Wat blijft hangen (IV)

1

Op zoek naar een echo van het woord ‘privacy’ (zoals dat vaak op afgemeten, verontwaardigde toon wordt uitgesproken door mensen die heel erg bezig zijn met waar ze ‘recht’ op hebben, en met wier persoonlijke levenssfeer je niets maar dan ook niets van doen wilt hebben) stuitte ik in mijn geheugentheater op een strofe uit de in de hoogtijdagen van de ‘Nieuwe Stijl’ geschreven en aan het fenomeen ‘nieuwbouw’ gewijde cyclus ‘Building’ van Hans Verhagen:

Elke ruimte wordt tot op de mm. benut,
De laatste mm2 naar persoonlijkheid:

1. gemeenschapszin 2. eenzaamheid 3. gemeenschappelijke privacy

(Uit: Sterren, Cirkels, Bellen, 1968)

In een bezielde wereld was die laatste mm2 – de punt van een naald ongeveer – groot genoeg om hele scharen engelen de chachacha op te laten dansen. En nu zijn we (what were we thinking?) dankzij internet, mobieltjes, rugzakjes en rolkoffertjes voortdurend overal en nergens tegelijk (‘Waar ben je?’) – in onze totale (en totalitaire) bereikbaarheid voor anderen onbereikbaar geworden voor onszelf. Ziedaar het grote gemeenschappelijke privacyprobleem. We hebben altijd zielsgraag ook nog iets voor onszelf willen houden, iets heel essentieels was het, zeker weten – maar wat ook alweer?

2

Het zinnetje ‘I never saw the movie, I only saw the poster in the lobby of the theater’, afkomstig uit een lang, ergens in de woestijn van Nevada eindigend verhaal waarmee ik Bruce Springsteen ooit zijn naar de gelijknamige film met Robert Mitchum vernoemde nummer ‘Thunder Road’ heb horen aankondigen, en dat, behalve een ijzersterke Carvereske openingszin van een roman, een uitstekende samenvatting is van de situatie waarin veel van de protagonisten uit zijn songs in het leven zijn komen te verkeren. Vervuld geraakt van de grote verwachtingen die er door de alomtegenwoordige reclameborden voor de Amerikaanse Droom zijn gewekt, maar door pech, buitensluiting, afkomst, moedwil en misverstand nooit toegekomen aan de verwezenlijking ervan – en toch, tegen beter weten en de wanhoop in, nooit opgehouden die droom te blijven dromen. No retreat, no surrender.

Aan de andere kant, en dat vertelt dat zinnetje ook: soms heb je aan het zien van de poster genoeg, wordt wat dat ene beeld oproept de aanjager voor een heel eigen film in je hoofd, op papier, vinyl, het doek of de straat. Ik herinner me hoe ik vroeger – en niet alleen als kind – heel lang kon staan staren naar de filmfoto’s die in de glazen vitrines buiten of in de hal van de bioscoop hingen. Filmtijdschriften of filmrubrieken op televisie waren er nog niet, laat staan trailers of piratenbaaien. Je had alleen die paar foto’s die in een neonverlichte vitrine hingen – en hier en daar nog steeds wel worden opgehangen, maar de echte magie, het gevoel voor een doorkijkje naar een andere werkelijkheid te staan, is verdwenen, opgelost in de grote beeldenstroom die ons voortdurend tot aan de lippen staat.

Heel lang was ik destijds ook te jong om naar binnen te mogen (nog geen veertien, daarna nog geen achttien, en er werd streng gecontroleerd), maar dat was oké, er was zo veel waarvoor je de leeftijd nog niet had – het was zoals het was – en toen ik eenmaal wel naar binnen mocht, zat ik in het donker in spanning te wachten op het moment dat het beeld op het grote doek zou samenvallen met het beeld zoals ik dat buiten in de vitrine had gezien, als een soort bevestiging van iets, de magische kracht van de verbeelding misschien wel. Maar het kwam niet, dat moment, althans nooit helemaal: op een of andere manier bleek het onmogelijk het precieze moment aan te wijzen dat de foto die buiten hing genomen moest zijn. De minieme vertraging tussen het waarnemen van de still en het echte bewustzijn dat je hem zojuist in de flow op het doek voorbij had zien komen, maakte dat hij inmiddels al een kleine transformatie had ondergaan. Zo’n still bleek opeens helemaal niet stil te zijn, maar het nabeeld van een even specifiek als ongrijpbaar déjà vu – een verschijnsel dat tot op de dag van vandaag mijn perceptie van de werkelijkheid heeft bepaald.

3

Maar vooral ook dit: de manier waarop het jazztrio van Kris Defoort, en dan vooral de drummer, de Vlaamse, godvergeten acteur Josse de Pauw begeleidt in diens mede door de muziek van de heilige Thelonious geïnspireerde solovoorstelling An Old Monk – waarin De Pauw, gekleed in een goedkoop ogend, verfomfaaid grijs pak dat hem naakter maakt dan naakt, in een nu eens gracieus en jeugdig, dan weer hoekig, zwaargewond existentieel dansje, alsof het niets is, binnen een uur de hele condition humaine samenvat. Dromen en verlangens, verzengende passie, slepende woede, angst en twijfels, verzet, verval, en ten slotte de dood die aan de deur komt kloppen maar nog even in de wacht wordt gezet – De Pauw verbeeldt ze, belichaamt ze en maakt ze voelbaar door ze ons, het verblufte publiek, in woord en gebaar, lijf aan lijf, soul to soul, voor te dansen op de nu eens wervelende, dan weer bedeesd of juist korzelig afgemeten of gedreven ritmes zoals die gedicteerd worden door een jongen van vijfentwintig die eruitziet als veertien, maar die met zijn blote handen nu al de geheime code van het bestaan heeft weten te kraken: namelijk dat alles, van de diep in de ingewanden van het heelal pulserende sterren tot de kleinste vonkjes in onze hersens en zenuwbanen, uit ritme bestaat, puur ritme, en daarom niets liever wil dan tot in lengte van dagen een dansje maken en nog een en nog een en, toe, alsjeblieft, nog eentje dan, al is het maar een dom huppeltje, een vogelverschrikkerspasje, een eenzame vuilnisbakkentapdans. Lander Gyselinck, want zo heet het drummende wonderkind, kan overal bij, geen enkel ritme ontgaat hem, hij laat ze allemaal gretig door zijn vingers gaan, maakt er nu eens een kaartenhuis van, dan weer een knekelhuis, of een vrolijke parade, spitsuur, een bestraffend salvo, een race tegen de klok, subtiel gekietel, een rondzingende hartslag, en verzamelt ze elk moment tot een orkaan van soepele swing waarin melodie en ritme laag na laag samenvallen, met in het oog van de storm, door onzichtbare draden verbonden aan de geest van Monk en het lijf van Pauw, schijnbaar onbewogen, zonder ook maar een druppel zweet te vergieten, ontspannen als een kind dat met zijn blokken speelt, alsof hij alleen maar, het hoofd een tikje schuin, goed hoeft te luisteren om zijn vellen en cimbalen de stilte te laten vertalen in het ritme van het leven: hijzelf – en tegelijk niet-zelf.