Als God bestond, dan was hij een solide middenvelder

Eerst iets over mij, al ben ik hier niet belangrijk

Naar Bosnische maatstaven had ik een atletisch postuur. Hoewel ik al jaren anderhalf pakje sigaretten per dag rookte, al op de vroegrijpe leeftijd van vijftien alcoholische dranken begon te nuttigen en helemaal afhankelijk was van een rood-vlees-en-vetdieet, voetbalde ik sinds ik me kon herinneren één of twee keer per week op de gravelvelden of parkeerplaatsen van Sarajevo. Maar kort na mijn aankomst in Chicago begon ik aan te komen door een voedingspatroon dat bestond uit Whoppers en Twinkies, in combinatie met een reeks martelende pogingen om met roken te stoppen. Daarnaast kon ik maar niemand vinden om mee te voetballen. Mijn vrienden bij Greenpeace zagen het rollen van joints als fysieke activiteit en organiseerden maar heel af en toe een suf potje honkbal, waarvan de score niet eens werd bijgehouden en waarin iedereen altijd fantastisch stond te spelen. Het lukte me niet de regels ervan te doorgronden, maar ik bleef wel hardnekkig proberen de stand bij te houden.

Niet kunnen voetballen was een kwelling. Ik maakte me niet zozeer druk over mijn gezondheid, want ik was nog jong – voetballen was voor mij niets minder dan voelen dat je leefde. Zonder voetbal waande ik me op zee, zowel mentaal als fysiek. Op een zaterdag in de zomer van 1995 fietste ik langs een aan het meer in Uptown Chicago gelegen sportveld en ik zag mensen die bezig waren aan een warming-up; ze speelden de bal rond terwijl ze de aftrap van de wedstrijd afwachtten. Het leek alsof ze zich voorbereidden op een competitiewedstrijd waarvoor je bij een club ingeschreven moest staan. Maar voor ik tijd had om na te denken over een mogelijke vernederende afwijzing, had ik al gevraagd of ik mee mocht doen. Natuurlijk, zeiden ze, en voor het eerst in een eeuwigheid van drie jaar trapte ik tegen een bal. Die dag speelde ik eindelijk weer, dertien kilo zwaarder, in een afgeknipte spijkerbroek en basketbalschoenen. In een mum van tijd verrekte ik mijn lies en had ik blaren onder mijn voeten. Ik had nederig plaatsgenomen als verdediger (al had ik liever in de aanval gestaan) en voerde alle bevelen uit van de beste en snelste speler in mijn team – ene Phillip, die, zo kwam ik later te weten, deel had uitgemaakt van het Nigeriaanse 4 x 400 meter estafetteteam tijdens de Olympische Spelen van Seoel. Na afloop van de wedstrijd vroeg ik Phillip of ik nog eens mocht meedoen. Dat moet je die kerel vragen, zei Phillip, en hij wees naar de scheids. De scheids droeg een zwart-wit gestreept shirt en stelde zich voor als German. Hij zei dat er elke zaterdag en zondag een wedstrijd werd gespeeld en dat ik altijd kon komen.

De Tibetaanse doelman

German was helemaal geen Duitser – hij kwam uit Ecuador, maar zijn vader was geboren in Duitsland, vandaar zijn naam (Hermann) en bijnaam. Hij werkte als ups-buschauffeur, was midden veertig, gebruind door de zon, had een pompadourkapsel en een snor. Elke zaterdag en elke zondag kwam hij rond twee uur ’s middags bij het meer aanrijden in een gammel, meer dan twintig jaar oud busje, waarop een voetbal en de woorden kick me make my day waren geschilderd. Hij laadde doelpalen (gemaakt van kunststof pijpen) en doelnetten uit, zakken vol shirts van dezelfde kleur, en ballen. Hij verdeelde de shirts onder de mannen die er waren om te voetballen, legde een plank op een vuilnisbak en zette daarbovenop een aantal goedkope bekers en trofeeën, kleine vlaggetjes van verschillende landen en een radio waaruit een Spaanstalige zender schalde. De meeste spelers woonden in Uptown en Edgewater en ze kwamen uit Mexico, Honduras, El Salvador, Peru, Chili, Colombia, Belize, Brazilië, Jamaica, Nigeria, Somalië, Ethiopië, Senegal, Eritrea, Ghana, Kameroen, Marokko, Algerije, Jordanië, Frankrijk, Spanje, Roemenië, Bulgarije, Bosnië, de Verenigde Staten, Oekraïne, Rusland, Vietnam, Korea, et cetera. Er was zelfs een kerel uit Tibet bij, en hij was een heel goede doelman.

