‘Probeer iets te be-den-ken!’

Interview met Wil Hansen

Onlangs ging Wil Hansen met pensioen als redacteur van De Bezige Bij. Hij werd in die functie bejubeld door auteurs als Stefan Hertmans en David Van Reybrouck. In een tweetal gesprekken met Pieter van den Blink vertelt hij over het belang en de rol van de redacteur in het literaire proces. Hansen leerde de kneepjes van het vak van Maarten Asscher in zijn tijd bij Meulenhoff en was medeoprichter van Uitgeverij Cossee. Als redacteur heeft hij altijd geprobeerd een relatie met zijn auteurs tot stand te brengen waarbij hij absoluut eerlijk kon zijn. In dit interview keert hij zich tegen de hausse aan autobiografische, geheel of half psychotherapeutische literatuur en pleit hij voor de kunst van het verhaal, met geraffineerde plot, subtiele psychologie en verrassende stijl. Nu, na zijn pensionering, richt Hansen zich op een boek over Simon Vestdijk, een voorbeeld van een auteur die in staat was een echt verhaal te vertellen, maar die de laatste jaren in de vergetelheid dreigt te raken.

De schrijver en de dichter, de uitgever, de literair criticus, de boekverkoper – elk van die sleutelfiguren in de letteren roept een eigen beeld op, illustere namen, een bepaald idee van hoe zo iemand eruitziet, zich gedraagt. Maar de redacteur op de uitgeverij, de spil tussen al die schakels in het vak, tussen geesteskind en tastbaar boek, blijft doorgaans een anonieme gestalte, geen personage. Hooguit valt er een keer een naam, in het dankwoord achter in een boek dat de redacteur mee naar het licht heeft gedragen. De naam die in Nederland het vaakst valt: Wil Hansen, ‘de onzichtbare maar meest invloedrijke redacteur van de afgelopen decennia’, zoals David Van Reybrouck hem onlangs aanduidde. Dat was op voorzet van Stefan Hertmans, toen die de AKO Literatuurprijs had gekregen voor Oorlog en terpentijn, een boek dat mede dankzij Hansen zijn vorm vond.

Het is dat de schrijvers zijn naam noemen in hun toespraken en dankwoorden. Zelf zegt Hansen aan het begin van ons eerste gesprek lachend: ‘Ik heb me niet echt voorbereid op dit interview, maar één ding heb ik me voorgenomen: zo weinig mogelijk namen noemen.’ Als redacteur, eerst bij Meulenhoff, toen bij Cossee (waarvan hij medeoprichter was) en vervolgens bij De Bezige Bij, heeft hij het schrijversvolk van zeer nabij leren kennen. Voor de een was hij de psychiater, voor de ander de antischepper. Wil je dat gezellig houden, dan moet je er niet met anderen over praten.

Geen namen dus, of bijna geen. Wel veel details over de kunst van het redigeren, zowel fictie en non-fictie als poëzie. Hansen is ook vertaler, was recensent en uitgever, schrijft zelf. Maar zijn rol van redacteur staat hier centraal. Sommige boeken laat hij door de auteur van a tot z aan zich voorlezen, waarna zijn commentaar een enkel woord kan betreffen of de hele opbouw van boek of bundel.

Hansen, klein van stuk, met een afgemeten en tegelijkertijd lichte motoriek, heeft de uitstraling van iemand die serieus neemt wat hij doet. Een patholoog-anatoom zou er zo uit kunnen zien, of een luchtverkeersleider. Maar Hansen studeerde Nederlands, Duits en filosofie. Concentratie in blik en gebaar. Hij formuleert nauwkeurig, in een tongval die af en toe verraadt dat zijn wieg iets oostelijker in het land moet hebben gestaan dan het non-descripte suburbia ten westen van de Amsterdamse Ring A10 waar hij tegenwoordig woont. Daar spreken we elkaar tweemaal. Hij heeft de lach onder handbereik, maar kan ook ineens fel worden. Vooral over de Nederlandse literatuur heden ten dage: ‘Ze kwakken maar wat op papier, als het maar over hun eigen leven gaat dan is het goed. Literatuur wordt vaak psychotherapie en daar ben ik heel erg op tegen.’

