Socrates staat stil

‘Jij verwacht dat universiteiten de vrijheid en zelfontplooiing van de student en de docent of onderzoeker dienen. Maar dat is helemaal niet het geval. Als ze dat ooit al deden. Ze zijn geïnteresseerd in jouw zo groot mogelijke productiviteit, zowel in onderwijs als onderzoek. Kwaliteit en originaliteit van denken kosten simpelweg te veel tijd en te veel geld.’ Zijn woorden bevielen haar geenszins. Niet alleen vanwege de inhoud ervan, maar ook door de stelligheid waarmee hij ze bracht. ‘Het is nu eenmaal zo dat..., we moeten accepteren dat...’ Zijn toon was dwingend. ‘Doe nou maar wat er van je verwacht wordt, wees gehoorzaam, het is voor je eigen bestwil.’ Ze hekelde de gedachteloosheid waarmee hij de heersende, dominante opvattingen en tendensen verwoordde en herhaalde. Alsof het hier om een onomkeerbare ontwikkeling ging. Alsof niemand hier ook maar iets aan kon doen of verantwoordelijk voor was.

‘Wat heeft het verwerven van onderzoekssubsidies met filosofie te maken? Wat heeft het produceren van zo veel mogelijk artikelen met denken te maken?’ vroeg ze. ‘Als dit is wat we doen, als driekwart van onze gesprekken alleen nog maar hierover gaat, waarom zouden we onszelf dan nog filosoof noemen?’ Hij antwoordde: ‘Wat wil je dan? Buiten de wetenschap heb je nog veel minder vrijheid. We bevinden ons nog altijd in een luxepositie.’

Op de werkvloer heerste een taboe op ieder gesprek over de waarde en zin van de nieuwe werkelijkheid aan de Nederlandse universiteiten. Zo’n gesprek hield wetenschappelijk onderzoekers alleen maar af van hun werk: artikelen publiceren en subsidies aanvragen. Liefst collectief en binnen voorgekauwde onderzoeksprogramma’s.

Ze heeft even overwogen om fulltime docent te worden, om daarmee voorgoed verlost te zijn van de continue publicatie- en aanvraagdruk. Om dan toch in ieder geval in de collegezaal de teksten te kunnen lezen die haar zo dierbaar zijn. Klassieke teksten die iedere keer weer in een ander licht verschijnen, die voor iedere nieuwe groep studenten, iedere nieuwe generatie, weer opnieuw moeten worden geduid. Maar ook de vrijheid van de docent werd steeds verder ingeperkt. Studies waren opleidingen geworden waar studenten zo snel mogelijk doorheen moesten worden gejaagd. De onderwijslast werd alsmaar groter. En de overheidscontrole was zó aangescherpt, dat de inhoud en tentaminering van de vakken volstrekt was gestandaardiseerd.

Ze probeerde het nog één keer: ‘Is het dan zo verkeerd om te verwachten dat er aan de universiteit plaats is voor, nee, dat het dé plaats is voor, vrijheid van onderwijs en vrijheid van onderzoek?’ Hij antwoordde: ‘Je moet realistisch zijn. Het succes van een wetenschapper wordt nu eenmaal bepaald door de hoeveelheid geld die hij of zij weet binnen te halen en het aantal afgestudeerden dat hij of zij weet af te leveren. En wees eerlijk: kwantiteit is een objectiever beoordelingscriterium dan kwaliteit.’

‘Waarom zou je in vredesnaam gedwongen moeten worden om met je vakgenoten je leven lang de competitie aan te gaan?’ dacht ze nog. ‘Het veroorzaakt wantrouwen en onderlinge vijandigheid, in plaats van de rust en de welwillende houding die je nodig hebt voor een inhoudelijk gesprek.’

Ze deden er beiden het zwijgen toe.

Ze moest erkennen dat hij de waarheid sprak. De filosofie pretendeert een wetenschap te zijn en de wetenschap pretendeert economisch en maatschappelijk relevant te zijn. Filosofen zijn gaan geloven dat ze er zijn om oplossingen te bedenken voor maatschappelijke problemen. Oplossingen die door de mensheid kunnen worden benut. Ze zijn vergeten dat ze helemaal geen probleemoplossers zíjn. Filosofen horen juist problemen te veróórzaken. Problemen die anderen niet zien of waar anderen willens en wetens de ogen voor sluiten.

Ze was niet de eerste die deze kritiek uitte. Anderen hadden al gezegd dat de uitkomst van filosofisch onderzoek helemaal niet voorspeld kan worden, dat filosoferen geen middel is, maar een doel op zich, een zoektocht naar waarheid en betekenis die intrinsiek waardevol is en per definitie onvoltooid blijft. Maar hun woorden hadden niets uitgehaald. Integendeel. Critici riepen de verdenking over zich af dat hun houding alleen maar voortkwam uit eigenbelang. Ze zouden domweg niet goed genoeg zijn om mee te komen, om zich op internationaal niveau te meten door te publiceren in highly ranked peer reviewed journals en succesvol te zijn bij het binnenhalen van prestigieuze research grants. Filosofen zélf waren de vraag wat filosofie is als irrelevant, als onproductief gaan beschouwen.

Ze moest het over een andere boeg gooien.

Een week geleden had ze een boek gelezen waarin een bekende anekdote over Socrates centraal staat. In Plato’s Symposium vertelt Alcibiades hoe hij zich herinnert dat Socrates eens uren achtereen stilstond, zichtbaar peinzend, kennelijk kauwend op een vraagstuk, de wereld om hem heen volledig vergetend. Pas de volgende ochtend liep hij weer door. De auteur van het boek beargumenteert dat Socrates niet zozeer stil bleef staan omdat hij een theoretisch vraagstuk wilde oplossen, als wel omdat hij zich geconfronteerd zag met een probleem dat gevolgen had voor zijn eigen handelen. Zolang hij geen antwoord had gevonden, kon hij geen stap meer verzetten, simpelweg omdat hij niet wist welke dit zou moeten zijn.

Zij voelde zich precies zo. ‘Als dít moet doorgaan voor filosofie, als dít een leven moet voorstellen in dienst van de liefde voor de waarheid, dan kan ik niet verder.’ Juist omdát ze zichzelf als filosoof beschouwde, kon ze niet door op de gebaande weg.

Even schrok ze terug voor haar vergelijking met Socrates. Wie dacht ze wel niet dat ze was? Onlangs vond ze het volgende antwoord op de vraag wat filosofie is, dat als motto was gekozen voor een boek:

Filosoferen is: in het bewustzijn van de volstrekte vergankelijkheid van al het menselijke, maar tegelijk alsof je over de totale eeuwigheid beschikt, naar de waarheid zoeken – in volkomen rust, zonder enige haast; dringend, maar nooit gehaast – met de moed tot dit schone waagstuk, en voortdurend bereid, volledig van voren af aan te beginnen.

Of ze het met elk woord eens was, wist ze nog niet, maar wat vormden ze een contrast met de woorden van haar collega. Als je de vraag naar de waarheid werkelijk ernstig neemt, moet je ervan uitgaan dat je voor de beantwoording ervan eeuwig de tijd hebt, mag je je door niets of niemand laten opjagen, en moet je altijd bereid zijn helemaal opnieuw te beginnen.

Alleen zó kon ze als filosoof verder. Desnoods buiten de universiteit.