Je vriendin koopt een vis op de markt

Je vriendin koopt een vis op de markt. Jij bent op je werk en zij heeft vrij vandaag, dus ze slaapt uit tot na het middaguur, lakt haar nagels en maakt een lange wandeling door het park terwijl ze nadenkt over wat ze voor je zal klaarmaken als je vanavond komt eten.

Bij de kraam met mediterrane delicatessen koopt ze een bakje zwarte olijven met pit; bij de groenteboer een paar citroenen en een pond kruimige aardappels. Aan het eind van de markt vindt ze de vis. De vissen liggen op ijs en na een kort moment van aarzeling kiest ze een makreel; de grootste van het stel, ongerookt, met een glanzende huid en een stevige staart. De man van de vis vraagt of hij hem voor haar moet schoonmaken, maar dat doet ze liever zelf. Hij pakt hem voor haar in in kranten en een plastic tasje, en ze rekenen af. Ze is tevreden met haar keus en glimlacht; de man van de vis lacht terug, maar hij heeft werkelijk geen flauw idee. De citroenen, olijven en aardappels zijn wat ze lijken te zijn: citroenen, olijven en aardappels. Voor de vis geldt dat niet. Ook jij hebt geen flauw idee, maar alleen omdat je op je werk bent; als je haar hier gezien had, gezien had hoe ze koos voor de grootste en de stevigste, dan had je precies geweten wat je te wachten stond.

Je kleine woonkamer, schoenen uit, bord op schoot. Op de televisie demonstreert een man in een camouflagejas het borstelen van een wedstrijdpaard. Het geluid staat zacht. De vacht weerkaatst het licht van een volgspot; hoe kalm en roerloos het gezicht van je vriendin.

Tijdens een reclameblok veeg je in de keuken de borden schoon en zet je thee. Wil ze er iets bij? Het blijft stil. Jij wil er wel iets bij. Je schikt koeken op een schaaltje. Misschien heeft ze je niet gehoord. Ze volgt je met haar ogen van de keukendeur tot aan de bank, waar je de thee en koek neerzet op de salontafel. Ze wacht tot je het dienblad loslaat, staat dan op en haalt uit, één keer, maar flink, met de afstandsbediening naar je oor.

Het komt voor jullie beiden als verrassing. Je hapt naar adem, alsof het geen klap voor je hoofd was maar een stomp in je maag, verliest een moment je evenwicht en slaakt een kreet – zij schreeuwt en grijpt naar haar eigen gezicht, herpakt zich en neemt dan jouw gezicht in haar handen, kust het en roept dat het haar spijt. Maar als je opkijkt zie je de blos op haar wangen en de glans in haar ogen. Ze slaat haar ogen neer, stopt haar duim door een gat in haar mouw. Schaamte is het niet, dat zie je meteen. En omdat er bij haar van schaamte niets te zien is, schaam jij je plotseling verschrikkelijk, zoals je je nog nooit geschaamd hebt – je gezicht en hals worden rood en gloeien, behalve je oor, dat koud voelt en tintelt.

Het ging per ongeluk, zegt ze; niets aan de hand, zeg jij, en je gaat weer zitten. Ze vlijt zich naast je neer, vouwt haar benen over de jouwe, en valt vrijwel meteen in slaap. De thee wordt koud, het paard danst in draf langs de letters van het alfabet.

Die nacht lig je even wakker voor je in slaap valt; je slaapt tot de volgende ochtend, staat op en volbrengt de verplichtingen van de dag. Je hebt geslapen zonder te dromen, dat weet je zeker, maar er is niemand die het aan je ziet.

Ze slaat je met het snoer van de stofzuiger, terwijl je aan het telefoneren bent met je vader; ze slaat je met de opgerolde natte handdoek waar ze net haar haar mee heeft afgedroogd. Ze houdt je gezicht tussen haar handen en lacht, zoet als een appeltje. Je kunt werkelijk niet bedenken wat je verkeerd hebt gedaan; er is verder niets mis tussen jullie, ze lijkt zelfs vrolijker, ze lijkt zachter. Er wordt niet over gepraat. Omdat je de eerste keer niet boos was geworden, er zelfs niets van gezegd had, lijkt het onredelijk dat de keren erna wel te doen. En omdat ze je telkens slaat met spullen en niet met haar handen, is het makkelijker de spullen de schuld te geven, en niet haar.

Je weet dat je geen goed en geen kwaad kan doen, en dat bevrijdt je van het bittere. Je voelt je goed, je trekt elke dag schone kleren aan en ziet erop toe dat je voldoende water drinkt. Je aanvaardt de verantwoordelijkheid voor wat je hebt laten gebeuren.

