Angstige profeet

Over de stilte van Hans Verhagen

Hans Verhagen is als dichter groot geworden in de jaren zestig. Maar een échte Zestiger is hij niet, concludeert Bertram Mourits. Eerder een volbloed romanticus. Eentje die bij vlagen niets van zich laat horen.

In de zomer van 2014 liep ik door Vlissingen, en ik kreeg het idee om de trap naar zee op te zoeken. De ‘leeuwentrap’, waarover Hans Verhagen in 1975 een mooie documentaire had gemaakt voor de VPRO. De camera keek uit over zee, stond oog in oog met de stenen leeuwen, om vervolgens bewoners op te zoeken die vertelden wat de trap naar het water voor hen betekende.

De aanleiding voor die film was dat de trap op het punt stond te wijken voor een dijkverzwaring, maar dat was me totaal ontschoten. Terwijl ik over de inderdaad imposante dijk langs het water liep, meende ik een paar keer dat ik hem gevonden had, maar steeds klopte er iets niet. Niet echt een trap. Niet echt naar zee. Geen leeuwen.

Langzaam begon het me te dagen: die trap bestond helemaal niet meer.

Ik fotografeerde een plateau dat met een beetje goede wil als trap geïnterpreteerd kon worden, ik zette de foto op Facebook met als titel ‘Trap aan zee’ – en toen er door helemaal niemand op gereageerd werd (ik had wel een tik op de vingers verwacht van een Verhagen-kenner) haalde ik hem er weer vanaf. Zo veel indruk had de documentaire op me gemaakt, dat de belofte ervan, een trap herdenken die ging verdwijnen, volkomen werd ingelost. De trap was er nog, al bestond hij niet meer.

Profeet
Het is alweer lange tijd stil rondom Hans Verhagen. In 2009 kreeg hij de P.C. Hooftprijs – en dat was de bekroning voor een oeuvre dat teruggaat tot het eind van de jaren vijftig, maar op dat moment leek het ook een manier om blijk te geven van grote opluchting dat hij er niet alleen nog was, maar ook sterker aanwezig leek dan ooit. In de jaren daarvoor waren er drie bundels verschenen, de ene werd nog enthousiaster ontvangen dan de andere.

Het wás ook spectaculair wat Verhagen in Moeder is een rover, Draak en Zwarte gaten over het voetlicht bracht. In weinig leek de dichter van deze bundels op de Hans Verhagen die bij de Zestigers hoorde, de dichters die met nuchterheid de grenzen van de poëzie verlegden, met Armando, Sleutelaar, Vaandrager. Nuchter is Verhagen niet meer in 2004. Integendeel, de wereld kookt over en Verhagen dicht tegen de keer: ‘Die het kwade spreken krijgen steeds meer te vertellen’ – de openingsregel van Moeder is een rover, waarin hij met veel vuur, en ook met humor, over zichzelf en de teloorgang van de wereld schrijft, zeg maar gerust een ‘kankermaatschappij’ zoals hij het in Draak noemt. Het is poëzie van iemand die tegelijk zelfverzekerd en wanhopig is, die niet anders kan dan zich opstellen als profeet, maar die heel goed ziet wie de valse profeten zijn: ‘ze slikken alle nonsens en dromen van een witte kerst’, terwijl de échte profeet ‘zint op een duurzame manier om ervandoor te gaan’.

(Geen) Zestiger
Betrokken, intense poëzie schreef Verhagen in het begin van deze eeuw, die ver verwijderd was van het werk van de Zestigers tot wie hij literair-historisch werd gerekend. Maar vijftig jaar daarvoor was hij evenmin een koele, nuchtere waarnemer. De eerste strofe van zijn debuutbundel Rozen & Motoren luidt:

Vanzelfsprekend: wonden op je neergezaaid, regen in zee,
een vuistslag, en vogels, vogels
op je oren, meestal
met een goede boodschap, dit gedicht verplettert dit.