Is redacteur een creatief beroep?

De eerste creatieve impuls zit bij de schrijver. Die wil een verhaal vertellen en heeft daarvoor een structuur en een toon bedacht. Dat geheel presenteert hij aan de redacteur en dan kan de noodzaak zich voordoen dat die redacteur verder meedenkt in dat creatieve proces. Dus ja, er zitten zeker creatieve aspecten aan.

Creatie betekent schepping. Als de redacteur ook een creatieve taak heeft in het ontstaan van het boek, zijn er dus eigenlijk twee scheppers: de auteur en de redacteur?

De auteur is Zeus, en om hem heen zijn wat mindere goden. Het komt weleens voor dat de redacteur een vernietigende god is. Dan heeft Zeus iets geschapen waarvan jij zegt: dat kan helemaal niet, laat ik dat eens even de nek omdraaien. De redacteur kan de antischepper zijn, maar meestal is hij gewoon een bijgodje dat wat advies geeft.

Hoe machtig is de redacteur binnen de uitgeverij?

Elk boek moet binnen de uitgeverij minstens één iemand hebben die zich er hard voor maakt, die zich er helemaal voor inzet. Vroeger was de redactievergadering het beslissende orgaan binnen de uitgeverij. Verkoop en promotie gingen mee in wat daar werd besloten. Kijk je nu bijvoorbeeld naar de directie van De Bezige Bij, dan zie je de uitgever, Henk Pröpper, met twee mededirecteuren naast zich: de een is hoofd verkoop en de ander hoofd publiciteit. Ik weet niet of dat vroeger denkbaar zou zijn geweest. De invloed van promotie en verkoop is veel groter geworden. Zij kunnen prioriteiten stellen binnen het aanbod vanuit de redactie.

Hoe vaak leest u een manuscript?

Om te weten of het deugt hoef ik het maar één keer te lezen. Maar om het te redigeren moet je het vaker lezen. Er zijn eigenlijk drie soorten redacteuren: opbouwredacteuren, die naar de grote lijnen kijken, de ontwikkeling van het betoog of het verhaal, de karakters. En er zijn de redacteuren die doen wat we met een Engels woord line-editing noemen: zin voor zin prutsen. De derde soort is de combinatie van beiden, en dat ben ik. Er is geen hiërarchie of volgorde tussen die soorten redigeren. Tijdens het line-editen kom ik steeds op gedachten over het geheel. Doordat ik zo indringend met de tekst bezig ben, zie ik ineens details die bijvoorbeeld goed uitgewerkt kunnen worden tot een scène.

Stefan Hertmans zei dat zonder uw redactie zijn boek nooit de AKO-prijs zou hebben gewonnen. Hoe ging dat?

De basis voor Oorlog en terpentijn zijn twee cahiers van zijn grootvader. Aanvankelijk had Hertmans, met wie ik al heel lang samenwerk, het idee dat hij op basis van die twee cahiers een roman zou schrijven zonder alwetende vertelinstantie, geheel verteld door de ogen van die grootvader. Hij kwam daar niet uit, concreet gezegd: hij begon telkens opnieuw, en na een week verveelde het schrijven hem ontzettend. Hij had de indruk dat hij een invuloefening aan het maken was, dat niets van wat er aan levendigheid in die cahiers zat, in die roman terecht zou komen. Daar hebben we lang over gepraat. Toen heb ik tegen hem gezegd: moet je dat hele concept niet overboord zetten?

Had u inzage in die cahiers van zijn grootvader?

