Humanisering, van utopie tot architectuur

Bureaucratisering, verkokering en verstikkende regelgeving dragen bij aan een steeds verdere inhumanisering van het economisch en maatschappelijk leven. De economische wetenschap zelf biedt wel degelijk handvatten om daarin verandering te brengen. Maar dat vereist een andere manier van denken. In plaats van utopische vergezichten te ontwikkelen is het beter een slimme architectuur te ontwerpen die de juiste prikkels geeft en op die manier humaan gedrag bevordert.

De mensheid kent de karakteristieken van een inhumane samenleving, maar is niet in staat het tij te keren en een humane wereldorde tot stand te brengen. Bespiegelingen over een humanere wereld nemen vaak de vorm aan van fraaie vergezichten gebaseerd op ethische idealen. Zij schetsen een overweldigend en verleidelijk perspectief, maar dat blijkt telkens te hoog gegrepen. Wie streeft naar humanisering van de samenleving kan beter bescheiden beginnen.

Daarom beperk ik mij tot het economisch en maatschappelijk leven en de transacties die daarin plaatshebben; transacties die de verdeling van schaarse middelen betreffen met het oogmerk te voorzien in behoeften van burgers als consumptieve deelnemers aan het economisch leven. Zo beschouwd gaat het om welvaart als afspiegeling van de individuele behoeftebevrediging van mensen van nu, van straks en waar ook ter wereld. Van humanisering van het economisch en maatschappelijk leven is sprake indien het voorzien in de behoeften van consumenten richtsnoer en maatstaf is voor de finale aanwending van de schaarse middelen.

Helaas gaan de ontwikkelingen heden ten dage juist in de richting van inhumanisering. In handen van veel economen is de beoefening van de economische wetenschap verworden tot een symbiose van de grafische rekenmachine, het jongleren met informatiesystemen en databestanden en financiële calculaties. De economische aspecten van maatschappelijke verschijnselen worden gereduceerd tot meetbare en op geld waardeerbare opbrengsten en kosten.

Spinoza nam in zijn wijsgerig werk al afstand van deze schrale kijk op het economisch leven. Mensen beleven evenzeer een kwalitatieve, niet-calculeerbare werkelijkheid, die het noodzakelijk maakt dat in hun behoefte aan natuur, open ruimte, milieu, leefbaarheid en cultuur wordt voorzien. Door de arbeid niet alleen als productiefactor, maar ook als consumptiegoed op te vatten, valt het invullen van de behoefte aan zinvolle arbeid voor de burgers onder deze integrale zienswijze. Humanisering vereist dat bij het nemen van beslissingen, bij het vormgeven en uitvoeren van transacties, de mensen om wie het uiteindelijk gaat in beeld zijn en blijven: patiënten in de zorg, huurders van corporaties en leerlingen en studenten in het onderwijs. In de Nederlandse samenleving is van humanisering in deze zin steeds minder sprake. De besluitvorming wordt gehinderd door een gebrek aan overzicht dat wortelt in het intellectuele tekort van bestuurders. Fragmentatie, verkokering en bureaucratisering leveren slechts inhumaniserende transacties op, die door perverse financiële prikkels nog extra in de hand worden gewerkt.

‘Alsof’-gedrag

Of de samenleving zich wil bewegen in de richting van humanisering of inhumanisering gaat de economische wetenschap strikt genomen niet aan. Deze speelt pas een rol wanneer een keuze voor het een of het ander is gemaakt. Het ontwerp van de architectuur voor het een of het ander verschilt ingrijpend. Je kunt je afvragen hoe in de samenleving de keuze omtrent humanisering tot stand komt. Overheersend is het antwoord dat à la longue wordt vertrouwd op het veranderen van de mentaliteit van de mensen, waardoor van binnenuit een verbetering ten goede wordt bereikt. Niet zelden wordt een cultuuromslag bepleit. Deze utopische zienswijze knoopt aan bij drijfveren, emoties, motieven en impulsen van mensen en bij hun normatieve opvattingen over ethiek, eerlijkheid, betrouwbaarheid en integriteit. De stilzwijgende veronderstelling is dat het gedrag langs inwendige weg vatbaar is voor positieve beïnvloeding, zodat de moraal van de mensheid op een hoger plan wordt getild.

Na eeuwenlange strijd is dit humane vergezicht echter nergens gerealiseerd, noch in het groot, noch in het klein. In Nederland zijn door het opleggen van gedragscodes, het invoeren van autoritaire, bureaucratische procedures en het voortschrijden van verstikkende regelgeving, begeleid door hardvochtige handhaving, de voorwaarden geschapen voor het uitzwermen van inhumaniserende transacties. De taferelen op de werkvloer van de jeugdzorg zijn hier een hartverscheurend voorbeeld van. Op grote schaal is sprake van doorgeschoten uitwassen van de hersenschimmen van de beoefenaren van de sociale wetenschappen, die in de woorden van Spinoza ‘een menselijke natuur prijzen die nergens te vinden is en die welke er in de werkelijkheid wel is, onophoudelijk laken’.

