Op een zomerhit

1.
Vrijdagmiddag aan een Haags strand vol
gedachten die schrijnen en opstuivend zand
haast iedereen drinkt wat en
kinderen smullen van hun patat terwijl de boulevard
ons veilig weghoudt bij diep water en obers
in wit linnen vlakjes vragen: Wilt u nog
iets kleins want de soep mag er wezen en onze
huiswijn smaakt piekfijn.
O, tenten vol gasten die baden in het licht van de zon
in hun schaarse gewaden en ik zeg sloom: Geef
maar bitterballen en port rood mogelijk
zeetong met toost maar die keus komt
later. Hij slingert het servet over zijn arm de ober en
vraagt: Is het tussen jullie echt voorbij? Ik verzit
aan onze tafel en knik beslist. Hij gaat
de ober en grinnikt blij: Ik vond haar maar
niks.

2.
Niks voor hem is alles voor mij en het is haast
juli zelfs een bries doet al pijn en het blauw van
de zee kleurt niet langer mijn dag bij het getingel
van glazen en gastengelach.
Een meeuw toont een salto. Een pup wil niet mee. Een
kind knoeit met ijs. Opoe naar de weecee.
Hoe moet het met mij morgen en de dagen
daarna want de nacht zonder haar komt niet zonder
gevaar ondanks kater en poes maar verder
geen hond als iemand mij doodt lig
ik voor rot op de grond.
Zomerzon breekt in mijn leeggedronken
glas. De port maakt mij lichtjes. Ik sta op voor een plas.

3.
Een kennis van vroeger schuift aan en
smoest: Dag, je bent niet thuis en ik wist precies
waar je was. Het strand is jouw uitweg. De golven
geven troost en in dit restaurant serveren ze jouw
lievelingsbrood.
Haar parfum bleef hangen en maakte
me vrij. Bevrijd van kommer om
mijn lief en om mij. Ze nam
ook een port maar de hare was wit. Ze nam
ook een diner maar wou geen
platvis en zei: Meisje, darling, wij zijn veel te oud
voor liefdesverdriet, piekerpijn en
burn-out. Ik heb toch geen man maar ik dans
door het leven. Het zomert, verdorie. Word warm.
Ober eten!

4.
Het was juist op de grens van lunch en
diner maar de ober sprak schamper: Ik mag
jullie twee. En weg was dat joch. En
zij was terug.
Ik kon haar voelen. Miste zelfs haar kuch. Maar
de kennis van vroeger had mij meteen
door en siste zoet: Rouwen is goor niets blijft
in dit leven mijn kerel is dood en kijk
wie eraan komt compleet in het rood met rozen
glimlachend!
Ik schrok me dood want het was onze vriend, de zanger,
De Poot. Ja, hij doet een show en zal jou verwennen en ik
neem aan darling dat hij je rampspoed zal kennen.
Wacht meisje, blijf toch tot de namiddag dood
is dan zal Poot zingen van een liefde die groots is.

5.
Aldus geschiedde de piano stond klaar en
de toetsen glommen als heer Poot zijn zwart
haar en hij sprak opgewekt:
Een verrassing heb ik, geacht publiek, het is
maar een act, maar het gaat om het lied. En hij
zette in en ik wist het meteen. Daar stond ze Houston ja,
Whitney alleen. Ze keek me streng aan. Ze tuitte haar mond.
Ze draaide zich om. Legging aan strakke kont.
En zonder ook maar een breuk in haar stem
klonk door de ruimte de song
die mij velt.
Ik werd eerst vaatdoek. Een washand toen
dweil. Want die vrouw kon zingen.
Iedereen werd haast geil.
En de zee bracht verkoeling,
ja
zeewind brengt heil.
’s Nachts in bed kwam ik weer bij
zinnen denkend aan Houstons hartstochtelijke
zingen. All at Once
in de luwte van wegebbend verdriet begreep ik
voor het eerst wie lief
heeft verliest.