemaal niet als een tijdelijke buffer voor migranten uit het achterland en uiteindelijk als doorgeefluik naar de formele economie, maar als een permanent uitdijende wereld ‘daar beneden’. Dat werd in de hand gewerkt doordat eerder beleid om integratie te bevorderen en arbeidsvoorwaarden te formaliseren werd opgegeven: twintig jaar geleden werd informele arbeid plots niet langer voorgesteld als probleem, maar als oplossing. De gedachte was nu dat meer tijdelijk en onregelmatig werk, meer flexibilisering en minder bescherming in het belang waren van de arbeiders zelf, omdat dit zou resulteren in meer werkgelegenheid en hogere lonen.

De Indiase regering wist zich bij deze bekering tot het neoliberalisme gesterkt door haar partners in het buitenland: bedrijven en regeringen die een open en vrije wereldmarkt nastreefden ten behoeve van hun export en hun internationale investeringen. Ook internationale organisaties als de Wereldbank stuurden aan op liberalisering, deregulering en flexibilisering – en dus informalisering – van arbeid. Breman citeert Wereldbank-rapporten uit de jaren negentig en daarna, waarin stelling wordt genomen tegen overheidsbeleid om de werkgelegenheid en de levensomstandigheden op het platteland te bevorderen, bijvoorbeeld door middel van publieke werken en investeringen in drinkwater en sanitaire voorzieningen. Die zouden immers kunnen resulteren in een geringere arbeidsmobiliteit, en dat diende te worden voorkomen.

In tegenstelling tot de rechten van werknemers werden die van kapitaalverschaffers geformaliseerd. Bedrijven mochten niet belemmerd worden door wettelijk vastgelegde arbeidsvoorwaarden. Vrijmaking van het kapitaalverkeer kon worden bewerkstelligd via internationale onderhandelingen en door dwang uit te oefenen op tegenstribbelende landen. De bevordering van vrij verkeer van kapitaal ging ver en strekte zich uit tot ver buiten het domein waarbinnen de overheid nog controle kon uitoefenen. Toen dit uiteindelijk resulteerde in een internationale financiële crisis die ook India niet ongemoeid liet, verklaarden mainstreameconomen, en ook de Wereldbank, dat de informele economie een nuttige rol vervulde als vangnet voor mensen die door bedrijven uit de formele economie werden ontslagen. Omdat de informele sector naar zijn aard flexibel, creatief en veelvormig was, zou hij ontelbare nieuwkomers kunnen opvangen – die hoefden dan niet te worden voorzien van werkloosheids- en andere sociale uitkeringen. Maar die veronderstelde onverzadigbaarheid van de informele economie is een mythe, schrijft Breman: ook in de informele sector vindt verdringing plaats en daarmee verdere verpaupering.

De informele economie, kortom, is dus niet beperkt tot industrie en dienstverlening in de stedelijke economie, maar betreft een stelsel van arbeidsverhoudingen dat zich uitstrekt tot de landbouw en de plattelandseconomie als geheel. Vaak wordt verondersteld dat het werk in de informele economie wordt verricht door kleine zelfstandigen (pachters, thuiswerkers, riksja-rijders, straathandelaren, enzovoort). Ook dat is schijn. Zodra de productiemiddelen die nodig zijn om het werk te verrichten – de grond, de werkplek, de riksja, te verhandelen goederen – eigendom zijn van kapitaalbezitters die naar willekeur tarieven kunnen opleggen, kan van zelfstandigheid geen sprake meer zijn. In die verhoudingen verwordt economische afhankelijkheid tot horigheid.

De relaties tussen de formele en de informele sector versterken het dualistische karakter van de economie als geheel. Dat ontwikkelingsprocessen inherent dualistisch zijn, is bekend. Terwijl in meer klassieke ontwikkelingstheorieën economieën en samenlevingen als een evenwichtig geheel werden gezien, droegen economen als Boeke, Lewis en Prebisch bij tot het inzicht dat kapitaal, technologie en moderniteit in nieuwe economische sectoren lange tijd gebruik kunnen maken van overweldigende hoeveelheden goedkope arbeid en grondstoffen afkomstig uit meer traditionele en stagnerende delen van de economie, doch niet ongelimiteerd. Want naarmate de vraag toeneemt en het aanbod geringer wordt, zal de prijs van grondstoffen en arbeid stijgen en de economie vanzelf een minder dualistisch karakter krijgen.

In westerse landen heeft het ontwikkelingsproces zich langs deze lijn voltrokken, deels omdat de staat ging bemiddelen tussen kapitaal en arbeid. Daarbij speelden niet alleen sociale motieven een rol, maar ook rationele overwegingen: een stabiele samenleving en toenemende koopkracht voor alle burgers werden noodzakelijk geacht om economische groei te bestendigen. Echter, zo schrijft Breman, in tal van ontwikkelingslanden doet zich iets anders voor. Formele en informele sectoren staan niet naast elkaar, maar raken onderling sterk verweven. Alle sectoren van de moderne kapitalistische economie in India bloeien mede dankzij de voortdurende toepassing van informele arbeid tegen de laagst mogelijke kosten, zowel in de industrie en de landbouw als in dienstensectoren: lage lonen, irregulier werk, abominabele arbeidsomstandigheden, weinig uitgaven voor sociale zekerheid, basisvoorzieningen, onderwijs, gezondheidszorg en algemene lotsverbetering van werkers in de onderklasse en hun gezinnen. En de staat speelt geen bemiddelende rol meer. Die is na de omarming van het neoliberalisme niet alleen opzij getreden, maar heeft ronduit de kant van het kapitaal gekozen.

