De geest-in-de-smartfoon

door Dirk Vis

Appjes genoeg om de tijd mee te verdrijven. Maar dat is niet waar Dirk Vis naar op zoek is. Hij wil met een swipe over het beeldscherm de poort openen naar een bezielde wereld. Hier en daar is dat al mogelijk. Een pleidooi voor meer draagbare lichtheid.

Producten van een euro, protestvlaggen zonder slogans erop en appjes die geen enkele functie lijken te hebben, ik kijk er graag naar en vroeg me af wat ze gemeen hebben. Onlangs werd de term daarvoor me in de schoot geworpen: lightness, lichtheid van toon. Zoals ik boven op mijn eikenhouten bureaublad nog een desktop heb, dat bestaat uit pixels, zo gebruik ik in plaats van de term lichtheid graag lightness. Lightness klinkt mij bovendien lichter in de oren dan lichtheid en nog serieuzer ook.

Lightness, of ‘legerezza’, is ook de titel van een essay van Italo Calvino, schrijver van adembenemende verhalen van nog geen halve bladzijde, waarin hij toch een eindeloze hoeveelheid mogelijke werelden oproept. Voor een Amerikaanse universiteit startte hij een reeks van zes memo’s. Hij had er vijf voltooid, toen hij plotseling stierf. De memo’s waren als lezingen bedoeld, maar hij heeft ze nooit kunnen uitspreken. Iedere memo is een doorwrocht pleidooi voor een specifieke literaire kwaliteit, waarvan lightness de eerste is. Lightness signaleerde hij steeds meer: letters trillen als atomen, woorden kunnen dansen, een zin verandert van betekenis terwijl je ernaar kijkt en pagina’s blijven nooit lang hetzelfde. Calvino zag lightness in het werk van de dichter-filosoof als een middel tot kennis. Ook een held van lightness bij Calvino is Ovidius, die in zijn Metamorfosen met trefzekere lichtvoetigheid in hoog tempo alle klassieke verhalen aan elkaar rijgt. Nadat Calvino een 800 pagina’s tellende verzameling Italiaanse sprookjes had samengesteld, schreef hij: ‘Nu het boek af is, weet ik dat het geen hallucinatie was, maar de bevestiging van wat ik al verwachtte – sprookjes zijn echt.’ Calvino schreef zijn memo in 1986, even ver vóór het nieuwe millennium als wij er nu ín zitten. Hij is inmiddels zelf een klassieke held van lightness geworden. Ik zou tegen hem willen zeggen dat ik telkens meer lightness om me heen zie, dat ik nu niet alleen alles van Ovidius, maar als ik zou willen ook de hele Loeb Classical Library – oftewel zo’n beetje alles wat ooit in het Latijn en Grieks is geschreven en naar het Engels vertaald – in mijn broekzak bij me draag op mijn telefoon.

Maar het piepende ding in mijn broekzak wil ook voortdurend geüpdatet worden, vraagt constant om wachtwoorden en bevestiging van onleesbaar gemaakte ellenlange documenten – die Algemene Voorwaarden lijken vooral magische bezweringen om me klakkeloos in te laten stemmen met alles wat me wordt voorgesteld. De meeste smartfoons zijn zo ontworpen dat ik vergeet dat zo’n apparaat ook iets anders kan zijn dan een draagbare winkel – bijvoorbeeld een gereedschap. Het even hilarische als stomvervelende skeuomorfisme, dat de agenda op mijn scherm eruit laat zien als een agenda van papier, probeert me ervan te overtuigen dat er eigenlijk niks nieuws is. Mijn volledige administratie en al mijn vakantiefoto’s zweven in de spreekwoordelijke cloud, maar in werkelijkheid staan ze opgeslagen in een datacentrum in Oost-Groningen waar zo veel servers staan dat ze er de vloeren van extra bewapend beton hebben moeten maken. Toepassingen voor op de smartfoon die politiek getint zijn en bijvoorbeeld openbare informatie over door het Amerikaanse leger gebruikte drones tonen, worden regelmatig door Apple gecensureerd en tegengehouden. Er is in die hi-tech wereld slechts een handjevol gigantische bedrijven dat onvoorstelbaar goed boert en de rest kruideniert in de marge. Wie succes heeft, wordt door die allergrootsten opgeslokt. Desalniettemin wil alles en iedereen een app. ‘There’s an app for that,’ noemt Evgeny Morozov de tendens om voor alle problemen een oplossing in een nieuwe techniek te zien. Deze jonge, van origine Wit-Russische, kosmopolitische technologiecriticus legt met eenzame, heldere stem uit hoe lichtzinnig het beleid van overheden en bedrijven is die oplossingen alleen maar in technologische vernieuwingen zien. Ik browse door het resultaat van hun vernieuwingsdrang in de appstores en wordt bevangen door conservatisme light. Ik voel me soms eerder slaaf van dat apparaat dan meester. Alsof ik, nu ik eenmaal alles op de smartfoon heb staan, er zelf ook in opgesloten zit. Dat is niet licht, dat is heavy. Wat is er over van Calvino’s pleidooi voor lightness in het nieuwe millennium?

