Poëzie

Jan van Eyck kon je mij niet geven
want Van Eyck gaf mij al aan jou.

De hond die wij niet hebben
kwispelt onze handen hier bijeen.
De kroonluchter is kleiner
dan mijn grote zwarte zware hoed.
In de niet-van-onze spiegel krimpen
wij frêle opgebold tot schildersoog.
Mijn schoeisel heb ik uitgetrapt.
In een klein gebaar hef ik mijn vrije hand.
Jij bent niet in verwachting
van het kind dat Jan van Eyck
ons overreikt. Het plooiend groen
spiegelt de naden in je ziel. Geen kunstenaar
die zo met onze hedendaagsheid speelt.
Doen wij hier thuis aan fruit?
Er liggen perziken vlak bij ons open raam.
Iemand heeft iets op de muur gezet.
Een tag, annonce, plaatsbepaling:
Jan van Eyck ziet ons doorluchtig
en doorzichtig spiegelbeeldend aan.
Ik ken mijn antecedenten niet. Jij
zult wel Beatrice zijn. Je bent vooral vrij.
Er is een handreiking in mijn zelf gelegd,
jij legt je voornaam gedwee af
en vraagt me, in het voorbijgaan
van een eeuwigheid, wie ik tenslotte ben.
Ik ben die voordien al aan je was gegeven.
Giovanni Arnolfini is nog steeds mijn naam.

Je gaf me William Turner,
niet omdat je lach magisch
al die Turnerkleuren kleurde (dat ook)
maar omdat je in Tate Britain
aandachtig naar een wonderlijke
Turner keek.

Hoe jij aanhakend lachte
om The Garreteer’s Petition.
Vort met de inspiratie! In draf
naar zolderkamer gaan en daar
luidkeels en amechtig treuren
dat je ook deze nacht niet dichtend
op je handen hebt gestaan.

Altijd weer die kutzooi poëzie.
The garret is echt overal
maar het meest nog vrezen wij
in schemerzelfverrijkend Amsterdam.
Daar wachten in slagorde
de drommen dichters tot ze
weer uit zuipen mogen,
zij het uitsluitend op vertoon
van roddel-, klaag- en kletsbrevet.
Kijk, daar heeft zich weer
zo eentje met gladde groene zeep
van uitgevente Weltschmerz ingevet.
Maar het hedendaagse spleen
heeft altijd een luikje, want je moet
er indien gewenst direct uit weg.
Ach, die arme, diepgekwelde dichter.
Men heeft hamsterwangen en een buikje.
Nee, dan William Turners leedpoëet.
Bij hem is zelfs de kleinste nokbalk hels.
In onze tijd en hier zijn alle dichters
knippend scherend trots van zelfbeklag
vetgemeste luizen in café De Pels.

Weg, wég van cercle en circuit!
Terug de tijd van William Turner in!
Wij zwaaien lustig naar zijn dichter,
zijn dichter geeft volleerd niet thuis.
Dakgebint mept slagschaduw –
hoe één kapspant heel de mensheid
overhuift. Garreteer torst loden ganzenveer.
Geconcentreerd op winterslaap
voorspelt hij dat met man en muis
de absolute olielamp vergaat.

In de trein en oortjes van de iPod in
gaf je, lijfblad in je absolute hand,
een ingekeerde remix weg van
Gerhard Richter en good old Vermeer,
‘Lesende’, zoals de trein jou
zonder moeite lezen kon,
bij het gesloten raam, tweede klasse,
intercity, neigend naar het eertijds
lezend meisje bij het open raam,
haar pofmouw twinkelend van
schier denkbeeldig groengoud geel.
Hier intussen groet het landschap ons
alsof wij beiden lezend simultaan
de wereld wuiven – en ook buitensluiten.
Dit gebeurt nu, weet ik, en kan niet
nog een keer. Gerhard Richter heeft
jouw inlogcode maar jij stuurt een sms’je
waarin je zegt ik zie je nu, ik zie je
als mijzelf, midden in het eeuwig licht
naar digitale iTuneswetten binnenzeilend
door het gulle venster van Vermeer.

Je gaf me met de aankoop
van een überhip pasteljurkje
toegang tot de nachtclub
van Neo Leipzig Rauch.

De doorbitch was felroze.
Het cocktailmeisje schmierend geel.
Op de dansvloer plastic zuilen.
Choreografie van glorieus teveel.

Het is de kunst geheid
gewiekst en geil te zijn.
Neo Rauch verblufte jou,
met ontzag deed je je jurkje uit.
Alle tinten van het kek pastel
werden prompt door Neo Rauch geclaimd.
Ik hield zeer old skool mijn kleren aan.

Die nacht droomde ik
dat ik het erfgoed Rembrandt was.
Ik zei, je mag naakt en blij
en vermetel opgekitscht
naar gezellig Leipzig gaan.
Losjes talmde ik een sigaret.
Rauch hield overbluft de club bezet.