Nee, die heb ik nooit gelezen. Dat vind ik ook niet belangrijk, daar hoef je als redacteur niet bij te zijn. Je hebt te maken met het product dat de schrijver schrijft, waar hij zijn inspiratie vandaan haalt is wel interessant om te weten, maar voor het lezen van het manuscript is het eerder bezwaarlijk dan bevorderlijk. Maar om terug te komen op Hertmans: ik adviseerde hem om gewoon de herinnering aan zijn grootvader op papier te zetten en die cahiers daarbij leidinggevend te laten zijn. Ik zei tegen hem dat hij moest beginnen met de zin: De eerste herinnering die ik aan mijn grootvader heb…

Nou, dat bleek de doorbraak te zijn. Daarna heeft hij de eerste ruwe versie van het boek eigenlijk in een maand geschreven, twaalf uur per dag. En die eerste zin is min of meer letterlijk in het boek terechtgekomen.

Dat lijkt meer over de persoon van de auteur te gaan dan over de inhoud van het manuscript. Beschouwt u uw suggestie om het concept los te laten als een literair of een psychologisch advies?

Ik zag hem worstelen met de materie en ik wilde hem over een drempel heen helpen. In die zin is het een psychologisch advies. Die cahiers betekenden veel voor hem, hij wist dat hij er iets mee moest, maar hij kon de goede vorm niet vinden. Ik vond dat hij zelf als persoon in het verhaal moest treden. Gewoon: de schrijver als onderzoeker van zijn materiaal en daarover schrijvende. Dat is natuurlijk een literaire truc. Vervolgens moesten de verbeeldingskracht en het stilistisch raffinement eraan te pas komen – maar dat is Hertmans wel toevertrouwd.

Laten we de trits bronnen – auteur – manuscript nader bekijken. De bronnen hoeft de redacteur niet te kennen, zegt u. Het manuscript natuurlijk wel. Hoe zit het met de auteur; wilt u in diens persoonlijkheid wel ‘inzage’, zogezegd?

Als ik een manuscript van een nieuwe auteur op mijn bureau krijg en ik zie er iets in, neem ik inderdaad contact op met de auteur om die wat beter te leren kennen. Ik wil weten wat het voor figuur is, en dan krijg ik intuïtief wel een gevoel voor hoe ik het bij die persoon moet aanpakken. Het heeft denk ik ook met mijn eigen karakter te maken; ik ben vrij makkelijk in de omgang, extrovert, ik knoop graag gesprekken aan. Schrijvers zijn net gewone mensen; sommige hebben een heel moeilijk karakter, die moet je uiterst voorzichtig benaderen. Vooral niet zeggen dat hij het concept moet loslaten, maar alles in de vragende vorm stellen. Over het algemeen heb ik er baat bij als ik een schrijver beter ken en weet hoe ik hem of haar moet aanspreken.

Psychologisch inzicht is goed, maar je moet niet de psychiater van een auteur worden. Ik heb eens te maken gehad met een schrijver met wie ik elke dag drie uur aan de telefoon moest zitten. Dat vrat aan mij, het werk leed eronder. Ik werd gewoon bang om naar de uitgeverij te gaan. Dat is niet goed.

Onderhoudt u de contacten per telefoon en per mail of bezoekt u de auteurs ook in levenden lijve?

Toen ik in de jaren negentig redacteur werd bij Meulenhoff was Maarten Asscher uitgever; door hem ben ik eigenlijk opgeleid in het reilen en zeilen van een uitgeverij. Hij vond dat je nooit een schrijver bij je thuis moest uitnodigen, dat zou te ver gaan. Ik heb dat altijd wel gedaan en het schept een band waardoor je beter in staat bent om harde dingen te zeggen.

