Ter ere van ons

We spelen graag spelletjes met mama. We vergeten nooit die keer dat ze naar de winkel ging om melk te halen, een taak die ze al vele malen eerder had volbracht, in het oude land. Maar nu was het anders, want het was haar derde dag in dit nieuwe land, en haar ziel was bezoedeld. We stuurden haar, of we brachten het allemaal teweeg op een… tja, op een irrelevante manier. We zeiden tegen haar dat ze rustig moest blijven, dat ze het stapje voor stapje moest doen. Uiteindelijk zien alle supermarkten er hetzelfde uit, waar je ook bent op aarde. Ook wezen we haar erop, op de voor ons kenmerkende wijze, dat er vermoedelijk maar één ding overal op de wereld hetzelfde is en dat is de kunst om een winkel binnen te gaan, te pakken wat je hebben wilt en het bij de kassa af te rekenen. Dat was natuurlijk een leugentje van onze kant. Maar mama luisterde en probeerde moed te vatten. Echt trots zijn we op ons argument waarbij we een beroep deden op haar goede geheugen: had ze een paar dagen geleden niet het besluit genomen om alles achter te laten, haar koffers te pakken en naar dit land te gaan, alleen, jong en met haar drie kinderen, die we overigens innig liefhebben? Nou, hoe was het dan toch mogelijk dat ze nu terugdeinsde voor zo’n alledaagse taak als een pak melk kopen?
We hielpen haar in haar jas, langzaam, langzaam. Daarna hielpen we mama met haar drie kleine kinderen hun schoenen, mutsen en sjaals aan te trekken.
Ze wilde net de deur opendoen toen we haar op de schouder tikten: misschien moest mama zich iets beter voorbereiden. Ze pakte een Spaans-Zweeds woordenboek en zocht woorden op, zoals ‘hallo’, ‘ja’, ‘nee’, ‘melk’, ‘bedankt’. We raadden haar aan om de woorden met haar kinderlijke handschrift op een briefje te schrijven, om zo een spelletje met haar te spelen. Voor haar eigen bestwil natuurlijk, en voor haar bezoedelde ziel. Want diep van binnen wisten we dat elke voorzorgsmaatregel tevergeefs was; we waren erop gebrand, erop gespitst, vastbesloten: we zouden erop toezien dat ze zichzelf te kijk zou zetten, en bij die gedachte wreven we ons in de poten.
Gespannen zagen we mama en haar kinderen de trap af lopen, langzaam, langzaam. Buiten was het koud. Dit was nog voordat mama in steen was veranderd en ze het nog koud kon hebben. Er lag een dik, mooi pak maagdelijke sneeuw. De kinderen doken er snel in, rolden zich in de witte massa en maakten er zachte ballen van, die ze naar elkaar toe gooiden. We lieten ze spelen, tot een sneeuwbal per ongeluk mama’s arm trof. Ze vroeg hun voorzichtig te zijn, ermee op te houden, niet zo hard te lachen, niet zo hoog te springen, niet zo zichtbaar te zijn. Mocht je eigenlijk wel zomaar met sneeuw spelen? Misschien waren daar in het nieuwe land wel regels voor. We zeiden tegen haar dat ze haar verstand moest gebruiken: natuurlijk was er geen wet die voorschreef hoe kinderen moesten spelen. In plaats van zich druk te maken over dat soort domme dingen kon ze beter bedenken wat ze moest doen als iemand in de winkel op het idee kwam haar aan te spreken. We staken haar hand in haar jaszak en visten het briefje eruit waarop ze de woordjes had genoteerd. Toen pakte ze een sigaret en stak die tussen haar lippen. Maar de aansteker? Waar was de aansteker nou? Die hadden we voor haar verstopt. Voor haar eigen bestwil natuurlijk, en voor ons plezier. Ze groef in alle zakken, bleef staan, voelde een brok in haar keel en schreeuwde tegen haar kinderen dat ze rustig en stil naast haar moesten gaan lopen. Ze deden wat ze zei. Maar ze wist onmiddellijk dat ze onredelijk was geweest en ze fluisterde: ‘Ga maar spelen.’ En wij gingen weer verder met ons spelletje.
Want we spelen graag spelletjes met mama. We zullen nooit vergeten dat ze met gebogen hoofd de winkel in ging en tegen haar kinderen zei: ‘Ga de melk zoeken.’ En omdat kinderen nu eenmaal kinderen zijn – vooral deze drie kleintjes, op wie we zo gesteld zijn – zagen ze deze aansporing als een uitdaging: wie zou als eerste de melk vinden? Ze zouden tussen de schappen door hebben gerend en een hels kabaal hebben gemaakt, als mama deze keer – tot onze grote vernedering, dat moeten we toegeven – niet sneller was geweest dan wij en op tijd een catastrofe had weten te voorkomen: ‘Alsjeblieft, kinderen, rustig blijven, ik wil niet gezien worden.’ Die laatste zin, ik wil niet gezien worden, vinden we nogal tragisch, aangezien we ons mama aan het eind van het spelletje zouden herinneren als een standbeeld dat door de hele wereld aanschouwd kon worden.
