Eenpitters

Het was een heldere, koude novemberochtend, kwart voor negen. De voorgaande dagen had het gestortregend, de stoepen, de daken, de kalende bomen– alles was nog beslagen en verduisterd met vocht, maar nu deed de rijzende zon de wereld briljant flonkeren. Peter stond, de benen een stukje gespreid, op een garagepad dat voor de helft in beslag werd genomen door een vuilcontainer gevuld met valhout. Hij droeg bergschoenen en hield een dunne, donkerblauw gelakte metalen haak in zijn handen vast.

Het rolluik van de garage was geopend, evenals de achterdeur naar de tuin. Alle spullen waren naar de zijkanten geschoven en daar op elkaar gestapeld. Het aldus vrijgemaakte middenpad was net breed genoeg om doorgang te verlenen aan een klein model graafmachine op rupsbanden. Het grijsblauwe, met een laag stof overdekte geval bewoog zich met veel lawaai schokkerig vooruit, centimeter voor centimeter, en blies rookwolken uit. De pedalen en poken van het besturingspaneel werden bediend door een magere man met een warrige bos van blond naar asgrijs verkleurd haar en een lang rechthoekig gezicht dat enigszins aan een paard deed denken. Hij was gekleed in groene laarzen, een okergeel werkmanspak met rubberen kniestukken en zakken met ritsen, en een fluorescerend oranje veiligheidshesje. Zijn lichaam schudde mee op het ritme terwijl hij ingespannen aan de hendels trok.

Chris beweerde dat hij de nodige ervaring had met het besturen van zulke minishoveltjes, maar toch zag het er weinig vloeiend uit. Om de haverklap keek hij over zijn schouder, riep dingen die verloren gingen in de herrie en wenkte ongeduldig. Achter de trekhaak van het rupsvoertuig sleepten vijf op elkaar getaste zwarte kunststof rijplaten over de betonvloer, als langgerekte judomatten, maar stijver. Op strategische punten waren duimdikke gaten in de matten geboord. Tijdens het transport verschoven de matten ten opzichte van elkaar; het was Peters taak ze met de haak te corrigeren en door de schuur te geleiden zonder de eigendommen van de klant te beschadigen.

Chris leek het naar zijn zin te hebben op de graafmachine, als een kind op een nieuw stuk speelgoed. Peter daarentegen was minder te spreken over zijn rol als dommekracht. Waarom bevond hij zich zo geregeld in dezelfde positie: een oudere man uit de brand helpen met stompzinnige karweitjes?

Feitelijk kende hij Chris helemaal niet en was hij hem niets verplicht. Hij had hem twee weken geleden toevallig ontmoet. Chris deed toen een klus in de binnentuinen van het blok waar Peter woonde. Hij vernieuwde daar de bestrating. Peter knoopte een praatje met hem aan over stratenmaken; hij had dat zelf weleens geprobeerd, het was moeilijker dan het leek. Bij deze gelegenheid zei Chris: ‘Ik ben een eenpitter.’ Nadat hij die woorden had laten inwerken vervolgde hij: ‘Soms kan ik wel een tweede mannetje gebruiken. Nu moet ik steeds opstaan, stenen halen, weer gaan zitten. Maar Sempervirens heeft geen budget om iemand in dienst te nemen, begrijp je, veertig uur in de week, dát willen die jonge jongens, vastigheid, pensioenopbouw; ik snap het wel, maar dát kan Bruin niet trekken.’

In een opwelling van ja zeggen tegen de wereld gaf Peter hem zijn telefoonnummer. ‘Ik ben ook een eenpitter, net als jij. Tuinwerk is niet mijn specialiteit, maar ik kan wel sjouwen. Bel maar als je iemand nodig hebt.’