Meestal waren er meer dan twee teams en moesten we roteren, met potjes van een kwartier of tot een van de teams twee doelpunten had gemaakt. De wedstrijden werden heel serieus genomen en op het scherp van de snede gespeeld, want het winnende team mocht op het veld blijven en de volgende pot spelen, terwijl het verliezende team aan de zijlijn moest wachten tot het weer aan de beurt was. German was de scheids, maar voor overtredingen floot hij bijna nooit. Hij volgde de wedstrijd met een onbestemde fonkeling in zijn ogen, alsof hij high werd van voetbal kijken; het leek alsof hij het geluid van brekende botten nodig had voor hij zijn fluitje gebruikte. Soms, als een elftal een speler tekortkwam, floot en speelde hij tegelijkertijd. Bij die gelegenheden was hij vooral streng voor zichzelf en ooit gaf hij zelfs zichzelf een gele kaart voor een harde overtreding. Wij – immigranten die het hoofd boven water probeerden te houden – vonden het fijn te kunnen spelen volgens de regels die we onszelf oplegden. Het droeg eraan bij dat we het gevoel hadden nog altijd deel uit te maken van de wereld die veel groter was dan de vs. De mensen kregen hun bijnaam gebaseerd op het land waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen. Een tijd lang was ik Bosnia, en vaak stond ik op het middenveld met bijvoorbeeld Colombia en Romania.

Omdat ik altijd naar voetballen verlangde en vreesde dat ik buiten het team zou worden gelaten als ik te laat zou komen, was ik vaak als eerste aanwezig. Ik hielp German met het plaatsen van de doelen en hield hem en de andere spelers dan gezelschap, terwijl we het over voetbal hadden. In zijn magische busje had German fotoalbums waarin mensen stonden met wie hij gespeeld had. Ik herkende verschillende van de mannen in hun veel jongere dagen. Een van hen, die door iedereen Brazil werd genoemd, vertelde me dat hij al meer dan twintig jaar met German speelde. German was degene die vanaf het begin de wedstrijden had georganiseerd, al had hij een drugs- en alcoholprobleem gehad en op een bepaald moment een paar jaar rust genomen. Maar hij was teruggekomen, zei Brazil. Voor de eerste keer sinds mijn aankomst begreep ik dat het mogelijk was in dit land te wonen en toch een verleden met andere mensen te delen.

Het was me niet helemaal duidelijk waarom German het allemaal deed. Hoewel ik mezelf beschouw als een redelijk genereus persoon, zou ik me nooit kunnen voorstellen elk weekend opnieuw bezig te moeten zijn met het organiseren van voetbalwedstrijden en die in goede banen te leiden, me te onderwerpen aan verbale en andere agressie, de doelen te ontmantelen en in te laden lang nadat iedereen al vertrokken was, om daarna nog een grote stapel naar zweet stinkende shirts te moeten wassen. Het was overduidelijk dat zonder German die zelf georganiseerde wedstrijden niet zouden plaatsvinden, maar hij vroeg er nooit iets voor terug.