Ze vonden het schap met de zuivelproducten. Mama haalde het briefje tevoorschijn (wij haalden het voor haar tevoorschijn) en verzekerde zich ervan dat het woord ‘melk’ op het pak stond. Maar nu hadden we ervoor gezorgd dat ze uit drie pakken melk kon kiezen: een rood, een blauw en een groen pak. Mama vroeg ons wat het verschil tussen die drie was, waarop wij… tja, iets irrelevants antwoordden. Maar voor de kinderen was het wel relevant, ieder had zo zijn lievelingskleur, ze wilden per se dat mama rekening hield met hun smaak en dus ontstond er een gegil en gekrijs van jewelste. Mama loste het conflict op door een liter van elke soort in haar mandje te leggen. Niet zonder trots kunnen we melden dat we ervoor zorgden dat voor elk pak dat ze in haar mandje legde haar ziel iets meer bezoedeld werd, de brok in haar keel iets dikker, iets zwaarder, tja… voor haar eigen bestwil natuurlijk. En omwille van het spelletje.
Bij deze gelegenheid zorgden we er op uiterst elegante wijze ook voor dat mama een bekende bij de kaas dacht te zien staan. Een oude vrouw, slank, klein, met vriendelijke ogen en voeten die naar binnen wezen. Het was mama’s moeder. Maar dat kon helemaal niet, want haar had mama voorgoed verlaten. Hier was helemaal geen lieve moeder met kleine voeten die naar binnen wezen! En kijk, toen kon mama haar tranen niet meer bedwingen. Maar dat deden wij voor haar: ze kon toch niet hier midden in de winkel in huilen uitbarsten, in het bijzijn van haar kinderen, in het bijzijn van al die mensen… en in het bijzijn van ons. Schaam je, mama. Ga nu maar naar de kassa, zet de melk op de band, maak je onzichtbaar en geef de caissière een groot biljet.
De caissière trouwens, een vrouw van een jaar of… ach, dat is irrelevant. Maar ook met haar speelden we vroeger graag spelletjes. We vergeten nooit meer wat ze een keer heeft meegemaakt. Het was op een ochtend, een kort briefje van ons, een droom aan diggelen, voor haar eigen bestwil natuurlijk, en voor ons genoegen. Dat briefje hebben we in de bezoedelde ziel van de caissière getatoeëerd, en ze worstelt er voortdurend mee, ook nu, terwijl ze achter de kassa zit en mama met twee lege ogen aankijkt, vecht ze ertegen. Mama staat al met het biljet in haar gekwelde, klamme hand. De caissière groet mechanisch, laat de drie pakken melk op de band voorbijrollen en vraagt mama routineus of ze anders nog iets wil. We leunen achterover, spinnen van genot en genieten intens van de verbazing, de stilte en de spanning die mama’s antwoord veroorzaakt. De caissière fronst haar wenkbrauwen, mama voelt dat haar wangen gloeien en de mensen in de rij achter haar richten hun blik op mama’s zonde. We vergeten nooit wat er toen gebeurde, of liever gezegd wat wij veroorzaakten: de caissière stelt haar de vraag nog een keer en mama is niet dom, ze antwoordt opnieuw dat ze behalve de melk niets anders wil. Nu voelt de caissière een van onze klauwen in haar buik krassen, de tatoeage in haar ziel wordt een beetje groter, en omdat we teruggekomen zijn om spelletjes met haar te spelen, heeft ze ineens moeite haar hoofd rechtop te houden. Haar geduld raakt op: ze snuift, scheurt de bon af en kwakt het wisselgeld hardhandig in mama’s hand. Wij vonden het allemaal hoogst vermakelijk om te zien hoe mama wegsnelde, haar jongste twee kinderen bij de hand greep en de supermarkt uit rende, bezoedeld, onhandig, dom. Onderweg verloor ze een paar munten. De kinderen riepen: ‘Mama, wat is er gebeurd?’ Mama antwoordde: ‘Ik weet het niet, ik weet het niet…’
Maar wij weten het. Natuurlijk weten wij het. Want wij hebben het ooit zo geregeld dat alleen in het oude land de caissière vraagt of de klant verder nog iets wenst. In het nieuwe land vraagt ze of dit het was. ‘Was dit het?’ vroeg de caissière. ‘Nee, dank je,’ antwoordde mama. Maar dit was het! Nee dank je, nee dank je, nee dank je! Voor haar eigen bestwil natuurlijk. En voor ons fatsoen.
Wij zaten ook achter het verlangen dat mama nog lange tijd had, een onomstotelijk feit, dat we regelmatig met veel enthousiasme benadrukken. Niet om op te scheppen of om indruk te maken, maar gewoon, omdat we vinden dat wij, juist wij, de waarheid moeten koesteren en de vergetelheid moeten verdringen. Want we spelen graag spelletjes met mama. Zo zetten we bijvoorbeeld om beurten koffie voor haar en hielpen we haar nicotine te inhaleren, heel erg diep. Een aantal van ons heeft zijn slagtanden voorgoed in haar voorhoofd gezet, anderen zagen het als hun taak diepe rimpels om haar ogen te kerven en weer anderen namen het op zich om haar haren grijs te kleuren. Samen dwongen we haar met kleinere passen te lopen, en in het kader van het spelletje hebben we twee, drie schimmen op bezoek laten komen, soms was ze er zelfs blij mee. Verder hebben we haar zakken zorgvuldig geleegd, en uiteindelijk hebben we een grote bal teer gekneed, waarin we in alle bescheidenheid haar hart hebben gedrukt. Voor haar eigen bestwil uiteraard. En voor ons welbehagen.