Later had hij spijt gekregen van zijn spontane aanbod. Hij hoopte dat hij nooit meer iets van Chris en zijn hoveniersbedrijf Sempervirens zou vernemen. Hij besefte dat Chris niet de eerste Chris in zijn leven was. Hij had handenvol Chrissen gekend, maar ze hadden andere namen en gezichten, dat was het bedrieglijke. Zoals meubelmaker Moelsma (‘Ik ben geen alcoholist, ik ben een bierliefhebber’) met zijn enorme werkachterstand en woedende klanten, die zijn hond uitliet op het dak van de werkplaats, waarna Peter de uitwerpselen kon opvegen. Of De Groot met zijn onderaardse bunker vol puin, waar hij een museum voor hedendaagse grafiek wilde stichten. Hoewel het stuk voor stuk beminnelijke persoonlijkheden waren, liepen de relaties met zulke lieden vroeg of laat spaak, omdat ze meer van hem verlangden dan hij bereid was te geven. En dan deinsde hij terug in een allergische reactie, verbrak het contact abrupt en voelde zich naderhand een ellendige verrader.

Jammer genoeg was Chris hem niet vergeten. Op een avond belde hij. Zijn stem was opgewonden. Sempervirens had een opdracht in Noord weten te verwerven, een grootschalige tuinrenovatie inclusief het uitgraven van een vijver. Chris zat dringend verlegen om extra mankracht. Hij beloofde een uurtarrief van achttien euro, wit, alles keurig officieel. Beschikte Peter over een VAR-verklaring? In bijna iedere zin bezigde Chris zijn roepnaam: ‘Kan ik op je rekenen, Peter?’, ‘Dag, Peter.’

Willoos liet hij zich ronselen. Hij had het gevoel dat hij er niet onderuit kon. Waar kwam dat gevoel vandaan?

Terwijl hij hierover piekerde en met de haak in de gaten van de matten porde, klonk vanaf de straat het piep-piep-piep van een lossende vrachtwagen. Met behulp van een takelinstallatie laadde de chauffeur een partij hardhouten palen, zakken stortcement en metalen roosters uit en landde die op de oprit.

De tuin, die uitliep op een steiger aan een sloot, maakte een verwilderde indruk. In het midden dreef een met rietkragen en woekerende bamboe omzoomde vijver in de vorm van een acht met een smalle overloop tussen beide cirkels. ‘Een lemniscaat,’ wist Chris, ‘symbool van de oneindigheid. Dat gaan we dus slopen.’ Hij wreef zich in zijn handen.

Na een hoop gehannes en brokken maken slaagden ze erin met de matten een soort van weg aan te leggen langs de noord- en westkust van de vijver. Een pomp was ondergedompeld in het water en verbonden met een tuinslang die naar de sloot afvoerde. De spiegel daalde langzaam.

Chris reed het graafmachientje naar een bamboewoud. Hij zei: ‘Pak jij nu de kruiwagens en zet ze neer in de buurt. Haal een mand uit de schuur voor het plastic afval. Dat mag niet in de container. Neem gelijk een bats mee.’

‘Een bats?’

‘Een vierkante schep. Staat om ’t hoekje. En die siertegels en zwerfkeitjes moeten hier weg. Ik heb een stabielere ondergrond nodig. Laten we ze bij elkaar op één hoop gooien, ze kunnen later van pas komen bij het opvullen van het gat.’

Het ging Peter te snel. ‘Ik ben nog niet klaar met die palen, roosters en zakjes stortcement. Misschien is het handiger als ik dat werkje eerst afmaak. Waar zal ik die dingen neerleggen?’

‘Zelf die koeienvlaai in je bovenkamer gebruiken, Peter. Verantwoordelijkheid nemen. Dat verhoogt de arbeidsvreugde. Bedenk jíj nou eens een plek in de tuin waar die rommel ons zo min mogelijk in de weg ligt.’

Het was al bijna middag en ze waren minder opgeschoten dan redelijkerwijs te voorspellen was geweest. Terwijl Chris met de laadschep van het graafmachientje op de bodem ramde en commando’s schreeuwde, draafde Peter om hem heen, voerde kruiwagens met wortels af naar de container, was nu eens in de weer met een riek, dan met een hark, en dan met een joekel van een mokerhamer. De bamboe zat muurvast. De grond was verontreinigd met steenbrokken, stukken polyester visnet en semitransparant, bros, plastic golfplaat dat onder de slagen uiteensprong in honderden scherpe splinters.

