Over literatuurgeschiedenis

Een antwoord op ‘Het geheugen en de processor’ van Bart Vervaeck (De Gids, 2013, nr. 7)

In het afgelopen oktobernummer van De Gids krijgt Bart Vervaeck uitgebreid de gelegenheid om zijn kritiek op mijn Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur (2013) uiteen te zetten. Hij gaat niet in op de uitnodiging die in mijn boek vervat is: de uitnodiging tot een manier van spreken over literatuurgeschiedenis waarin het niet, zoals gebruikelijk, over ‘stromingen’ en ‘kenmerken’ gaat, maar over ‘frames’: visies op literatuur en moderniteit die de toekenning van betekenis en waarde aan teksten sturen.

Vervaeck mag deze uitnodiging uiteraard negeren, maar het feit dat hij de door mij voorgestelde literatuurhistorische wijze van spreken consequent in zijn taal en termen samenvat, getuigt van veel onwelwillendheid en zet de lezer van zijn stuk op het verkeerde been. Zijn verhaspelingen van mijn terminologie zijn vooral zo storend omdat Vervaeck ze presenteert als ‘bewijzen’ van de tekortkomingen van die terminologie. Zo heeft hij het steeds over ‘de romantiek’, terwijl ik consequent onderscheid maak tussen het romantisch frame (een heuristische constructie, ingezet door de literatuurhistoricus) en de historische romantiek (een normenstelsel, gehanteerd door spelers op het literaire veld). Of hij heeft het over ‘kenmerken’ van een tekst of periode, waar ik in mijn boek spreek van tags: metadata die door de interpreterende lezer vanuit een bepaald frame aan tekstelementen worden toegekend, al dan niet bewust.

Het zou erg veel ruimte in beslag nemen om het retorische kluwen dat Vervaecks stuk is te ontwarren. Vervaeck heeft een andere kijk op literatuurgeschiedenis dan ik, en het is hem veel waard mijn visie te bekritiseren (terwijl de zijne impliciet blijft). Hij stelt de ene retorische vraag na de andere (‘valt de zogenaamd nieuwe framebenadering daarmee terug op de clichés van die historische karakterisering?’; ‘hoe kunnen transhistorische frames corresponderen met historische fasen?’), die in mijn boek allemaal uitgebreid beantwoord worden. Ik ga hier die antwoorden niet herhalen. In plaats daarvan maak ik vier meer algemene opmerkingen bij Vervaecks kritiek.

In de eerste plaats een opmerking voor de lezer die wel Vervaeck, maar niet mijn boek gelezen heeft. Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur is een literatuurhistorisch handboek dat eerstejaars literatuurstudenten instrumenten aanreikt om de dynamiek van de moderne literaire cultuur te bestuderen. Het woord ‘literatuurgeschiedenis’ verwijst voor mij naar die dynamiek, en niet naar een product (een boek, verhaal). Mijn boek biedt niet alleen een chronologie en een reeks canonieke sleutelmomenten of -teksten aan, het focust vooral ook op de veranderlijkheid van literatuurhistorische beeldvorming. Het probeert in een voor beginnende studenten behapbare vorm de statische categorieën van de traditionele literatuurgeschiedenis (‘meesterwerk’, ‘generatie’) aan te vullen met meer dynamische categorieën (circulatie, adaptatie, toe-eigening, werking, transformatie) en tegelijkertijd het perspectief te verleggen van dat van de auteur naar dat van de lezer. De vraag is niet: welke waren de belangrijkste teksten/auteurs van de afgelopen tweehonderd jaar, maar: hoe en waarom veranderen de betekenis en evaluatie van literaire teksten gedurende de moderniteit?

Een tweede opmerking betreft de door Vervaeck zwaar aangezette vraag naar de ‘nieuwheid’ van mijn boek. Er is de afgelopen decennia heel wat gefilosofeerd over literatuurgeschiedschrijving, waarbij – vooral uit de postmoderne hoek – stevige kritiek is uitgeoefend op het klassieke literatuurhistorische paradigma. Vervaecks recensie begint met een samenvatting van het recente ‘denken over de literatuurgeschiedenis’. De canon onder vuur, genderstudies, het postkoloniale perspectief, deconstructie: been there, done that… Zulke al lang niet meer nieuwe inzichten hebben ons al decennia geleden doen afstappen van de traditionele manier van literatuurgeschiedschrijving, meent Vervaeck. In het vervolg benadrukt hij keer op keer het niet-nieuwe van mijn aanpak. Vaessens verzet zich tegen ‘de bekende reeks van verworpen principes’ van de traditionele literatuurgeschiedschrijving. Vaessens sluit aan bij ‘de algemeen aanvaarde relativering van systematische overzichten’ en bij wat ‘heden ten dage de norm [is] geworden’. Vaessens’ boek ‘volgt’ de ‘bestaande academische consensus over historiografie’. En nog maar een keer: Vaessens sluit ‘perfect’ aan bij ‘de consensus’. Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur is een zoveelste ‘intussen gangbaar geworden relativering van dé geschiedenis’.