Ik herinner me de app van uitgeverij McSweeney’s, met daarin een interactieve installatie van Scott Snibbe verstopt: System of Space and Time. Het scherm is verdeeld in een grafisch patroon dat een soort gezicht vormt dat je kent van totempalen. Swipe over het scherm en de driehoekjes die het patroon vormen rekken uit en golven mee en een soort elektronisch pingeltje klinkt op dat vervormt naarmate je meer swipet. Je kan er niks mee, je kan niet delen of opnemen of iets componeren, maar het heeft iets zenachtigs. Na een tijdje pingelen zie je in het gezicht vanzelf een soort geest-in-de-smartfoon. Ik keerde regelmatig naar dit appje terug. Keerde, want ik heb nu een Android-foon en dit is het eerste appje dat ik mis. Ik keerde ernaar terug, bedenk ik me achteraf, als om mezelf eraan te herinneren dat het toch moet kunnen, dat er in het nieuwe millennium vol besturingssystemen en binaire logica van ofwel 0 ofwel 1 nog steeds een eindeloosheid aan mogelijke werelden bestaat. Want als het aankomt op fantasie en verwondering is ‘mein Handy’ nog steeds aandoenlijk onhandig. Ik wil iets dat even krachtig is als Ovidius. Ik wil swipen over een scherm en behalve het juiste vertrekspoor ook een geest kunnen oproepen.

Over het scherm van je smartfoon swipen is eenzelfde handeling als het swipen van menige figuur uit de Duizend-en-één-nacht over potten, kannen en andere dingen. Ze hadden toen geen apps, maar swipeten over magische lampen waar djinns (geesten) uit kwamen. In een van de talloze verhalen uit de Duizend-en-één-nacht, de verhalencyclus die in eindeloos veel versies bestaat en eigenlijk nooit af is, zit een visser die al dagen niets dan rotzooi opvist: botten, oude schoenen en dan nog iets: een verzegelde, koperen fles. De visser is blij, want het metaal kan hij doorverkopen. Hij prutst aan het zegel en dan schiet er rook uit de fles. De rook vormt een grote wolk en dan een djinn, eentje met een hoofd zo groot als een koepel, handen als hooivorken, benen als scheepsmasten en ogen als fakkels. De djinn vertelt hoe hij honderden jaren zat opgesloten en hoe hij tot zijn voornemen kwam om zijn uiteindelijke bevrijder, de visser dus, te vermoorden. Met een list krijgt de visser de djinn weer in de fles (‘Hoe kan zo’n gigantisch wezen als jij passen in zo’n kleine kelk?’) en hij wil de fles terug in zee gooien, maar nu komt het: de visser en de djinn wisselen verhalen uit en de visser besluit de djinn toch te vertrouwen. Als lezer denk je: nee, doe het toch niet! Maar aan het eind van het verhaal wordt hij beloond en krijgen hij en zijn vrouw alles wat ze begeren. Zo gaat het vaak in de Duizend-en-één-nacht: helden en antihelden schieten van voor- naar rampspoed en weer terug, geholpen of tegengewerkt door djinns. Die geesten met bovennatuurlijke krachten verplaatsen paleizen van Afrika naar Azië, net waar ze zin in hebben. In tegenstelling tot engelen en demonen zijn ze niet goed of kwaad, maar beide. Ze helpen evengoed arme vissers als kwaadwillende tirannen. Ze zijn bovennatuurlijk, maar hoeven niet vereerd te worden. Er wordt zelfs met hen getrouwd en er worden kinderen verwekt. Djinns zijn fijnstoffelijke wezens van lucht en vuur. En ik wil er een vinden.