Soms krijg ik ruzie met een auteur. In het uiterste geval maakt dat het onmogelijk om nog langer iemands redacteur te zijn. Met Stefan Hertmans heb ik ook een keer ruzie gehad, maar daar zijn we sterker uit gekomen. Echt een vreselijke ruzie, gek genoeg weet ik niet meer precies wat de aanleiding was. Hij schreef me een venijnige e-mail. Ik neem nooit een blad voor de mond, al helemaal niet als ik een e-mail schrijf. Sommigen vinden dat ik dan weleens een beetje hard word. Maar ik denk altijd dat ik moet zeggen wat ik vind, anders kost het later vreselijk veel tijd om dat duidelijk te maken. Ik schreef dus op mijn beurt een harde mail terug aan Hertmans, en toen was er ruzie. Toen ben ik naar hem toe gegaan en hebben we het uitgepraat, met als curieus gevolg dat we daarna beter met elkaar konden opschieten dan voordien.

Dat lijkt op hoe het tussen geliefden gaat. Is de relatie auteur - redacteur zo diepgaand?

Voor de auteur is het een intieme relatie. Die heeft een hele tijd eenzaam op een kamertje zitten werken, en dan moet iemand anders dat ineens beoordelen. Soms is er een vriend of vriendin die het nog eerder te lezen krijgt, maar dat compliceert de zaak eigenlijk alleen maar, want die durven nooit te zeggen dat ze het niet goed vinden. De overhandiging van het manuscript aan de redacteur is voor de auteur zowel een bevrijding als iets beangstigends. Een auteur wil dat zijn werk naar buiten gaat, maar ze vrezen ook allemaal dat ze te horen krijgen: wat een kutmanuscript, gooi het alsjeblieft in een la en kijk er nooit meer naar.

Dat komt natuurlijk voor.

Ik begeleidde eens een non-fictieschrijver, prachtige boeken. Op een dag zei hij dat hij een roman in de pen had. Als je een hoofdstuk af hebt, zei ik, laat het me dan lezen. Maar dat wilde hij per se niet. De magie van het schrijven zou verloren gaan als hij mij iets liet lezen voordat het helemaal af was. Ja, toen kreeg ik dus vijfhonderd pagina’s. Op bladzijde vier zat ik al zand te eten, het was te erg. Toen heb ik gezegd dat hij dat doodgeboren kind zo snel mogelijk moest vergeten.

In die termen?

In die termen, ja. Zoiets doe ik altijd in een persoonlijk gesprek. Natuurlijk zeg ik het niet bij binnenkomst, ik probeer het in te kleden, maar het komt er wel op neer. Met in dit geval ook nog het advies erbij om niet nog eens te proberen een roman te schrijven. Veel mensen denken dat ze het kunnen, maar het is verdomd moeilijk.

Is het voldoende om de auteur te kennen of moet u elkaar ook aardig vinden?

Als je iemand werkelijk haat, moet je niet zijn redacteur zijn.

Maar haat ligt voorbij de horizon van mijn vraag.

Ja, maar om met het uiterste te beginnen.

Zijn er auteurs die u haat?

Er zijn wel manieren van schrijven die ik zo onaantrekkelijk vind dat ik moet zeggen: als redacteur haat ik hem of haar. Los daarvan is het niet nodig om met elke auteur een band of een vriendschap te onderhouden. Een uitsluitend zakelijke relatie kan ook prima werken. Zodra je neutraal staat tegenover iemand, kan je goed redactiewerk verrichten. Mits de verhouding zo is dat je alles tegen de auteur kan zeggen.

Nog even over die haat…

Langzamerhand heb ik een hekel ontwikkeld aan het psychologisch-realistische genre in de Nederlandse literatuur, dat vaak ook nog geheel, half of quasi autobiografisch is. Ze kwakken maar wat op papier, als het maar over hun eigen leven gaat dan is het goed. Literatuur wordt vaak psychotherapie of bekentenis, niet meer dan dat, en daar ben ik heel erg op tegen. Het lijkt wel of niemand meer probeert een goed verhaal te be-den-ken, helemaal los van zichzelf. Natuurlijk zijn er in het Nederlandse taalgebied ook fantastische auteurs. Tom Lanoye wekt in zijn laatste boek geen moment de indruk dat wat hij aan het vertellen is zijn eigen leven is, en toch is het ongelooflijk indringend en meeslepend. Gelukkige slaven is voor mij het beste wat er de laatste jaren in het Nederlands is geschreven.