Dit beeld is onjuist. Wat is er voor de studenten die dit boek lezen aan didactisch hanteerbare alternatieven beschikbaar? Welk handboek verwerpt Vervaecks ‘bekende reeks van verworpen principes’ inderdaad, en is er ook een handboek dat daarvoor zelfs iets in de plaats stelt? Vervaeck noemt één voorbeeld: Nederlandse literatuur, een geschiedenis uit 1993. Als product van de inspanningen van tientallen auteurs werd dit boek destijds als ‘postmodern’ geafficheerd, en in zijn gefragmenteerde vorm leek het inderdaad afstand te nemen van de bestaande literatuurhistorische praktijk. Maar al snel werd achter de postmoderne scherven wel degelijk het vertrouwde beeld van elkaar opvolgende poëticale conventieveranderingen ontwaard. Op de premissen van dat verhaal werd slechts zeer summier, en in het overgrote deel van de bijdragen volstrekt niet, gereflecteerd. Het behoort niet tot de verdiensten van Nederlandse literatuur, een geschiedenis dat het studenten bewust heeft gemaakt van wat volgens Vervaeck ‘heden ten dage de norm [is] geworden’ in het literatuurhistorisch onderzoek. Het boek kon naadloos worden ingepast in bestaande curricula. Die curricula veranderden niet, ze werden alleen ‘fragmentarisch’.

Ik ken als ervaren docent de praktische achtergronden van deze fragmentatie maar al te goed – de kleiner geworden vakgroepen, verhoogde studiedruk, rationalisering van het studentenbestaan et cetera – maar ik geloof dat we er nu wel genoeg over gelamenteerd hebben en dat het tijd is om er effectief iets tegenover te stellen. Dat is de agenda achter mijn Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur.

De derde opmerking sluit hierbij direct aan, want zij betreft de positie van literatuurgeschiedenis als vorm van wetenschap. Toen ik een aantal jaar geleden aan een collega van het departement Mediastudies vroeg waarom er eigenlijk geen academisch verantwoorde geschiedenis van de Nederlandse film bestond, antwoordde zij dat het postmoderne paradigma, waarin de meeste filmwetenschappers werken, op gespannen voet staat met geschiedschrijving. Om die reden, meende zij, speelt zoiets als ‘de geschiedenis van de film’ geen noemenswaardige rol in de meeste curricula Film- en Mediastudies.

Het beeld van een waterscheiding tussen (‘progressieve’, postmodern geïnformeerde) theory en (‘conservatieve’) geschiedschrijving is misschien enigszins clichématig, maar er zit wel degelijk een kern van waarheid in, ook in de literatuur. De meeste (theoretisch georiënteerde) opleidingen Literatuurwetenschap of Literary Studies hebben wél cursussen als ‘Cultural analysis’ en ‘Interculturele literatuurbenadering’ in het curriculum, maar ze bieden geen integrale literatuurhistorische overzichten (meer) aan. ‘Literatuurgeschiedenis’ wordt eerder geassocieerd met de (meer traditioneel filologisch georiënteerde) onderwijsprogramma’s van de klassieke talenstudies (Engelse, Franse, Duitse, Nederlandse taal en cultuur). En die worden, zeker sinds de ‘culture wars’ in de Amerikaanse literatuurstudie van de jaren 1980 en ’90, ook door Europese literatuurwetenschappers nogal eens als ‘gedateerd’ weggezet.

Het genre van de literatuurgeschiedschrijving, uitgevonden in de voorfase van de literatuurwetenschap, wordt ook in zijn huidige vorm binnen de meeste academische contexten gezien als een residu uit de donkere dagen van before theory. De literatuurhistorische praktijk geldt als voorbeeld van wat Paul de Man in 1981 ‘resistance to theory’ noemde: de tendens om – tegen de teneur van complicerende theorievorming als die van het poststructuralisme in – vast te houden aan vertrouwde categorieën als de canon en universele literaire kwaliteit.