Dit schreef hij in 1958, en hoewel andere gedichten in de bundel zakelijker geformuleerd werden, was de poëzie niet nuchter en niet helder. Hans Verhagen was daarom van de dichters rondom Gard Sivik en De nieuwe stijl degene op wiens oeuvre ik het moeilijkst vat kreeg. Het verhaal dat ik over de poëzie in de jaren zestig wilde vertellen ging over de manier waarop korte metten werd gemaakt met poëtische pretentie, en over de pretenties die ervoor in de plaats kwamen. Ik schreef (in Zestig – een nieuwe datum in de poëzie) over hoe de dichters de spelregels van de literaire wereld gebruikten om de grenzen van de kunst aan te geven. En dat deden ze met zo min mogelijk poëtische middelen – hun teksten waren ongepolijst, vaak direct uit de werkelijkheid geplukt. Met superieure ironie, liefde voor het onooglijke, vaak een beetje intellectueel.

Zo was Verhagen niet. In Rozen & Motoren is hij herhaaldelijk exuberant en emotioneel: ‘Straaljagers achter het geluid/ van mijn voeten. Kanker/ in de vogeltrek van mijn gebladerte.’ Of: ‘Het eeuwig verdronken water roept/ de zoutste dromen in mij wakker:/ een nieuwe waarheid rijpt in mij.’

In de opvolger Sterren Cirkels Bellen, die vier jaar later zou verschijnen, is de toon vaak wél zakelijk. Gedichten over kanker bestaan voor een groot deel uit losgeknipte voorlichtingsteksten:

Wanneer een man bemerkt
dat de urinelozing bemoeilijkt wordt,
de urine niet meer met een straal geloosd wordt,
en het water nadruppelt,
dan dient een man zijn arts te consulteren.

En een gedicht over licht bestaat uit een reclametekst: ‘Totale verlichting van de ruimte;/ extra licht/ op de plaatsen waar wij zitten.’ Een gedicht over wol luidt simpelweg: ‘Wol/ , verkregen van levend schaap.’

Ik richtte me dus met enthousiasme op dat (kleine) deel van zijn oeuvre, want hier was Verhagen een echte Zestiger: een dichter die geen poëtische middelen nodig had om zijn boodschap vorm te geven. Hij liet de werkelijkheid zien en registreerde slechts voor de lezer, die aan zijn of haar lot werd overgelaten om te zien wat hier mooi of poëtisch aan was. Maar het signalerende oog van Verhagen verraadt een allerminst koele blik:

Zonsondergangen. Zonsopkomsten

En wij zijn met toeters en bellen,
met bloemen en bijen,
met kleuren en indrukken blij.

Dit is het slotgedicht uit Sterren Cirkels Bellen dat een bruggetje vormt naar de opvolger, Duizenden zonsondergangen, een bundel die ook weer drie jaar op zich liet wachten, en waarin Verhagen zich ontpopt tot een romanticus van messianistische proporties en in niets nuchter of zakelijk te noemen valt: ‘De wolk van mijn dromen drijft over/ en ik ben altijd nog het kind/ dat je op de kale vlakte vinden kunt.’ Het is een romantisch beeld: de pure blik van een kind dat in wolken zijn dromen herkent. Meer Nijhoff dan Vaandrager.

Wie is Hans Verhagen?
Hans Verhagen was ook buiten de literatuur actief – en dat was interessant, want in dat opzicht was hij wel degelijk een vertegenwoordiger van een andere mentaliteit in de poëzie. De dichtkunst was niet heilig, en hij was behoorlijk succesvol op hoogst onpoëtische wijze.

Zo maakt hij voor het Algemeen Dagblad een ‘jongerenpagina’ – de krant is de eerste in Nederland die zoiets heeft. Dat springt in het oog bij Hans Sleutelaar, redacteur bij de Haagse Post die een profiel over hem schrijft en hem een ‘snel naammakend “kind van zijn tijd”’ noemt, die een ‘vrijwel onbeperkte vrijheid in de keuze en benadering van zijn onderwerpen’ geniet. Sleutelaar zoekt contact met hem, en Verhagen wordt enige tijd redacteur – en daarna, want een baan ligt hem niet, vaste medewerker – van de Haagse Post.