Ze schaftten op tuinstoelen in de zon, dronken koffie en werkten boterhammen met kaas naar binnen. Chris had de roldeur van de schuur gesloten, zodat eventuele passanten (buren) op straat hen niet konden zien zitten lummelen. ‘Het is heel structurerend werk, dat vind ik er zo mooi aan,’ verklaarde hij. ‘Er ontstaat altijd een beetje chaos, dat kan niet anders. Maar als het te erg wordt, ga ik structureren, ordenen. Hergroeperen noem ik het. Dan leg ik het gereedschap bij het gereedschap, ruim het afval op, veeg aan – en dat geeft rust, snap je, overzicht. Niet alleen bij mij,’ hij tikte tegen zijn slaap, ‘maar ook bij de klant.’

Peter knikte werktuiglijk.

‘Ik heb veel meegemaakt. Arbeidsongeschikt. Als kind al. Ik ben de jongste van negen. Jeugdgehandicapt. Posttraumatische stress, geestelijk gesproken dan. Ik heb veel mensen verloren. Mijn vader en mijn moeder, om maar wat te noemen. Dat was emotioneel, hoewel ik spanningen met mijn ouders heb gehad... Maar rouw, heb ik geleerd, rouw is niet alleen maar verdriet. Het is méér dan dat. Snap je wat ik bedoel, Peter?’

‘Ja.’

‘Je zegt ja maar wat bedoel je daar precies mee?’

‘Er kan ook een gevoel van dankbaarheid zijn,’ stamelde Peter.

‘Gevoelens kunnen veranderen,’ theoretiseerde Chris, ‘fluctueren. Wat was jouw sterrenbeeld ook alweer? Tweeling?’

De intimiteit van het gesprek beviel Peter niet. Hij had op meer distantie in de werksfeer gerekend, omdat het de eerste keer was. Hij zei dat hij niet in sterrenbeelden geloofde en stelde voor dat ze verder zouden gaan met de klus: ‘Want het wordt vroeg donker in dit jaargetij.’

Met een afstandsbediening opende Chris de garagedeur. De oprit, zagen ze tot hun verbazing, was bedolven onder twee hoge heuvels, een donkere en een lichte.

‘We zijn ingesneeuwd,’ stelde Peter geïntimideerd vast.

‘Ah, de aarde en het zand. Dat moet jij vanmiddag allemaal naar de tuin kruien, dat kan daar niet blijven liggen. Zo kan er niemand langs.’

Holy fuck, dacht Peter, we hadden met een team moeten zijn.

‘Maar eerst die vijver eruit, dan kunnen we het meteen in het gat gooien.’ Met grote passen liep Chris terug naar de omgewoelde tuin en sprong op het zadel van het graafmachientje. Zijn assistent volgde met gebogen hoofd.

De vijverwanden waren geformeerd uit ringvormig gekromde lattenstelsels, verduurzaamd met metaal, waaraan een dubbele laag worteldoek bevestigd was, in de bodem verankerd en verzwaard met bakstenen en grind. Een kolossaal gewicht. Chris wilde dat Peter in de vijver ging staan met een spade; vanuit die positie moest hij helpen het worteldoek aan de bak van de graafmachine te hangen, opdat deze het met grof geweld uit zijn voegen kon rukken. Dat ging bepaald niet vlekkeloos. De lijsten schoten wel los van de wal, maar braken niet af; ze staken alle kanten uit en belemmerden de voortgang. Het worteldoek was oersterk en gaf nauwelijks mee, hoeveel kracht er ook op werd uitgeoefend. De graafmachine wiebelde vervaarlijk, dreigde voorover in de vijver te vallen. Peter beukte met de spade in de modder in een poging het doek in kleinere stukken te scheuren. Hij vertrapte een reuzenrabarber en slingerde slijmerige bakstenen weg.

‘Een queeste,’ moedigde Chris hem aan, ‘zie het als een queeste.’

Een queeste naar wat, vroeg Peter zich af. Mammoeten? De verloren tijd? De eeuwige jeugd? Liefde? Waarom komt hij met die ridderromantiek aankakken.

Hij ergerde zich aan het feit dat Chris niets afmaakte. Hij begon ergens en als het daar niet lukte karde hij ergens anders heen op zijn graafmachientje, overal puinhoopjes achterlatend. Waar Peter ook keek, overal zag hij dingen die niet af waren. Nog niet eens half af. Losse draadjes. Dat werkte op zijn zenuwen.