Dat dit proces zich zo voltrekt, wordt aangetoond in een andere studie die dit jaar verscheen, onder redactie van Jan Breman en de Indiase econoom K.P. Kannan: The Long Road to Social Security. Hierin brengen zij de bevindingen van een groot aantal wetenschappelijke onderzoekers bijeen omtrent de sociale zekerheid van de werkende armen in India. Ongeveer 90 procent van de werkers in India is werkzaam in de informele economie. Daarvan hoort 80 procent tot een arme huishouding. Oftewel: honderden miljoenen inwoners van India zijn nog steeds arm. Ongeveer 70 procent van de bevolking leeft beneden de armoedegrens, zoals is vastgesteld door een speciale Nationale Commissie. Die grens ligt weliswaar hoger dan de officiële armoedegrens, maar die laatste wordt door de auteurs niet serieus genomen, omdat deze ver beneden het niveau van de minimale kosten van levensonderhoud ligt. Bovendien neemt de ongelijkheid in India toe, en dat terwijl de economische groei jarenlang ongekend hoog is geweest.

Breman c.s. houden de overheid hiervoor verantwoordelijk. De uitvoering van sociale wetten schiet al decennia tekort en wordt stelselmatig gesaboteerd. Datzelfde geldt voor nieuw beleid om de werkgelegenheid te bevorderen via publieke werken, een verzekering tegen ziektekosten breed toegankelijk te maken en een systeem van sociale zekerheid in te voeren ten behoeve van de armste bevolkingsgroepen. Deze sabotage wordt in The Long Road uitvoerig gedocumenteerd voor vier deelstaten: Punjab, Odisha, Andra Pradesh en Gujarat. Alleen in Kerala is de situatie beter.

India blijft een land van grote armoede en bovenmatig gebrek. Dat de kloof tussen arm en rijk groter wordt, is niet het gevolg van onvermijdelijk tekortschietend overheidsbeleid in een overgangsperiode. India ontwikkelt zich niet van arm ontwikkelingsland tot opkomende wereldmacht opdat armere bevolkingsgroepen even later ook kunnen delen in de toegenomen welvaart. Nee, zo analyseren de auteurs, het in stand houden van armoede en ongelijkheid is juist beleid. Een beleid dat wordt gekenmerkt door onverschilligheid, neerbuigendheid, ontkenning, manipulatie, zelfverrijking en bewuste uitsluiting, waarin minderheden tegen elkaar worden uitgespeeld en opgezet.

Wanneer de markt vrij spel krijgt, publieke voorzieningen worden afgebroken en de staat terzijde treedt, hebben kwetsbare groepen weinig te verwachten. Wanneer de staat ten gunste van de bourgeoisie en de middenklasse partij kiest voor het kapitaal en zich opstelt tegenóver lagere klassen, ontstaat er een klimaat waarin de kwetsbaarste groepen op de bodem van de samenleving niet samen ergens voor opkomen, maar elkaar bevechten om de kruimels. Zo wordt de weg geplaveid naar sociaal darwinisme: achterblijven is de eigen schuld, men krijgt wat men verdient, de sterksten bolwerken het zelf wel, dat is goed voor de samenleving als geheel, en dit proces dient niet verstoord te worden door publieke actie om deprivatie en ongelijkheid tegen te gaan.

Shining India? Het is maar waar men wil zien. Al vlakt de economische groei momenteel ook daar af, de welvaart van de hogere en de middenklasse is de afgelopen twintig jaar inderdaad ongekend snel gestegen. Voor hen schijnt inderdaad de zon. Maar mag een dynamiek die mogelijk wordt gemaakt door grote delen van de bevolking uit te buiten en uit te sluiten wel gelden als ontwikkeling? Breman beschrijft Surat, een groeipool in Gujarat, als een industriële jungle naast een beerput. Het is hetzelfde beeld als dat van Katherine Boo: Mumbai, metropool naast vuilnisbelten. India: glanzende overvloed naast structureel en schrijnend gebrek.

De conclusie moet luiden dat India’s groei niet tot stand komt ondánks ongelijkheid, maar erdóór. Een ontwikkelingsproces als dat van India, dat ongelijkheid schept en vergroot, kan niet duurzaam zijn. Het is niet vol te houden. In moreel opzicht niet, omdat een onderklasse het recht op een behoorlijk bestaan wordt onthouden. Economisch niet, omdat de onderklasse geen koopkracht ontwikkelt en dus ook de productie op langere termijn niet kan ondersteunen. Politiek niet, omdat dit repressieve systeem zal leiden tot antagonisme en verzet.

Maar zal dat laatste gebeuren? Katherine Boo verwacht van niet, omdat de hoop van iedere generatie opnieuw wordt gedoofd voordat die iets kan uitrichten. Breman neemt juist toenemende assertiviteit in de undercity waar. Wat betekent dat in bredere zin? Hoewel beiden waken voor al te makkelijke generalisaties, willen zowel Boo als Breman hun waarnemingen en conclusies wel breder trekken. Annawadi staat op zich, schrijft Boo, maar zij voegt daaraan toe getroffen te zijn door de overeenkomsten met andere door haar bezochte plekken bevolkt door arme mensen. Gujarat is niet hetzelfde als India, en India is de wereld niet, aldus Breman, maar hij voegt eraan toe dat het kapitalisme meer dan ooit geglobaliseerd is en overal op dezelfde perfide wijze functioneert: onwillig om een substantieel deel van de mensheid, waar dan ook ter wereld, in staat te stellen op voet van gelijkheid volwaardig deel te nemen aan het economisch leven, als producent, als consument, als mens.