Ze bestaan, namelijk als autonome kunstwerken voor de smartfoon. Bijvoorbeeld de geest-in-de-smartfoon die verstopt zit in de McSweeney’s-app. Talloze andere kunstenaars maakten apps, meestal vertalingen van hun eerdere werk naar de smartfoon. Iemand als Rafaël Rozendaal werd bekend met websites, in lichte tinten, waarop vaak één soort beweging als een golf, een patroon of een explosie te zien is waar je als gebruiker minimale invloed op hebt. Hij verkocht zijn websites in kleine oplages aan privéverzamelaars. Hij maakte ook de app Clouds, waarmee je niets anders kunt doen dan voorbijdrijvende wolkjes aanraken die dan verdwijnen. En zijn Finger Battle is een even populair als oersimpel spel. Samen met zijn boekjes en prints past het allemaal perfect in zijn oeuvre. Maar eerlijk is eerlijk: je bekijkt zo’n app hooguit één keer en laat hem daarna nog een keer aan je moeder zien om te tonen wat er allemaal mogelijk is. Dan komt er een nieuw model telefoon en vergeet je die apps volkomen. Je hebt ze niet nodig. Ze zijn eerder frivool dan light. Ze krijgen geen vleugels, maar waaien gewoon weg. Schermen stromen over van de frivoliteit en missen de in het hier en nu ingrijpende kracht van de geest-in-de-smartfoon. In oppervlakkigheid zit lightness, maar intelligente, serieuze lightness laat je frivoliteit als saai en zwaar ervaren. Paul Valéry: ‘Wees licht als een vogel, niet als een veer.’

Je kunt ook zeggen: speel serieus. Er bestaat een geschiedenis van krachtige beelden die voortkomen uit ludiek protest. De blanco protestvlag van provo: het is onduidelijk waartegen of -voor wordt geprotesteerd, maar het beeld blijft wel hangen. Daniel Buren die in 1968 ten tijde van een tentoonstelling in Parijs op zo’n tweehonderd plekken in de stad posters wildplakte met dezelfde strepen als de strepen van zijn kunstwerk in de tentoonstelling. Tegelijkertijd liet hij hoogst serieus twee sandwichmannen rondlopen (dat gebeurde toen nog als reclame): kerels met borden aan hun lijf, waar ze ook weer niets anders dan de groene en witte strepen op droegen. Ze maken reclame, ze lijken te protesteren, maar het is onduidelijk waarvoor. Hun protest is niet bedoeld om een politiek doel te bereiken, hooguit om je op een lichte manier over serieuze zaken te laten nadenken en nieuwe mogelijkheden te tonen. Een recenter voorbeeld is dat van de Yes Men. Op 4 juli 2008 verspreidden zij in een oplage van 80.000 een namaakeditie van de New York Times special edition, zogenaamd van 4 juli 2009, met daarin alleen maar goed nieuws, zoals het einde van de Irak-oorlog en de komst van een beter Amerikaans zorgsysteem. Ik probeer mezelf wijs te maken dat hun voorspellingen alleen daadwerkelijk zijn uitgekomen doordat de Yes Men er eerst in hun fictieve krant over schreven. Nog recenter is Newstweek: een eenvoudig klein kastje dat je niet kunt kopen, maar dat je als je de handleiding op de website volgt, zelf kunt bouwen. Het is bedoeld om op openbare plekken in het stopcontact te steken, bijvoorbeeld in de Starbucks, waarna je bij iedereen die op de openbare wifi zit de koppen van de nieuwsberichten die zij online lezen op je eigen laptop kunt aanpassen.

Hubbub

In Nederland hebben we Hubbub. Hubbub bestaat uit twee man: Kars Alfrink en Alper Çugun. Maar zo simpel is het niet, want Hubbub heeft een handvol vaste associates en daarnaast nog een netwerk van zelfstandige professionals die zelden fysiek aanwezig zijn, maar online altijd meewerken. De ondertitel van Hubbubs bureau, Games for Social Change, bekt lekker, met dat halve binnenrijm. Het is zowel een catchy slogan als oprecht idealistisch. Het klinkt bijna pretentieus, ware het niet dat er het woord ‘games’ in zit. Ze maken commerciële dingen, voor Shell en BMW, waar ze niks over mogen zeggen wegens geheimhoudingsclausules, maar ‘het is allemaal moreel verantwoord’, en ze maken dingen voor zichzelf, gewoon omdat ze er zin in hebben. Ze houden kantoor in Utrecht en Berlijn. Kars vliegt naar conferenties en presentaties over de hele wereld om andere Karsachtigen te ontmoeten. Ze gebruiken veel woorden die ik moet opzoeken. Ze updaten voortdurend over zichzelf op Tumblr, Facebook, Twitter, Foursquare, Asana, Goodreads, Slack, en ik vergeet er nog een heleboel, en het is nog interessant om dat te lezen ook. Op YouTube volgen ze een gamer die al een jaar lang in het eindeloze, virtuele landschap van Minecraft in plaats van het spel te spelen alleen maar rechtdoor loopt en daar in voice-over verslag van doet. Wat ze doen speelt zich grotendeels in de virtualiteit af, maar Alper zegt hierover: ‘Virtualiteit is echt.’ Met wat ze maken, ambiëren ze een esthetiek van interactie. ‘Games gaan niet over wat je ziet, maar over wat je doet.’ Deze esthetiek van interactie ontgaat je als het goed is, maar is datgene waardoor je terug blijft komen. Esthetiek voor makers, voor kenners die blij worden van een goed ontworpen spoorboekje. Hun nieuwste werk is geïnspireerd op de protesten in Istanbul: mensen bleven daar simpelweg staan, omdat dat het enige was dat ze nog konden doen zonder opgepakt te worden. En staan is misschien wel het enige dat we hier kunnen doen om onze bezorgdheid en deelneming kenbaar te maken zonder cynisch te hoeven zijn. We hoeven er niet de straat voor op en we kunnen meer doen dan iets liken of een online petitie tekenen. Deze fascinaties mondden uit in Standing: een app die bedoeld is om niets anders te doen dan stil te staan. Gewoon staan. Sta stil, druk een knop in en als je weer loslaat of als je te veel beweegt, verschijnt op een kaartje op internet waar je stond, hoe lang en, als je dat wilt aangeven, waarvoor. Je ziet ook waar anderen voor stonden. Ik zie ze al staan: een stand-in, van mensen in hun eigen huiskamers, mensen in winkels, mensen die normaal iedere ochtend in de file zitten te candycrushen, die allemaal hun smartfoon ingedrukt houden zonder dat er iets gebeurt, die daarmee even niet pingen of appen, die daar staan, in vreedzaam protest, en doordat ze daar gewoon staan misschien toch verandering teweegbrengen, omdat hun staan over de hele wereld wordt gezien. Met dat beeld, gefaciliteerd door die app, laten de makers zien dat we nog altijd zelf mogen weten wat we met die apparaatjes doen.

