Drie gedichten

door Lize Spit

sabel

de buurman duwt zijn hond
de leiband strakgespannen als een sabel
de grasmaaier trekt de man die zijn ogen sluit
zo recht mogelijk achter zich uit

hier kan men hoogstens te pletter
lopen tegen lakens die maar niet drogen
op de hoek van het kerkhof ligt een café
daar zitten mensen te zitten
tot ze ergens anders te laat kunnen komen in hondenlevens
is er zeven keer minder tijd maar honden geven nooit die indruk
tenzij ze konijnen ruiken

duwen heeft veel weg van trekken
als het aan tegenovergestelde kanten plaatsvindt

zij die aan het kerkhof zitten bierdrinken lijden waarschijnlijk
aan te weinig
fantasie bijvoorbeeld wat als de avond valt en onze hoofden
van onze rompen scheidt

overgang

de dag dat ik merk dat mijn tepels kunnen drijven
metselen ze eindelijk een huis rond het behang
klusjesmannen klagen over de petieterige overgangen

cement smaakt naar niets, stort bij het slikken
de amandelen niet te pletter in de keel
billen worden er ook niet steviger door

jij bent goed in dingen terugvinden zegt moeder
die mijn wangen probeert los te knijpen. ze weet nog niet wat
ze in mijn fundering is kwijtgeraakt

er zijn buren die zich hun hele leven schijnbaar
alleen in moppen uitdrukken, rukken naast een
hond die nietsvermoedend

legomannetjes lachen allemaal hetzelfde
met veel zeep en hard wrijven krijg je hun mond eraf

uitgang

in elk gezelschap is er een vrouw
die meer van wagens weet dan ze toegeeft

in warenhuizen wordt voorrang gerespecteerd
de meeste ingangen kunnen doorgaan voor uitgangen
zelden omgekeerd

het nadeel aan vierwielaandrijving: het kan niemand nog echt schelen
eenmaal donker – tussen mijn schouderbladen zit een stuk huid
dat ik zelf nog nooit heb aangeraakt

het heeft de vorm van het water
dat vlak boven de overlapping van ruitenwissers wordt achtergelaten

paardenstaarten geven tijdens het lopen voortdurend
schouderklopjes, ik heb het vaak gezien bij vrouwen
met wie ik van leven wilde ruilen

op voorwaarde dat ik mijn ogen mocht houden