Jarenlang misbruikte ik Germans onverklaarbare generositeit. Omdat we in de winter vaak in een kerkgymzaaltje in Pilsen speelden, voor mij te ver weg om te fietsen, reed ik met hem mee in zijn plompe kick me make my day-busje, terwijl ik de deur van de bijrijdersstoel vasthield waarvan het slot kapot was. Op de terugweg vreesde ik geregeld voor mijn leven, want German vierde de succesvolle afronding van een wedstrijd graag met een paar biertjes – hij had altijd een goed gevuld koelkastje in zijn busje. Terwijl hij reed en aan zijn biertje nipte, sprak hij onophoudelijk en vertelde hij over zijn favoriete team aller tijden (Kameroen, wk 1990) of over zijn zoektocht naar een erfgenaam, iemand die zou doorgaan met het organiseren van de wedstrijden wanneer hij met pensioen was en naar Florida was vertrokken. Het was niet makkelijk de juiste man te vinden, want weinig mensen hadden het lef om dit op zich te nemen. Hij suggereerde nooit dat ik het maar moest doen, wat me lichtelijk kwetste, zelfs al wist ik dat ik er, laf als ik was, nooit toe in staat zou zijn.

Eens, tijdens een bloedstollende rit naar huis over de spiegelgladde straten van Chicago, vroeg ik hem waar hij het allemaal voor deed. Hij deed het voor God, zei hij. God had hem instructies gegeven om mensen bijeen te brengen, om Zijn liefde te verspreiden, en dat was Germans missie geworden. Ik voelde me ongemakkelijk, bang dat hij zou trachten me te bekeren, zodat ik er verder niet over doorvroeg. Maar hij vroeg mensen nooit naar hun geloofsovertuiging, nooit probeerde hij hen tot de Heer te verleiden; zijn vertrouwen in voetbal was onvoorwaardelijk; andermans geloof in het spelletje was voor hem genoeg. Hij vertelde me dat hij van plan was na zijn pensionering een stuk land in Florida te kopen en daar een kerk te bouwen met een voetbalveld ernaast. Hij was van plan de rest van zijn leven te prediken. Na de dienst zou zijn kudde voetballen en hij zou de wedstrijd fluiten.

Een paar jaar na dat gesprek, aan het eind van de zomer, ging German met pensioen. Een van de laatste weekenden voor hij niet meer aan het meer zou verschijnen, speelden we in de broeiende hitte. Iedereen was prikkelbaar; vliegen met het formaat van een kolibrie vlogen roofzuchtig rond; het veld was hard, de vochtigheid hoog, de ego’s gezwollen; er waren zelfs een paar opstootjes. De hemel werd donker boven de rij wolkenkrabbers langs Lake Shore Drive, de regen kolkte in de wolken, op het punt over te koken. Op dat moment bereikte ons een koudefront, alsof iemand een gigantische koelkast had opengezet, en prompt was daar de regen. Ik had nog nooit zoiets gezien: de regen begon aan de overzijde van het veld en schoof er toen overheen richting het doel aan deze kant, gestaag oprukkend als een Duits wk-elftal. We haastten ons weg, maar al snel haalde de bui ons in en in een mum van tijd waren we doorweekt. Er zat iets beangstigends in de blinde oerkracht van de plotse weeromslag, in zijn gewelddadige willekeur – terwijl de regen in golven op ons neersloeg, deden onze geest en wilskracht er niet meer toe.

Ik sprintte naar Germans bus, alsof ik een ark hoopte te halen, op de vlucht voor de vloed. Er zaten al andere jongens in: German, Max uit Belize, een man uit Chili (en dus Chile genoemd), Rodrigo, Germans technicus, die er op miraculeuze wijze in geslaagd was de bus meer dan twintig jaar in leven te houden, en Rodrigo’s doorweekte maat met bloot bovenlijf, die helemaal geen Engels leek te kunnen, en die op de koelkast zat en af en toe een blikje bier aangaf. We schuilden in het busje; de regen kletterde op het dak, alsof we ons in een doodskist bevonden en iemand hele scheppen aarde op ons liet vallen.