Er is bijvoorbeeld ook een telefoonnummer dat je kunt bellen voor een keuzemenu aan ingesproken scènes. ‘Toets 1 voor een monoloog door...’ Maar is er ook een app waarin je gekoppeld aan je GPS-locatie iemand een verhaal hoort voorlezen dat daar in de buurt is opgenomen? Er is vast nu een dichter-programmeur een apparaat aan het bouwen dat tijdens Pasen in de Twitter-accounts van voorbijgangers inbreekt en in hun eigen tweets de komst van de Messias aankondigt #secondcoming #bijuindebuurt. Waar staat de antenne die, als je hem nadert, de geschiedenis van je sms- en whats-app-berichten doorzoekt en door elkaar husselt tot een nieuw gedicht dat je per sms ontvangt? John Baldessari laat geen medium ongemoeid en zal hier toch ook wel raad mee weten? Of rasactivist Ai Weiwei? En zal Steve McQueen na kunst en films niet ook een goed idee voor een dienst hebben? Zou hij een app maken die afhankelijk van de snelheid waarmee je je voortbeweegt jouw stem voor de persoon met wie je telefoneert in verhouding in toonhoogte zal doen stijgen? Tonnus Oosterhoff als meester van kunstenaarsboekje en internetgedicht heeft het ongetwijfeld in zich: hoe zou zijn app eruitzien? Wat zou Italo Calvino voor dienst verzinnen? Welke webapp maakt Ovidius?

Ik kijk graag naar massageproduceerde waterpistolen in de vorm van dolfijnen, naar mensen die veranderen in laurierbomen – daar heeft Ovidius maar twee regels voor nodig –, naar een protestbord met alleen strepen en naar een nutteloze app. Ze delen de speelse, lichte toon waarmee de djinn een handelskaravaan tevoorschijn tovert, een optocht van kamelen beladen met juwelen. Met een enkele swipe kan ik een djinn laten doen wat ik maar wil. Waar djinns vandaan komen wordt niet helemaal duidelijk uit de verhalen. Maar hoe ze worden geboren weet ik wel: ik heb de omstandigheden gezien. Lightness zit in de wisselende samenwerkingsverbanden, in een ten opzichte van alle wereldjes alternatieve manier van leven, met tijdelijke, gedeelde kantoren en een auto die je niet koopt maar via een appje deelt. De combinatie van de lichte toon en een serieuze, doortastende uitvoering is zeldzaam, maar misschien wel de enige om in de digitale overvloed iets van betekenis te kunnen maken. Ik zie op een terrasje weleens iemand die, omdat hij zich verveelt, alle pagina’s van zijn smartfoon eindeloos voorbijschuift, alsof hij iets zoekt zonder te weten wat. Het ziet er dom uit, maar zo gek is het niet. Je weet nooit of er ergens een djinn zit verstopt.


Dit essay werd geschreven in het kader van De vuurlinie – kunstkritiek nu’, een samenwerkingsverband van Domein voor kunstkritiek en Stichting De Gids.