Hij was ontdekker (en zelfs even producer) van de Zeeuwse psychedelische band Dragonfly. Dat ging niet echt voorspoedig, maar als journalist en tv-maker was hij wel succesvol. Als redacteur en later medewerker van de Haagse Post, en ook bij de VPRO, maakte hij deel uit van een ontwikkeling waarin de journalistiek kunstzinniger werd. Eigenwijze interviews, prachtige reportages, ongewoon maar met een aandacht, zeg maar liefde, voor details die hij graag voor zichzelf liet spreken. Een van de hoogtepunten is een film over zijn toenmalige vriend en collega Cornelis Bastiaan Vaandrager, de Rotterdamse dichter die de wereld met zwarte humor bekeek, die ook dol was op populaire cultuur, en die ook flink wat drugs en drank tot zich nam. Het beeld van het huishouden waarin een warrige Vaandrager de wereld ingewikkelder lijkt te vinden dan zijn dochter Isis, is ontroerend, en het zou een voorbode blijken voor Verhagen zelf, die zijn roezige wereldbeeld ook steeds meer door drank en drugs liet kleuren.

Er waren dus meerdere Hans Verhagens: de succesvolle kranten-, tijdschriften- en tv-man, de dichter die gebruikmaakte van readymades en reclametechnieken, en de dichter van romantische, zwaar aangezette poëzie. In mijn verhaal kon ik alleen die eerste twee goed gebruiken, maar het gaat eigenlijk om de derde.

Aan die conclusie viel niet te ontkomen toen ik Eeuwige vlam las, de verzamelde gedichten tot 2003. Ik schreef erover voor de Poëziekrant en het was niet vol te houden dat Verhagen een échte Zestiger was. Ik probeerde het ook niet: het was overduidelijk dat de kale Zestigers-technieken hem niet hadden gelegen en ik probeerde het werk nu uit de context van die tijd te tillen. Verhagen was iemand die ‘optornt’ tegen zijn grote voorbeeld Lucebert, een Vijftiger, en daarom dacht ik ook dat Verhagen optornde ‘tegen het beeld van hemzelf als vernieuwer uit de jaren zestig’. Ik was natuurlijk net zozeer zelf bezig om erachter te komen dat Verhagen iemand anders was dan de ‘vernieuwer uit de jaren zestig’ die ik in hem had gezien. Een romantische eend in een nogal rationele bijt die toevallig net die vrienden had waardoor hij in deze context terechtkwam.

Maar eigenlijk alles wat hij na Sterren Cirkels Bellen schreef, de bundel die het best in de jaren zestig paste (met zijn modieuze Wim T. Schippers-omslag) was in wezen romantisch. Van ‘Als ik haar vergeet/ dan mis ik haar’ (1971) tot ‘Jij hebt je zinnen op het onbestaanbare gezet/ jou spreekt het onuitsprekelijke aan’ (2000); van ‘Ik heb jou/ jij hebt mij,/ meer hebben we niet nodig’ tot ‘De liefde waar zij voor gevochten had,/ waarvoor zij je bevochtigd had,/ vervluchtigde in slaap’: Hans Verhagen is een zinnelijke, romantische, liefdevolle, lichamelijke dichter. Toen hij zich eenmaal had losgeweekt van de literatuurgeschiedenis, kon hij zich ook helemaal zo gedragen. Onontkoombaar dat daarmee zijn literair-historische betekenis leek af te nemen. Er staat een gedicht in Triomfantelijke wandelingen (2000) dat gelezen kan worden als een beschrijving van die ontwikkeling, Het heet ‘Stap’ en het valt op meer manieren te lezen, maar als visie op de eigen carrière getuigt het van een fraai staaltje zelfrelativering:

En ze groeien
niet van klein naar groot,
maar van groot naar klein.
En zo komen ze erachter
dat een misstap,
hoe catastrofaal ook,
desalniettemin niettegenstaande
een stap voorwaarts blijkt te zijn.