Op een nacht hadden we bovendien de eer haar in haar dromen naar haar oude land terug te voeren. Ze stond weer op het plein. Alles was hetzelfde, maar kleiner, alles leek te zijn gekrompen. Maar waar waren de mensen? Er was niemand te zien. Er waren geen bedelaars, geen schoenpoetsers. Geen duiven. Waarom was het zo stil? Mama rende en riep de namen die ze nog wist, maar de straten antwoordden niet. Ze dacht: De Dictator is vast niet afgetreden, hij heeft een uitgaansverbod afgekondigd, de mensen houden zich schuil in hun huizen. En de duiven houden zich schuil. En de bedelaars. Er kwam een legerjeep aangereden. Het voertuig kwam voor haar tot stilstand, en een jonge militair stak zijn hoofd naar buiten. Er gebeurde niets, hij salueerde en reed weer terug met de jeep. Mama bleef naar mensen zoeken. Op straat ontstond een strand en op het strand was een oude visser. Mama liep naar hem toe en vroeg waar de mensen waren. Hij verstond haar niet; ze had in de nieuwe taal gesproken, de taal van haar nieuwe thuisland. Ze probeerde uit alle macht de oude woorden terug te vinden, maar dat mislukte, haar spraak werd verwrongen (wij verwrongen die voor haar) en ze hoorde zichzelf onzinnige dingen zeggen. De visser beefde van angst: hij rende weg, struikelend. Dus bleef mama alleen en uitgeput op het strand achter. Ze viel op haar knieën en huilde. Haar tranen waren zo talrijk dat ze een enorme plas vormden. En in die plas van tranen zag mama haar eigen spiegelbeeld, ze zag zichzelf, ze zag De Dictator. We spelen graag spelletjes met mama.
Maar aan alle spelletjes moet een eind komen, een hypothetisch eind althans, anders vindt niemand er wat aan, wij noch iemand anders. Dus toen het ons goed uitkwam, op een dag dat het moment was aangebroken en alle trucjes waren opgebruikt, kwamen we uit onze schuilplaats tevoorschijn en vielen mama van alle kanten aan. Ze bood wel verzet, mama, dat deed ze zeker, maar we waren met velen en we waren sterk en we leerden haar van steen te worden. Voor haar eigen bestwil natuurlijk. En voor ons plezier.
Het stenen standbeeld lieten we vervolgens oprichten in de vorm van een reusachtige fontein midden op een van de grootste pleinen van de hoofdstad, omgeven door miljoenen rozen en bankjes waarop ’s zomers verliefde stelletjes zitten. Het monument voor mama werd onthuld met lange toespraken van belangrijke mannen en een muziekstuk dat gespeeld werd door een imposant orkest. Het standbeeld staat daar nog steeds, statig en grotesk reikt het naar de wolken. In haar ene hand heeft mama een… nee, geen fakkel. Nee, geen boek. Mama’s standbeeld is vrijer, want in haar handen heeft ze… ach, iets irrelevants. Gelaten kijken de inwoners van de stad op naar het enorme beeld en denken: zo, nu vergeten we mama nooit meer. En om haar heen, aan haar voeten, vlak boven, achter en op haar, zijn wij. Precies: Wij, Wij allemaal, zonder uitzondering, met onze klauwen in haar rug en onze staarten strak om haar hals. Uit onze wijdopen bekken spuiten dunne waterstralen

in

h
e
t
niets.


--

Ter ere van ons is oorspronkelijk in 2001 verschenen als Till vår ära. Het verhaal is vertaald is op initiatief van Petra Broomans tijdens de Masterclass Literair Vertalen Zweeds-Nederlands van het Expertisecentrum Literair Vertalen.

Vertaling uit het Zweeds:

Kim Liebrand is literair vertaler Zweeds en IJslands. Onlangs verschenen haar vertalingen van De liefde en De ziekte van Jonas Gardell. Het laatste deel van deze trilogie verschijnt voorjaar 2015.

Ydelet Westra werkt sinds 2003 als literair vertaler Zweeds en heeft inmiddels zestien (misdaad)romans uit het Zweeds in het Nederlands vertaald.

Neeltje Wiersma studeerde Scandinavische Talen en Culturen aan de Rijksuniversiteit Groningen, vertaalt zowel fictie als non-fictie uit het Noors en het Zweeds.

Monique Zwanenburg Widingsjö studeerde Nederlands en Vertaalwetenschappen in Stockholm, is vertaalster Zweeds-Nederlands en werkt op het Instituut voor Tolk- en Vertaalwetenschappen, Afdeling Zweeds en Meertaligheid, Universiteit van Stockholm.