Als auteur en redacteur samen door het avontuur van een boek of zelfs meerdere boeken zijn gegaan, dan lijkt vriendschap me haast een vanzelfsprekend gevolg.

Niet altijd. Er zijn ook auteurs die mijn ‘harde’ manier van communiceren – hard in de zin van zonder ruimte voor misverstand – moeilijk vol te houden vinden. De redacteur moet zich er aldoor van bewust zijn dat de schrijver anders naar het boek kijkt dan hij. De schrijver zit erin, en ik sta er in eerste instantie als buitenstaander naar te kijken. Daardoor kan het gebeuren dat een schrijver verkeerd opvat wat ik over zijn boek zeg, ook al hebben we een gesprek van drie uur. Daarom schrijf ik na zo’n gesprek vaak nog een e-mail, om in weloverwogen formuleringen nog eens te zeggen waar het mij om ging. Het is meermalen voorgekomen dat een schrijver redelijk vrolijk uit ons gesprek was gekomen met het idee dat er allerlei perspectief in zijn manuscript zat, maar na mijn e-mail drie dagen onder z’n deken is blijven liggen huilen. Overigens wekt dit de indruk dat ik over de absolute waarheid beschik in wat ik zeg over een manuscript. Dat is natuurlijk niet zo. Een schrijver slaat ook weleens in de wind wat ik zeg.

Hoe gaat het dan verder?

Een redactioneel advies bestaat altijd uit meerdere punten. Als een schrijver tegen mijn advies in een personage wil behouden, of een aspect aan een personage waar ik bezwaar tegen heb wil handhaven, dan respecteer ik dat. Ik heb geen vetorecht. Hooguit kan ik zeggen: dan geven wij het boek niet uit. Dat is wel een machtig wapen natuurlijk, maar gebruik daarvan is exceptioneel. Je ziet van meet af aan wel of er een publicabel boek in een manuscript zit. Waarmee ik niet wil suggereren dat er aan het einde van elk proces een prachtig boek ligt. De grote bulk is aardig, of niet al te slecht. En sommige boeken zijn prachtig. Nietzscheaans gedacht zijn die honderd slechte boeken nodig om een prachtig boek mogelijk te maken.

U omschrijft uw eigen manier van communiceren als hard. Komt u misschien op dat woord omdat u vindt dat andere redacteuren te zacht zijn?

Misschien wel, ja. Van degenen die ik van nabij heb meegemaakt zijn de meesten inderdaad wel een beetje aan de zachte kant. Ik vind het allemaal prima, zolang het maar het beste boek oplevert dat mogelijk is. Misschien is dat op de zachte manier ook te bereiken. Maar zelf heb ik naarmate ik langer redacteur was geleerd om steeds duidelijker te maken waar het mij om ging. Ik merkte dat omzwachtelende formuleringen niet werkten omdat de schrijver die verkeerd kan opvatten. Vandaar ook die gewoonte om na afloop van een gesprek waarin het echt op de zaken aankwam, nog een e-mail te schrijven waarin ik de zaken nog eens heel duidelijk maak.

Maakt het verschil of u werkt met mannelijke of vrouwelijke auteurs?

De enkele auteurs met wie ik ruzie heb gehad, waren allemaal mannen. Maar er zijn meer mannelijke dan vrouwelijke auteurs, dus je hebt meer met mannen te maken. Maar ik geloof dat het me werkelijk niet uitmaakt. Wel heb ik altijd graag met jonge auteurs gewerkt. Negatief uitgedrukt: die zijn nog meer te plooien. Maar om het positiever te zeggen: die staan meer open voor dingen, ze zijn vatbaarder voor commentaar.

Is het redigeren van fictie en non-fictie vergelijkbaar werk?