Mijn boek probeert deze zeer onproductieve patstelling te doorbreken. Het trekt de in mijn ogen voor elk literatuurwetenschappelijk curriculum essentiële subdiscipline van de literatuurgeschiedenis weg uit de hoek van conservatisme en cultuurspreiding. Het wil de eerstejaarsstudenten die ermee werken een wetenschappelijke attitude bijbrengen die in overeenstemming is met de stand van de literatuurwetenschappelijke discussie van vandaag. Maar dan zonder te vervallen in onproductief postmodern relativisme.

Daarbij is afstandelijkheid het sleutelwoord. De literatuurhistoricus moet zich niet identificeren met een bepaald frame en de vooronderstellingen ervan voor waar aannemen, hij moet die vooronderstellingen juist expliciteren en objectiveren. Ik heb mij in mijn boek dus ook niet ten doel gesteld om geforceerd een andere canon te produceren, of een al dan niet postmoderne herschrijving van het verhaal, zoals Vervaeck die verwacht lijkt te hebben. Het gaat er niet om dat studenten romantisch, realistisch, avant-gardistisch of (post)modernistisch geïnformeerde betekenissen leren produceren. Dat gebeurt volop in het veld dat de literatuurwetenschap bestudeert. Studenten die aan deze studie willen gaan bijdragen, moet allereerst de patronen leren herkennen die achter die betekenisproductie schuilgaan. Zij moeten niet leren een verhaal na te vertellen, maar inzicht krijgen in de mechanismen en de dynamiek van het literaire erfgoed.

Mijn boek maakt een scherp onderscheid tussen de attitude van schrijvers, critici en andere spelers op het literaire veld, en de attitude van de literatuurhistoricus. Een schrijver of criticus denkt niet in termen van frames. Hij heeft bepaalde overtuigingen over wat goede literatuur is en wat niet, en daar gelooft hij in. De literatuurhistorische attitude, echter, is erop gericht dat soort geloof – typerend voor normenstelsels als die van de historische romantiek of het historische postmodernisme – te herkennen als sturende kracht achter de literaire werkelijkheid.

Het is opmerkelijk dat uitgerekend Vervaeck op dit aspect van mijn boek – de afstandelijke literatuurhistorische attitude die het voorstelt – in het geheel niet ingaat. En dat is mijn vierde punt. In publicaties als Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman toont hij zich – in termen van mijn boek – een believer in het postmoderne frame. Hij identificeert zich met de poëtica’s van auteurs als Brakman, Ferron, Februari, Jongstra (wat zulke auteurs ‘echte’ of ‘goede’ literatuur vinden en wat niet) en ziet het als zijn taak om interpretaties van hun werk te produceren die met deze poëtica’s in overeenstemming zijn. Daarmee is hij een speler op het veld; hij maakt deel uit van het historisch postmodernisme. Ik heb daar geen enkel bezwaar tegen: veel literatuurwetenschappers zijn, met recht en reden, óók exegeet, criticus of jurylid, en zij dragen met enthousiasmerende of kritische beschouwingen bij aan de veranderlijkheid van de canon. De literatuurwetenschap is een huis met vele kamers. Maar in de kamer van de literatuurgeschiedenis, waar de dynamiek van de literaire cultuur wordt bestudeerd, moeten poëtica’s en vooronderstellingen niet worden omarmd, maar van buitenaf worden bestudeerd. Dat is de les die eerstejaarsstudenten uit mijn handboek trekken.

Vervaeck negeert dat. In plaats daarvan verkiest hij het de nieuwheid van mijn aanpak te relativeren onder verwijzing naar de postmoderne kritiek op het klassieke literatuurhistorisch paradigma. Daarmee impliceert hij dat het allemaal wel in orde is in de praktijk van het literatuurhistorisch onderzoek. Ik denk daar anders over. En ik kan daarbij, vrees ik, mijn gelijk halen door te wijzen op het in vergelijking met andere, ‘hardere’, vakgebieden zeer grote aantal literatuurhistorische onderzoeksaanvragen dat in het afgelopen decennium door subsidie-instanties als NWO en FWOis afgewezen. Dat lijkt me toch wel een probleem. Ik zou dan ook willen besluiten met een volstrekt retorische wedervraag zouden we er niet goed aan doen gezamenlijk, dat wil zeggen, welwillend ten aanzien van elkaars initiatieven, te zoeken naar manieren om dat probleem te helpen oplossen?