Ik onderschrijf de oproep van Spinoza uit te gaan van de mensen zoals ze zijn, niet van de mensen zoals ze volgens een fictief, normatief en illusoir schema behoren te zijn. Vertrouw daarom in de samenleving niet op vertrouwen, ga niet uit van intrinsieke eerlijkheid en integriteit van mensen in het maatschappelijk verkeer. Koester deze psychische karakteristieken in de intimiteit van de persoonlijke levenssfeer, maar zie in de sociale samenhang af van deze eeuwenoude, doch lege huls. Aanvaard de imposante verscheidenheid aan psychische eigenschappen van mensen als een geschonken deugd, waarvan de samenleving de vruchten plukt.

Het hier ontvouwde inzicht klemt te meer omdat de samenleving niet verlangt dat mensen intrinsiek betrouwbaar, eerlijk en integer zijn. Voor het sociaal en economisch handelen is het noodzakelijk en voldoende dat mensen zich gedragen alsóf zij eerlijk, betrouwbaar en integer zijn. Of de mensen het werkelijk zijn, is voor de afloop van de economische en sociale activiteiten niet van belang en evenmin controleerbaar. Het gaat derhalve niet langer om intrinsieke eigenschappen van mensen, maar om het in de samenleving tot stand brengen van interactieve gedragspatronen, die vorm en inhoud geven aan een humanere inrichting van het economisch en maatschappelijk leven. Het ‘alsof’-gedrag is van dit bouwwerk een belangrijke drager, want de ‘alsof’-eigenschappen zijn niet van nature gegeven, maar de vrucht van doelbewuste architectuur. Deze architectuur heeft niet het karakter van formele en vastgelegde regelgeving, met de bureaucratie die daarbij hoort, maar behelst een ontwerp van analytische arrangementen, die het gedrag van mensen coördineren door creatief gekozen positieve prikkels. Positief betekent dat de uitkomsten de voorkeuren weerspiegelen van de burgers die verantwoordelijkheid dragen en risicodragend zijn.

Mechanism design

Dit perspectief krijgt gestalte door een route te bewandelen die de economische wetenschap aanreikt in het leerstuk mechanism design. Het gaat over social engineering en behandelt het oplossen van economische vraagstukken waarvan de allocatie via markten niet tot stand komt of uit een oogpunt van rechtvaardigheid door de samenleving niet wordt aanvaard. Er heeft veel meer allocatie buiten de markt om plaats dan doorgaans wordt beseft. Terwijl over doelstellingen, zoals het verduurzamen van de wereldeconomie, vergaande overeenstemming bestaat, spitsen tegenstellingen zich toe op de uitvoering. Dat vergroot de behoefte aan besluitvorming die op basis van individuele voorkeuren het verwezenlijken van collectieve doelen dichterbij brengt door gedrag van de burgers te kanaliseren met behulp van positieve prikkels.

Mechanism design gaat uit van de mensen zoals zij zijn, respecteert hun individuele vrijheid en ontwerpt zo eenvoudig mogelijke humane coördinatiemechanismen die erop gericht zijn de finale doelen te verwezenlijken, zodat de waardering van de burgers hoger is dan wanneer zij zijn overgeleverd aan de optelsom van ongecoördineerd, individueel handelen. Ouders die hun twee kinderen een taart geven en de verdeling overlaten aan de vrijheid van de kinderen, lokken slechts een conflict uit. Wil men de verdeling zonder conflicten tot stand brengen, dan volstaat de prikkel: ‘Kind A deelt en kind B kiest.’ Een inhumane ‘bevelseconomie’ wordt op die manier vermeden ten gunste van een humane oplossing.

In de samenleving is het niet anders. Wiskundig beschouwd komt constructieve architectuur à la mechanism design neer op het ontwerpen van een spelsituatie die de collectieve besluitvorming genereert door het begeleiden en uitlokken van individuele keuzes door positieve prikkels. Chaos en conflicten die ontstaan door individuen aan hun lot over te laten, worden vermeden. De door de betrokken burgers gedragen besluitvorming wordt gestroomlijnd door een aan de rede ontleende architectuur, die meer verwantschap vertoont met de exacte dan met de sociale wetenschappen. De individuele vrijheid om afwijkend te kiezen blijft in formele zin overeind – erg belangrijk vanwege de vrijheidsbeleving van de burgers – maar in het optimum wordt afwijkend keuzegedrag niet geëffectueerd. De grootscheepse toepassing van deze theorie is een humaan alternatief voor de heilloze weg die verscheidene samenlevingen in de wereld zijn ingeslagen, gekenmerkt door inhumanisering van transacties, verwoestende regelgeving en intolerantie in de sfeer van handhaving en falend toezicht.

