Lichtheid

In 1985 stelde Italo Calvino zijn ‘zes memo’s voor het volgende millennium’ op: een serie lezingen die hij zou geven aan Harvard, over wat hij de belangrijkste literaire waarden voor de toekomst achtte. Hij stierf voordat hij ze kon uitspreken, en de laatste lezing bleef onvoltooid.

Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde, stonden de aandelen Philips 149.60.’
Het is de eerste zin van Cees Nootebooms roman Rituelen, en niet alleen een van de beste openingszinnen die ik ken, maar ook een perfect voorbeeld van nastrevenswaardige lichtheid. ‘Je moet licht zijn als een vogel, niet als een veer,’ zei Paul Valéry. Niet dwarrelen, dus, maar vliegen. Precies zijn en niet vaag. Inni Wintrop pleegde zelfmoord, de aandelen Philips stonden 149.60. Lichtheid is de constatering, niet het sentiment.
Het is moeilijk over lichtheid te spreken zonder dat de zwaarte erin sluipt. Voor je het weet ben je bezig de boel te duiden, te spreken van betekenissen en symbolen, van alle dingen tussen de regels die de taal zo veel gewicht geven. Ik zei dit, maar eigenlijk bedoel ik iets anders, dat moet je toch begrijpen. Ik hou van je, en nu is het de bedoeling dat je ook van mij houdt.
Ik zal dus proberen zo dicht mogelijk bij de lichtheid zelf te blijven, en wel de lichtheid die Calvino omschreef als ‘nadenkende lichtheid’, die het gewicht aan de dingen onttrekt, maar die met oppervlakkigheid weinig van doen heeft. Lichtheid die uitwist en invult en die, boven alles, nauwkeurig is als een etsnaald – of een skiër, die de berg afdaalt en langzaam verandert in een zwart stipje, zijn weg kalligraferend door de blanke sneeuw.

Terwijl die arme Inni daar zo hangt, opgeknoopt aan de buizen van zijn wc, een zelfmoordenaar omdat hij dat zelf zo in zijn horoscoop had opgeschreven, moet ik denken aan een andere hangende man, die zichzelf lichter probeerde te maken dan de zwaartekracht en opsteeg door te vallen.
Ik heb het over kunstenaar Bas Jan Ader, die in 1975, op zijn drieëndertigste – mij hoor je niet over symboliek – met een klein bootje verdween op de Atlantische Oceaan en nooit meer werd teruggezien.
Díé Bas Jan Ader liet zich vijf jaar voor zijn grootse verdwijning filmen terwijl hij viel: met stoel en al tuimelde hij van het dak van zijn huis; met zijn fiets reed hij recht de Amsterdamse Reguliersgracht in; hangend aan een boomtak wachtte hij tot de zwaartekracht hem in de vijver zou doen belanden. Je ziet hem minutenlang kronkelen, de tak herpakken, zijn spieren ontspannen en weer aanspannen. Dan laat hij los, eerst zijn rechterarm, dan zijn linker. Nog geen seconde later is hij het water in geplonsd.
Broken Fall heet het kunstwerk, met daarachter, tussen haakjes, ‘organic’. De titel is al even simpel als het filmpje zelf, dat nog geen twee minuten nodig heeft om zich te voltrekken. Maar wat betékent het?
Een evidente vraag, maar voor nu niet de juiste. In het kader van lichtheid kan ik beter vragen: wat is het, los van de betekenis? Een man die in gevecht is met de zwaartekracht, en ervan verliest. Of beter gezegd: een man die de zwaartekracht nog even uitstelt, om er voor een heel kort moment niet aan onderhevig te hoeven zijn. Want wie valt is gewichtloos. En wie loslaat heeft begrepen dat er tegen de zwaartekracht niets in te brengen valt.

Anders was het voor de Nederlandse schrijver en dichter Jan Hanlo, die in het voorjaar van 1947 de wind achternaliep (een velletje papier voor zich uit stekend om de richting te bepalen), zijn raam uit stapte, over het dak van zijn huis wandelde en van vier hoog naar beneden sprong. In de week die eraan voorafging sliep hij nauwelijks, bad hij een rozenkrans, knielde hij in het openbaar neer als dat zo bij hem opkwam. God verlangde iets van hem, hij moest er alleen nog achter zien te komen wát.
Het openbaarde zich op een ochtend, na weer een doorwaakte nacht en een extatische dans in het donker: hij zou de wind volgen, dan zou hij wel komen waar hij moest zijn. En zo ging hij de straat op, ogen gesloten, vinger (natgelikt) omhooggestoken als een profeet. Alle kanten werd hij op geslingerd, de wind was in het geheel niet van zins hem eenduidig antwoord te geven. Een agent nam hem mee naar het politiebureau. Liet hem weer gaan. Maar Jan Hanlo was, al helemaal in zijn psychose, een man die de dingen nauwkeurig aanpakte: ‘Men stelde enige vragen maar liet mij toen gaan. Ik stapte weg, maar de binnen-klapdeur uitgaande kwam er plotseling een sterke tocht van achteren uit de gang. Ik draaide pront om en was weer in het bureau.’
De psychose maakte hem licht als een veer, richtingloos, verloren. Hij sprong van het dak en smakte drie verdiepingen lager op een ander dak – God had het nagelaten hem te doen opstijgen, maar liet hem verder ongedeerd.
Twee jaar later en twee psychiatrische inrichtingen verder schrijft hij erover in het prachtige, postuum gepubliceerde Zonder geluk valt niemand van het dak. Hij doet dat met grote precisie en een oprecht verlangen te weten hoe het zit. En niet zonder gevoel voor humor. ‘Toen ik het gevoel in mijn achterhoofd en een lichte pijn in mijn knie bemerkte,’ schrijft hij over de seconden na de val, ‘nam ik dit God een klein beetje kwalijk.’ Door het op te schrijven veranderde Hanlo’s lichtheid van een veer in die van een vogel. Niet de sprong deed hem vliegen, maar de terugkeer naar aarde.

Inmiddels vinden we Inni Wintrop terug in zijn bed, om zijn nek een gescheurde stropdas, zijn lichaam bedekt met schaafwonden van de val. Levend staat hij op, en levend loopt hij even later weer over straat. Hij is er nog. Hij koopt een krant.

Het Passa Porta Festival te Brussel nodigde, in samenwerking met Vlaams-Nederlands huis deBuren, zes schrijvers uit om te reflecteren op Calvino’s memo’s. De korte lezingen (over lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid, veelvuldigheid en consistentie) werden uitgesproken op zondag 29 maart 2015.