Dus vroeg ik German of hij meende in Florida mensen te kunnen vinden om mee te voetballen. Hij wist zeker dat dat wel zou lukken, zei hij, want als je iets aanbood en daar niets voor terugvroeg, moest er vroeg of laat wel iemand toehappen. Plotseling geïnspireerd geraakt, brabbelde Chile iets wat leek op een slecht geleerde les uit een new-agehulpboek, iets banaals over onvoorwaardelijke overgave. Mensen uit Florida zijn te oud en kunnen niet rennen, zei ik. Als ze oud zijn, zei German, zijn ze dicht bij het betreden van de eeuwigheid, en wat zulke mensen nodig hebben is hoop en moed. Voetbal kan ze helpen op de weg naar het eeuwige leven, zei hij.

Nu ben ik een atheïst, ijdel en op mijn hoede. Ik geef weinig, verwacht veel en vraag om nog meer – wat hij zei leek me veel te zwaar, naïef, simplistisch. En het zou zeker zwaar, naïef en simplistisch zijn geweest als het volgende niet had plaatsgevonden.

Hakeem, de Nigeriaan die een manier had gevonden om elke dag van zijn leven te voetballen, komt doorweekt naar de bus rennen en vraagt of we zijn keys hebben gezien. Ben je gek geworden, zeggen we, terwijl de regen door het raam naar binnen gutst. Zie je verdomme niet dat het einde van deze wereld nabij is, zoek je sleutels later. Kids, zegt hij, I’m looking for my kids. Dan zien we Hakeem terug de regen in rennen en zijn twee doodsbange kinderen oppakken die onder een boom staan te schuilen. Hij beweegt zich als een schaduw tegen het donkergrijze regengordijn, de kinderen hangen als koala’s aan zijn lijf. Ondertussen staat Lalas (vernoemd naar de Amerikaanse voetballer) op het fietspad naast zijn vrouw, die in een rolstoel zit. Ze heeft een afschuwelijke vorm van agressieve MS en kan zich niet snel genoeg voortbewegen om uit de regen te komen. Ze wachten samen tot deze calamiteit voorbij is. Lalas in zijn Uptown United-shirt, zijn vrouw onder een stuk karton dat langzaam door de regen doorweekt raakt. De Tibetaanse doelman en zijn Tibetaanse vrienden, die ik nooit eerder gezien had en na die dag ook nooit meer zou zien, spelen een potje op het veld, dat nu helemaal met water bedekt is, alsof ze in slowmotion over het oppervlak van een vreedzame rivier rennen. De grond ademt stoom uit, de mist omgeeft hun enkels, en af en toe lijkt het alsof ze boven het water zweven. Lalas en zijn vrouw staan er volkomen kalm bij en kijken naar de spelers, alsof niets hun ooit zou kunnen deren. (Ze is intussen overleden, laat iemand genade hebben met haar ziel.) Ze zien hoe een van de Tibetanen een doelpunt maakt: de door de regen verzwaarde bal glijdt tussen de handen van de doelman door, die zelf in een modderpoel landt. Hij gaat onverstoord verder, glimlacht, en vanuit mijn positie gezien had hij ook de dalai lama zelve kunnen zijn.

Dit dus, dames en heren, is waar dit kleine verhaaltje over gaat: dat zeldzame ogenblik van transcendentie dat bekend zou kunnen zijn bij iedereen die in teamverband sport; het moment – dat uit de chaos van het spel lijkt voort te komen – waarop al je teamgenoten een ideale positie op het veld innemen; het moment dat het universum lijkt te worden bestuurd door een betekenisvolle hand die niet van jou is; het moment dat ten onder gaat – zoals momenten nogal eens doen – zodra de volgende pass gegeven is. En alles wat ervan overblijft is een vage, fysieke, orgastische herinnering aan dat vergankelijke ogenblik waarop je met alles en iedereen om je heen verbonden was.