In beide gevallen geldt de aloude aristotelische wet: eenheid van handeling. Daar kan je niet omheen. Alleen het redigeren van poëzie is anders. Nijhoff zei: poëzie is ademhaling. Daar zit veel waarheid in. Ik mag graag met dichters samen hun nieuwe gedichten voordragen. Uiteraard lees ik de gedichten eerst zelf, in mijn eentje. Vervolgens laat ik de dichter mij de hele bundel voorlezen. Diens lezingen brengen mij vaak tot een andere kijk op wat er staat dan ik aanvankelijk had. Je hoort waar een dichter even stokt. En dan vraag je bijvoorbeeld: Kan dat woord of die strofe niet weg? Stefan Hertmans had de neiging om een soort aforistische samenvatting mee te geven aan zijn gedichten, dat vond ik hinderlijk; op het punt dat de lezer het gedicht heeft gelezen en ongeveer begrepen heeft waar de dichter naartoe wil, ging hij dat nog eens precies zeggen.

Een roman heb ik af en toe ook helemaal hardop gelezen met de auteur. Maar dan houd je niet bij elke zin op, bij poëzie is het veel intensiever, dan kijk je echt per woord en dat zijn eigenlijk de leukste gesprekken die je met een schrijver kan hebben. De dichters zelf vinden dat over het algemeen ook zeer bevredigend. Ja, die hebben ook maar wat gebreid, vaak kijken ze ernaar en vragen zich af of het voor een buitenstaander nog ergens op slaat.

Kent u twijfel bij het beoordelen van manuscripten?

Het is voor mij altijd snel duidelijk of iemand kan schrijven, in de ambachtelijke zin. Helder formuleren, mooie zinnen, solide alinea’s. Of iemand dat kan valt in twee of drie bladzijden te zien. En dat is een belangrijk uitgangspunt, want als iemand dat niet kan, komt er nooit iets goeds uit. De structuur van een boek valt altijd nog wel bij te sturen, daar kan je met elkaar over praten. Maar over dat schrijven valt niet te praten, iemand kan het of iemand kan het niet. Le style c’est l’homme, zei Flaubert, maar ik geloof dat het moet zijn: le style c’est l’esprit. Het is een samengaan van intelligentie, helderheid van geest, luciditeit, het vermogen om iets te verwoorden. Maar natuurlijk ken ik twijfel. En ik zal zeker weleens een meesterwerk hebben gemist.

Moet u uw ervaringen in de uitgeverij niet eens op papier zetten, in de vorm van memoires of een handboek redigeren?

Die vormen trekken mij helemaal niet aan. Als ik een boek schrijf wil ik zelf ook weer nieuwe dingen ontdekken. Ik werk aan een boek over Simon Vestdijk. Hij is, met Reve en Kafka, een auteur die mij als lezer heeft gevormd. Hij heeft veel te veel geschreven, ook romans die behoorlijk mislukt zijn, maar toch ook zeker zes of zeven meesterwerken, wat in een schrijversleven een rijke oogst is. Maar ook daarvan is het begin meestal zwak. Hij moest waarschijnlijk eerst veertig pagina’s schrijven om erin te komen, en vergat dan later om die eerste pagina’s te herschrijven. Als hij eraan had gewild, had ik graag met hem aan het begin van zijn romans gesleuteld. Maar ik heb hem uiteraard niet gekend, ik studeerde nog toen hij stierf.

Had Vestdijk niemand op de uitgeverij die hem aansprak op zijn slechte eerste pagina’s?