De dichter groeit van groot naar klein. ‘Een misstap’, maar wel zijn keuze, en hoewel die in zekere zin ‘catastrofaal’ is, ziet hij er de voordelen ook wel van in, niet zonder omhaal van woorden – ‘desalniettemin niettegenstaande’ – maar toch ook zonder aarzeling beschouwt hij het als een stap vóórwaarts dat hij is wie hij wil zijn.

Waar is Hans Verhagen?
Bij de verschijning van Eeuwige vlam kon niemand voorzien dat Verhagen een eindsprint zou inzetten die zijn weerga niet kende. Er stond al wel een flinke afdeling nieuwe poëzie in de bundel en dat bleek slechts een bescheiden voorbode van wat er de volgende vijf jaar aan zat te komen. Hij schreef, trad veel op, publiceerde nieuwe gedichten in De Revisor, werd geïnterviewd, en stond weer midden in het literaire leven op een manier die hem voor het laatst halverwege de jaren zestig was overkomen. Toen onderdeel van een hevig bediscussieerde voorhoede, nu als dichter van naam, faam en met literair gezag.

Hij was niet langer een dichter die vooral onderdeel uitmaakte van de literatuurgeschiedenis, maar iemand die met zijn gedichten de verbazing opriep die hij verdiende – en waarvan hij zelf ook steeds blijk gaf:

Ik snap niets van deze plek
We leven hier naar hartelust
terwijl het ongeluk toch in het oog van de windstilte op de hoek
ligt te loeren op een blinde vlek.

Het is geen goed teken dat het al zo lang stil is rondom Hans Verhagen. De geschiedenis leert dat langdurige perioden van inactiviteit als dichter nogal eens gepaard gaan met onrust in zijn privéleven. Tussen 1968 en 1971 leek hij van de aardbodem verdwenen – de VPRO maakt er zelfs een film over: Waar is Hans Verhagen? Hij dook dus op, op tv en later met de bundel Duizenden zonsondergangen, maar daarna zou er weer ruim tien jaar geen nieuwe bundel van hem verschijnen. Voor een deel omdat Verhagen met tv-werk bezig was, maar niet alleen daarom: het ging met hemzelf ook steeds slechter, het dieptepunt was de zelfmoord van zijn vrouw en muze Connie.

Hij keerde terug in 1983, zweeg toen weer ruim tien jaar – voor een deel omdat hij ook schilderde, maar tevens omdat hij als verslaafde niet echt deel uitmaakte van de wereld. Hij ging steeds meer lijken op het portret dat hij voor de VPRO van Vaandrager had gemaakt. In het Schrijversprentenboek dat in 2003 over hem verscheen, wordt nuchter en efficiënt gedocumenteerd wanneer hij meer drinkt, en wanneer de speed de overhand krijgt (‘de drug waarmee ik kan leven’). Die ‘tijdtafel’ stemde op dat moment nog optimistisch: Verhagen zwijgt en keert terug, zo ging het en zo gaat het, en hij is behoorlijk actief, al rondt hij lang niet alles af waaraan hij begint.

Zijn laatste imposante opleving is nu alweer tien jaar geleden en het is stil. In het laatst gebundelde gedicht van Verhagen, uit Zwarte gaten, staat dat er ‘geen eind in zicht [is] aan de mensachtigheden’ en heeft hij zijn ‘gasmasker vast opgezet’; dat klinkt onheilspellend en omineus. In de bundel Draak was sprake van een profeet die ‘zint op een duurzame manier om ervandoor te gaan’ – op dit moment heeft Verhagen die manier gevonden. Zonde.