Een van de cirkels van de lemniscaat was nu wel gemold, maar zeker niet opgeruimd en netjes weggewerkt. Het was een donkere poel met wrakhout, kikkerlijken en lappen zwaargewond zeil. De andere was nog betrekkelijk ongeschonden. Om aan die ongelijkheid een einde te maken, verplaatste Chris zich naar dat deel van de vijver en gaf Peter de opdracht de oeverplanten uit te graven, zodat hij meer bewegingsvrijheid had. Hij wilde ook dat hij een aantal grote, platte stenen aanvoerde en op zijn aanwijzingen op de drassige bodem naast de rijplaat neerlegde, voor meer stevigheid. ‘Wij geven nooit op, Peter,’ zei hij bevlogen, ‘als ’t niet rechtsom gaat, dan gaat ’t... Nou? Zeg ’t dan: hoe gaat ’t als ’t niet rechtsom gaat?’

‘Eh, linksom?’ antwoordde Peter op schaapachtig vragende toon.

‘Heel goed, Peter!’ Chris lachte daverend en herhaalde: ‘Wij geven nooit op! Sempervirens overwint!’

Hij startte de motor en manoeuvreerde de knikkende mast met de graafbek in de kuil.

Peter voelde zijn rug kraken terwijl hij de frontale aanval op een rietgewas met pornoblonde pluimen inzette. De kluit was helemaal vergroeid met de plastic mand waarin hij in het verleden was gepoot, tot één monsterlijk, pekzwart pulplichaam. Hij was te groot en zwaar om in één keer in de kruiwagen te passen. Hij moest kleiner worden gemaakt. Met een scherpe schep als zwaard doorkliefde Peter de pol, terwijl hij zichzelf vragen stelde, zoals: Waarom ben ik weer eens met een clown op pad gegaan? Wat is de lokroep die voor mij blijkbaar zo moeilijk te weerstaan is? Goede vragen.

Hij hief de schep hoog op en stootte neer. Druppels bruin water spatten in zijn ogen. De weke klont spleet open. Daarbinnen waren netwerken van haarwortels te onderscheiden, kleurloze pruiken en vlechten die gladgeschaafde, hagelwitte kiezelstenen verborgen, als parels of geheime ronde tanden. Met zijn schoen vertrapte hij de plastic mand. Hij hijgde en proefde de smaak van dunne blubber op zijn onderlip. Het parfum van veenaarde was bedwelmend. Hij pakte de schep weer, rechtte zijn rug, trok zijn bilspieren samen, richtte en zette zich schrap. Vanuit zijn ooghoek nam hij het draaien en trekken van de graafmachine wel waar, maar besteedde er geen aandacht aan anders dan op te merken dat het zo te zien nog niet erg wilde vlotten. Het is allemaal m’n eigen stomme schuld, raasde het door zijn hoofd en hij stiet opnieuw toe. Ik heb dit nou eenmaal afgesproken met m’n runderkop, dus moet ik volhouden. Ik kan niet afhaken, dat kan ik niet maken tegenover Chris. Dan zit-ie in zijn eentje met dit slagveld opgescheept. En nogmaals stootte Peter de schep omlaag. Is dat mijn probleem?

Hij ging zo in zijn onlustgedachten op dat hij in eerste instantie niet in de gaten had wat er was gebeurd. Boven het motorstampen uit had een gilletje geklonken, een ijle, afgeknepen stem die riep: ‘Peter, help!’

Het was vreemd: Chris was uit beeld verdwenen. En met hem het graafmachientje. Of nee, dat was niet verdwenen, slechts omgeslagen. Gevloerd. Het lag met draaiende motor op zijn kant half op de mat, half in de geknakte rietstaven. In een ontroerend gebaar van mechanische machteloosheid zweefde de grijparm boven de vijver, aan de bak hing een gerafelde punt worteldoek.

In de titanenstrijd tussen de vijver en Chris had de eerste een dreunende overwinning behaald. De graafmachine had zichzelf omvergetrokken en was voorlopig uitgeschakeld. Knock-out. Knap werk, bravo, dacht Peter toen hij Chris ontdekte. Deze zat nog in het zadel. Hij spartelde met zijn armen. Zijn linkerbeen was bekneld onder de dwergshovel, die bijna een ton woog. Hij kreunde: ‘Je moet me bevrijden.’