Met kloppende bewegingen brengt ze zonnebrandcrème aan op haar gezicht en hals. Jullie zijn op het strand en als je straks een eindje gezwommen hebt en de boterhammen op zijn zal ze je verschrikkelijk hard slaan, met de stok van de parasol in je knieholtes.

Het is iets nieuws dat ze tegenwoordig graag lijkt te doen – ze doet het in het openbaar, op drukke plekken, onder de mensen. Maar ze waakt ervoor dat iemand jullie betrapt. Je vat het op als een uitdaging. Houd vol en binnenkort vertelt ze je haar plan met jou.

Er zijn tekenen. Ze heeft het tennissen weer opgepakt. Soms liggen er briefjes op de keukentafel. Vandaag is oud papier; Marcus jarig, bel even. Je stelt geen vragen. Niet omdat je de waarheid vreest, maar omdat je haar de tijd gunt de waarheid woorden te geven. Je prijst je eigen geduld. Jullie worden samen oud. Vandaag is oud papier.

Vlak voor het gebeurt zie je je eigen gezicht in haar zonnebril en de uitvergrote ronde gaten van de putjes in je neus. Je stelt je voor hoe je er twee vingers en een duim in steekt en je hoofd met een krachtige beweging wegslingert over het zand, hoe het een steen ontwijkt en in de branding tot stilstand komt.

Het is op een dinsdagochtend, voor je werk, dat je over de wasbak gebogen staat en je je bovenlip scheert en dat ze je met een doos waspoeder een klap in je nek geeft. Ze was inmiddels zelfs opgehouden zich te verontschuldigen; ze haalt uit, kijkt even verrast naar het voorwerp in haar handen en verlaat dan de kamer. Je wrijft over je nek en kijkt naar jezelf in de spiegel. Je bent uitgeschoten met het mes en er zit een krasje onder je neusvleugel.

Misschien heb ik gewoon een gezicht om te slaan, denk je, een gezicht dat er, in naam van je schouders, je rug, je schenen, om vraagt om geslagen te worden. Je herinnert je een andere vriendin in een andere tijd, een minder goede, de vlokjes spuug op haar onderlip, op de dag dat ze bij je wegging. Zonder reden was je begonnen met drinken op doordeweekse dagen. Je had even geen baan, dat was geen reden, maar daardoor was er de tijd. Te treurig om waar te zijn, eigenlijk – gelukkig heb je ze nu weer op een rijtje. Een gezicht om te slaan, ja, zoiets had ze geroepen. Had ze het werkelijk gedaan? Nee, en van weggaan was eigenlijk ook geen sprake, het was meer dat ze de intercom niet meer beantwoordde als je in de vroege ochtend bij haar aanbelde omdat je een bad wilde, en het stukje tussen haar oksel en haar borst om je wang tegenaan te leggen. Een gezicht om te slaan; een nieuwe baan had je vrij snel gevonden, maar zo’n gezicht, dat heb je natuurlijk voor altijd. Was het een vloek? Je berispt jezelf – niet een ander de schuld geven. Koud water in het gezicht.

Je hebt een goed gezicht. Je bent een mooie man.

Als het een vloek is, dan zal je die verdiend hebben.

Als het een vloek is, dan moet je hem opheffen; salie branden, offers brengen, vaker koken. Wattenstaafje kaal trekken, pluis op het wondje plakken.

In de auto stel je vast dat je sinds de dag dat ze je voor het eerst sloeg niets minder van haar bent gaan houden, het kan je niet eens iets schelen dat ze nooit meer sorry zegt; je vindt het eigenlijk wel bewonderenswaardig, die brutaliteit, je zou willen dat je zelf eens wat vaker deed waar je zin in had, zonder excuses.

Het is gewoon zo dat het best wel pijn doet, eigenlijk, elke keer een beetje meer; het is gewoon zo dat ze elke keer wat harder slaat. Ze heeft flink wat kracht in haar armen, die vriendin van jou, vooral als hij van links komt. En dat is waarom je heel even hoopt, wanneer je die avond de keuken in komt, en zij zich omdraait met de makreel in haar hand, dat ze hem alleen maar op het aanrecht zal leggen; dat ze de kop en vinnen zal verwijderen en onder koud stromend water de buikholte zal wassen; dat ze met een scherp mes wat inkepingen zal maken in de huid en hem vanbinnen en -buiten zal inwrijven met zout, peper en citroen; dat ze hem twintig minuten in de oven zal leggen, tot hij gaar is, terwijl de aardappels koken, en dat jullie hem dan op zullen eten, en dat het jullie goed zal smaken.