Patina

Nadat German naar Florida was vertrokken, speelde ik in een park in Belmont, ten zuiden van Uptown. Het was een heel ander publiek: veel meer Europeanen, goed ingeburgerde latino’s en een paar Amerikanen. Vaak wanneer ik iets te enthousiast werd en, laten we zeggen, eiste dat andere spelers op hun positie bleven en voor het team werkten, kreeg ik te horen: Ontspan een beetje, het is maar een spelletje..., waarop ik antwoordde dat als ze niet in staat waren het spel te spelen zoals het bedoeld is, ze verdomme maar moesten vertrekken en op een loopband moesten gaan rennen. Geen Uptown-speler zou ooit zoiets gezegd hebben. Ontspanning maakte geen deel uit van ons spel.

Een van de mensen in Belmont was Lido, een vijfenzeventig jaar oude Italiaan. Zelfs de langzaamste bal ging nog te snel voor hem, dus bij het samenstellen van de teams werd hij nooit gekozen – we stonden slechts toe dat hij op het veld stond omdat we gerust mochten veronderstellen dat hij er weinig toe deed. Zoals veel mannen van boven de vijftig koesterde Lido een verstoord beeld van zijn eigen fysieke gesteldheid. Hij geloofde echt dat hij nog altijd een even goede speler was als vijftig jaar geleden. Getooid met een treurig toupetje dat hij nooit vergat op te doen en dat dubbelsloeg en zijn ogen afdekte wanneer hij een bal kopte, had hij de gewoonte om, nadat hij de bal was kwijtgeraakt, nog even te wijzen op al zíjn briljante intenties en al jóúw kennelijke fouten. Lido was een goede, fatsoenlijke man. (Hij is in 2011 gestorven, laat iemand genade hebben met zijn ziel.)

Ik had nog altijd de gewoonte om al ruim voor de wedstrijden aanwezig te zijn, gekweld als ik werd door de mogelijkheid dat ik niet mee zou mogen doen. Lido woonde dichtbij en was er vaak als allereerste. Nu en dan arriveerde hij verward en kwaad omdat hij een van onze Amerikaanse medespelers was tegengekomen die zich nog in het park verborgen hielden, om niet mee te hoeven doen aan het prewedstrijdgebabbel. Wat voor mensen zijn dat? knorde Lido. Waar zijn ze bang voor? Zoiets zou in Italië onmogelijk zijn. Lido kwam oorspronkelijk uit Florence en droeg met trots een paars Fiorentina-truitje. In Italië, zei hij, zijn mensen altijd blij om met je te praten en je te helpen. Als je er verdwaald bent en je vraagt iemand de weg, zijn ze bereid hun winkel of huis onbewaakt achter te laten om je helemaal te brengen naar waar je moet zijn. En ze spreken je vriendelijk, beleefd, aan, en niet zoals déze – en hij bewoog zijn hand afwijzend naar de bomen en struiken waarachter de schuwe Amerikanen ineengedoken zaten. Toen ik vroeg hoe vaak hij Italië bezocht, zei hij dat hij niet al te vaak ging. In Florence had hij een prachtige Ferrari, legde hij uit, maar er waren daar nogal wat jaloerse mensen te vinden: ze zouden zijn banden stelen, zijn knipperlichten stukslaan, een spijker langs de portieren halen, enkel en alleen uit slechtheid. Hij ging niet graag, zei hij, want mensen in Italië waren niet erg aardig. Toen ik hem er voorzichtig aan herinnerde dat Italianen een paar seconden geleden nog ongelooflijk aardig waren geweest, knikte hij en riep uit: Ja, ja, heel aardig! en ik gaf het op. Het leek alsof Lido in staat was tegelijkertijd twee elkaar uitsluitende gedachten in zijn hoofd te bevatten zonder daar zelf mee in conflict te komen – een kwaliteit, realiseerde ik me in een flits, die niet heel ongewoon is onder kunstenaars.