Op kleine, niet onbelangrijke schaal is de zwarte vlieg in de toiletpot van het herentoilet een eenvoudig en effectief voorbeeld van het bevorderen van een duurzame en humane samenleving door geschikte prikkels. De mannen gedragen zich alsof zij op dit punt betrouwbaar zijn, waarmee de oeverloze discussie of zij van nature betrouwbaar of onbetrouwbaar zijn haar betekenis verliest. Het zwarte vliegje is een humane architectuur vergeleken met het alternatief waarin het gewenste gedrag met harde hand wordt afgedwongen door gebodsbepalingen. Het zwarte vliegje is een voertuig voor communicatie. De mannen geven informatie prijs door ongedwongen op het vliegje te mikken bij het urineren. Als het doel van de architectuur wordt gediend, is de prikkel geschikt, dus één en niet meer dan één vliegje, want anders weten de mannen het niet meer. Dat zij intussen de vrijheid behouden naast de pot te plassen, is uit het oogpunt van humanisering van belang.

Mechanism design kent enkele belangrijke karakteristieken. Allereerst het ontwikkelen van nieuwe instituties om allocatie te bewerkstelligen buiten de markt om. Bij het verdelen van de taart kiezen de meeste kinderen voor het ontwerp waarbij zij zonder ruzie de taart verdelen. De vraag is telkens of er een prikkel wordt bedacht die deze uitkomst oplevert. Het zwarte vliegje is een dergelijke vondst.

In groter verband gaat het niet meer om de verdeling van taart, maar bijvoorbeeld om de verdeling van leerlingen van basisscholen over scholen voor voortgezet onderwijs of van beschikbare nieren over patiënten die een nier nodig hebben. Stel, de samenleving vindt het niet aanvaardbaar die met behulp van markten, veilingen of loten te laten plaatsvinden. De Amerikaanse Nobelprijswinnaar voor Economie Alvin Roth heeft een methode ontwikkeld die allocatie tot stand brengt buiten het marktmechanisme om, waarbij leerlingen en patiënten centraal staan. De wensen en mogelijkheden van leerlingen (en hun ouders) en patiënten worden in zijn model verwerkt, evenals kennis over de mogelijkheden van de scholen en het aanbod van nierdonoren. Het blootleggen en gebruikmaken van deze cruciale informatie is een tweede karakteristiek van mechanism design; daarin schuilt zijn toegevoegde waarde in niet-materiële zin en zijn betekenis voor het humaniseren van de samenleving. De architectuur is erop gericht de voorkeuren van alle betrokkenen in beeld te krijgen om vervolgens de voorwaarden voor een stabiele matching vast te stellen. De matching is stabiel, indien niemand met een ander wil ruilen nadat de verdeling aan alle betrokkenen is voorgelegd.

Perspectieven

Een tweetal mondiale thema’s illustreert de draagwijdte en potentie van mechanism design als constructieve en humane architectuur.

De wereldwijde organisatie van het toezicht op banken is een mondiaal vraagstuk, waarbij de denkbeelden van mechanism design potentieel een positieve rol spelen. Tot zover is dat niet het geval. Er is enkel sprake van voortschrijdende regelgeving in het toezicht op financiële instellingen. De kosten daarvan zijn enorm. De uitvoering legt een groot beslag op het management van banken en vergt intern hele afdelingen die zich met de gevolgen van telkens nieuwe regelgeving bezighouden. Bovendien leidt deze aanpak tot stagnatie: de vrees iets verkeerd te doen belemmert initiatief en innovatie. Het ontwerpen van een overkoepelende architectuur staat niet op de agenda, en de hoofdvraag ‘Voor wie doen we dit?’ is niet aan de orde. Mechanism design noopt daartoe en verwijst naar het specificeren van wensen, om vervolgens architectuur te ontwerpen die vertrekt van de voorkeuren van mensen zonder deze te veranderen. Een constructieve architectuur aan de hand van de inzichten van mechanism design plaatst het toezicht in een ruimer kader en zal een vormgeving nastreven die ruimte laat aan innovatie en die initiatief niet bij voorbaat uitschakelt, maar juist aanmoedigt. Het invoeren van positieve prikkels die dit gedrag uitlokken, komt dan evenzeer aan de orde als het behoeden van de financiële sector voor ontsporingen.

Een tweede uitwerking van constructieve architectuur, die naadloos aansluit bij deze denkbeelden, is het wereldwijd tot stand brengen van een circulaire of kringloopeconomie. Dit innovatieve ontwerp wordt aangezwengeld door het opraken van grondstoffen en het ophopen van afvalstromen in de traditionele productiewijze. De gevestigde productiewijze kent een rechtlijnige samenhang tussen de inzet van productiefactoren, het voortbrengen van goederen en diensten, en de productie van afval. Een circulaire economie beoogt de productieprocessen bij het ontwerpen al zo in te richten dat grondstoffen worden hergebruikt en afval wordt vermeden, door inventieve aanwendingen in dezelfde productieprocessen of door gebruik te maken van andere sectoren van de economie. De opvatting van een economisch proces als een kringloop sluit aan bij het denken van David Ricardo (1772-1823), Karl Marx (1818-1883) en Piero Sraffa (1898-1983). Voor deze grootmeesters zijn consumptiegoederen enerzijds finale goederen en anderzijds input voor de reproductie van arbeid en een nieuwe productieronde.

De slotsom is dat de economische wetenschap indrukwekkende bouwstenen aanreikt voor het humaniseren van de wereld. Bouwstenen voor één wereld vol verscheidenheid met ruimte voor iedereen en met meer perspectief op een leefbare samenleving.