Peter sjorde aan de machine, maar daar was geen beweging in te krijgen.

‘Haal een koevoet. Rechts om ’t hoekje bij die autobanden.’

Peter holde naar de schuur en begon te zoeken. De koevoet was echter nergens te bekennen tussen alle zooi. Vanuit de tuin hoorde hij het gejammer van Chris: ‘Waar blijf je nou? Schiet es op verdomme, Peter, kom hier!’ En hij rende weer terug.

‘Denk je dat ik hier lekker lig, Peter? Pak de koevoet!’

‘Ik kan de koevoet niet vinden, Chris. Niet rechts, niet links, niet bij de autobanden.’

‘Dan moet je beter uit je doppen kijken! Vlug, man, ik sterf van de pijn.’

En Peter stoof naar de garage en doorzocht voor de tweede maal alle hoeken en gaten, terwijl Chris kermde: ‘Auw, auw! Klootzak, waar blijf je? Kom terug!’

De koevoet bleef spoorloos, maar hij zag wel de donkerblauwe haak liggen. Deze was dunner en minder lang dan de koevoet die volgens Chris bij de autobanden stond, maar die daar dus schitterde door afwezigheid, maar in noodgevallen is iets dikwijls beter dan niets, al maakt het vaak weinig verschil. Buiten adem keerde hij terug bij Chris. ‘Dit is het enige wat ik kan vinden.’

‘Maar daar hebben we dus niks aan. Dat ding is toch veel te slap en klein! Jezus, man, ik geloof dat je de ernst van de situatie onderschat. Ik lig hier dood te gaan, lul. M’n been is misschien wel verbrijzeld. Actie!’

‘We zouden de brandweer kunnen bellen,’ opperde Peter, om zijn woorden meteen terug te nemen: ‘Ach, nee, dat heeft geen zin. De brandweer kan hier helemaal niet komen vanwege die twaalf kuub zand en negentien kuub tuinaarde op de oprit.’

‘Wees creatief, Peter, denk out of the box! Leg zo’n zakje stortcement onder mijn rug, het is zeiknat hier, het trekt op door m’n pak. Straks bevries ik. Doe niet zo traag.’

‘Ik denk na. Hoe laat is het?’

‘Tijd? Is dat nu belangrijk voor je?’

De schemering was gevallen. Frambozenrode slierten lichtten op langs de hemel, de wind trok aan en toen was het opeens stikdonker. Peter huiverde. Het stonk hard naar dieselbenzine. De tank lekte. Een milieuramp, welja, dat kon er nog wel bij...

‘Auw, mijn been... Ik voel de hele dag al een negatieve energie van je uitgaan, Peter. Die maakte me onzeker en om dat te compenseren nam ik te veel hooi op m’n vork. Ik wilde het te goed doen. Ik wilde indruk op je maken. Ik heb dit graafmachientje speciaal gehuurd omdat ik wist dat jij vandaag zou komen.’

‘Toe maar. Dus nou is het míjn schuld?’ Schuld is er in talrijke ongrijpbare vormen, hoedanigheden en complexen; de transfer van schuld is meestal concreter en makkelijker aanwijsbaar.

In een moordlustige fantasie doorboorde Peter de borstkas van Chris met de haak. Maar hij wist zich te beheersen. In plaats daarvan nam hij een van de hardhouten palen op en probeerde die als hefboom te gebruiken. Hij hing er met zijn volle gewicht aan, en toen dat niets uithaalde begon hij erop te dansen met zijn bergschoenen. Het hout boog door, maar de machine kwam niet los van de grond. Toen – krak! – knapte de paal als een lucifer. Chris schreeuwde. Peter verloor zijn evenwicht en viel boven op hem.

Chris was buiten westen. Peter had zelf een hoofdwond. Duizelig wankelde hij de tuin uit. Als in slowmotion waadde hij tot aan zijn knieën door de duinen van aarde en zand naar de straat en keek van links naar rechts, van het dichtstbijzijnde huis waar licht brandde naar de lantaarnpaal waaraan zijn fiets geketend stond.