Bij Vestdijk is iets bijzonders aan de hand. Als je een manuscriptpagina van hem opvraagt uit het Letterkundig Museum, zie je wat een beulswerk, liever gezegd hoe zinloos het werk van redacteur was. Vestdijk begon zijn boek eigenlijk pas te schrijven als hij de eerste drukproef binnenkreeg. De hoeveelheid correcties die hij daarop aanbrengt, dat is echt onvoorstelbaar. Je snapt niet dat zetters daar wijs uit konden worden. Ik denk niet dat hij meer dan één versie schreef. Als het klaar was ging het de deur uit. Tegen de tijd dat op de uitgeverij een redacteur zijn boek gelezen had, was hij met iets totaal anders bezig. Zijn studie Het wezen van de angst, een knuppel van een boek dat hij in vier maanden heeft geschreven, had hij opgestuurd naar professor Rümke, een beroemde psychiater in die tijd. Die las het en schreef aan Vestdijk dat die wel bij hem zou kunnen promoveren. Sorry, antwoordde Vestdijk, ik ben inmiddels met andere dingen bezig. Ha ha. Hij had geen geduld voor een redacteur, denk ik, het is niet anders.

Wat wordt dat voor boek dat u over Vestdijk gaat schrijven?

In de eerste plaats wil ik een herwaardering voor een van onze grootste schrijvers. Ik ga gewoon op de barricaden staan, kan me niks schelen. Ik ben oud en der dagen zat, maar ik ben nog jong en fris tot en met, ha! Maar aan de hand daarvan wordt het ook een polemisch boek, een pleidooi voor de soort literatuur waar we het eerder over hadden: die van de goede verhalen, een geraffineerde plot, subtiele psychologie, een verrassende stijl.

Als redacteur zou ik zeker flink in de slag zijn gegaan met Vestdijk, over het begin van De ziener en over het einde ook. Maar daartussenin zit zo veel kostelijks.

Kostelijk, dat is een woord dat je nog maar net zo zelden hoort als de naam Vestdijk.

Het is een ouderwets woord. Vestdijk op zijn best kon een perfecte balans vinden tussen tragedie en komedie. De ziener is een diep tragisch boek en tegelijkertijd heel erg komisch.

In verband met Vestdijk wil ik het woord graag gebruiken, want veel van zijn boeken zijn mij dierbaar en kostbaar, en ze zijn ook kostelijk in de zin van humoristisch en geschreven met veel esprit. Het aftasten van mogelijkheden van wat er met iemand of iets aan de hand is en het dan toch openlaten, dat is de meester Vestdijk. Een goed in elkaar gezet verhaal, dat is in Nederland bijna taboe geworden. Dat hoeft niet meer: als je maar over je eigen leven lult heb je al een boek.

De lat moet hoger worden gelegd?

Ja! Het moet wat mij betreft eens afgelopen zijn met het ‘eerlijkheidssyndroom’. Iedereen moet eerlijk zijn tegenwoordig, of nog liever: spontaan! Want spontaniteit houdt eerlijkheid in. Dat is een waanidee, althans voor de literatuur. Reve heeft het onsterfelijk gezegd: Waar gebeurd is geen excuus. Waarom zou je niet een goed verhaal in elkaar zetten dat de essentie uitdrukt van wat jij wil zeggen? Zoals Borges! Schrijvers als hij bewonderen we wel, maar zodra het de Nederlandse literatuur aangaat, zitten we al die drek te lezen. Vreselijk! Ik klim op de barricaden voor de kunst van het verhaal! Welke Nederlandse schrijvers verstaan die kunst nog? Je hoeft het ook niet helemaal te verzinnen; Nicolaas Matsier is nu bezig met een boek over Oldenbarnevelt. Dat vind ik fantastisch. Over het leven van Oldenbarnevelt is veel bekend, maar lang niet alles; om er een roman over te kunnen schrijven moet hij op zoek in zijn verbeelding.

De hoofdpersoon in De ziener, Le Roy, is een voyeur. Zit in het werk van de redacteur niet ook een voyeuristisch trekje?

Le Roy wil steeds een mooie liefde tot stand brengen en daar dan naar kijken. Het is in feite idealisme, met een voyeuristische kant. Dat geldt voor het redacteurschap ook. Ik wil helpen een mooi boek tot stand te brengen, om er daarna schaamteloos van te kunnen genieten.