Lido was in de jaren vijftig naar Chicago gekomen. In Florence hadden hij en zijn broer een bedrijf voor het restaureren van Renaissancefresco’s en oude schilderijen, waarmee de stad kennelijk nogal rijk bezaaid was. Eenmaal in Amerika kwamen ze erachter dat er hier ook veel schilderijen waren die wel een restauratie konden gebruiken, en zo begonnen ze een bedrijfje. Het was hem sindsdien goed vergaan, wat hem in staat stelde ten volle van zijn leven te genieten. Hij was gezien met een jonge, welgeschapen schoonheid of twee, die aan zijn arm hingen of genoten van een ritje in zijn Amerikaanse Ferrari. Naast deze schoonheden leek hij verschillende echtgenotes te hebben gehad. Zijn meest recente vrouw was achttien of zo en was, zoals het gerucht ging, een bruid op bestelling uit een klein Mexicaans dorp.

Lido vertelde me eens, terwijl we wachtten tot de Amerikanen kwamen opdagen, hoe amateurs en idioten, onder het voorwendsel van een restauratie, het plafond van de Sixtijnse Kapel, Michelangelo’s meesterwerk, hadden verruïneerd. Hoewel ik niets van dit onderwerp af weet, somde hij alle fouten op die ze hadden begaan – ze hadden bijvoorbeeld oplosmiddel en sponzen gebruikt om het patina van de fresco’s te halen. Lido benadrukte dat ik me dat eens moest voorstellen, en dat deed ik: gehoorzaam stelde ik me voor hoe ik de hulpeloze Michelangelo insponsde. Lido wond zich steeds meer op en op dat moment kwam het schoonmaken van de Michelangelo met sponzen en oplosmiddel mij inderdaad voor als een betreurenswaardige daad – ik stelde me een God voor die veel te bleek was om almachtig of zelfs maar betrekkelijk machtig te zijn.

De idioten die de leiding hadden over de restauratie, ging Lido verder, realiseerden zich uiteindelijk dat ze Michelangelo’s schepping van het universum hadden verminkt en smeekten Lido het ongedaan te komen maken. In plaats van hen te hulp te schieten, stuurde Lido een scheldbrief van vijf kantjes, die erop neerkwam dat zij de sponzen en het oplosmiddel maar in hun reet moesten steken. Wat ze niet begrepen, zei Lido, was dat het patina het belangrijkste deel is van het fresco, dat de wereld die de Almachtige op het plafond van de Sixtijnse Kapel geschapen had incompleet was zolang de mortel de verf niet volledig had opgenomen en het rudimentaire universum een beetje donkerder was geworden. Het was geen zonnige dag geweest waarop God de aarde had geschapen, bulderde Lido; zonder het patina was het allemaal geen zak waard.

Terwijl hij me dit vertelde, zat Lido op zijn bal (maat 4, te hard opgepompt) en maakte hij, in zijn rechtvaardige toorn, de verkeerde beweging, waardoor hij ervanaf gleed en op de grond viel. Ik hielp hem overeind en voelde het gerimpelde, afgeleefde vel op zijn elleboog, zijn menselijk patina.

Toen kwamen de schaapachtige Amerikanen eindelijk uit de bomen en het struikgewas tevoorschijn, de rest van de voetbalspelers arriveerde, en Lido – de man die de respectloze behandeling van Michelangelo en de Schepping als een persoonlijke belediging opvatte – koos een plek in de voorhoede, klaar als altijd om een spectaculair doelpunt te maken.

Wie Lido ook geschapen heeft, zou trots moeten zijn: hij was een van die zeldzame mensen die in hun leven volledig tot wasdom komen. De rest van ons had geen andere keuze dan in de modder te rollen, te lijden onder het weer en een patina te krijgen, in de hoop het recht te verwerven om simpelweg, onvoorwaardelijk te zíjn. En toen ik die dag de bal naar Lido speelde – me er volledig van bewust dat hij verkeerd aangenomen en verprutst zou worden – had ik het aangename, prikkelende gevoel verbonden te zijn met iets dat groter en beter was dan ik, een gevoel dat geheel en al onbereikbaar is voor wie denkt dat voetbal te maken heeft met inspanning en ontspanning.

Vertaling uit het Engels: Luc de Rooy