Shackleton uitgezwaaid door zijn bemanning op Elephant Island

Geeft niks hoor,’ zei ze, ‘zo was het toch ook lekker?’
Ze schoot een veel te groot mannenshirt aan, dat bijna over haar knieën viel. Op de een of andere manier leek ze zo nog kleiner dan zonder kleren.
Staand naast het bed, waar ik nog op lag, wierp ze me een blik toe. Om haar lippen speelde een prachtige (of professionele) begripvolle glimlach.
‘Bier?’
‘Bier.’
Ze liep de keuken in, haar blote voeten kletsend op het parket.
Ik staarde even voor me uit en trok toen ook een shirt aan. Op het nachtkastje stond een ministereosetje, maar ik wist niet wat ik op moest zetten.
Uiteindelijk stopte ik er maar een cd met Arabische muziek in en draaide het volume laag.
Met een zilverkleurig dienblaadje kwam ze terug uit de keuken. Er stonden twee blikjes bier en een schoteltje dierenkoekjes op. Ze zette het tussen ons in op het bed. En zo zaten we daar, met bier en dierenkoekjes, luisterend naar de Arabische muziek.
Elk koekje dat ze oppakte bekeek ze eerst goed voordat ze het in haar mond stak. Aap. Tijger. Nijlpaard. Daarna nam ze voorzichtig een hapje, alsof ze de beesten geen pijn wilde doen.
Ik staarde naar buiten. De zesendertigste verdieping. Vanuit de grote ramen, die tot aan de vloer kwamen, leek de stad op een enorm plastic schaalmodel dat zich eindeloos uitstrekte. Langzaam zette de schemering in.
Waarom toch? maalde het maar in mijn hoofd. Er was geen enkele fatsoenlijke verklaring voor. Ik rookte niet, dronk niet, ging op tijd naar bed en liep nergens mee te tobben. Ik leidde een regelmatig leventje, drie keer per week sport, twee keer per week seks – één keer met mijn vriendin, één keer met haar – en ik at met mate. Aan de keukenmuur van mijn appartement had ik zelfs een calorietabel hangen. Kortom, ik was zo fit als een zorgvuldig gekweekte laboratoriummuis.
Dus waarom toch?
Ik nam een slok bier en besloot er niet meer over te piekeren. Ik frommelde mijn ‘waarom’ op tot een denkbeeldige prop papier en wierp hem in een denkbeeldige prullenbak. Geeft niks hoor, zo was het toch ook lekker?
‘Wat wilde jij vroeger altijd worden?’ vroeg ze.
‘Huh?’ Ik schrok op uit mijn gedachten.
‘Dat was toch altijd zo’n opstelopdracht op school?’ Ze draaide haar hoofd naar me toe. ‘“Wat ik later wil worden”, “Mijn ideaal”, dat soort dingen.’
‘Wat ik wilde worden...’ mompelde ik peinzend. ‘Weet ik niet meer. Vergeten. In ieder geval niet wat ik nu ben.’ Wie zou er ook ooit verzekeringsrechercheur als ideaal opgeven?
‘Ik wilde altijd ontdekkingsreiziger worden,’ zei ze. Ze ging verzitten. Door het T-shirt heen kon ik haar tepels zien.
‘Ontdekkingsreiziger?’
‘Ja.’ Ze knikte en nam een slok bier. ‘Met van die bergschoenen aan en een enorme rugzak om, en dan naar allemaal plekken toe waar nog nooit een mens is geweest, oerbossen, besneeuwde bergtoppen, mysterieuze grotten. Zo’n rugzak vol met alles wat je nodig hebt, weet je wel: kaarten, fotoapparatuur, verrekijker, tent, slaapzak. Medicijndoos, Zwitsers zakmes, proviand. En dan overdag overal foto’s maken en monsters nemen, en ’s avonds bij een kampvuur aantekeningen maken.’ Ze zweeg even. ‘Lange reizen vol gevaren en ontberingen, dat was mijn ideaal.’
‘En?’
Ze schudde lachend haar hoofd en stootte met haar schouder tegen de mijne. ‘Ach, idealen moeten idealen blijven.’
We keken een tijdje voor ons uit. Buiten was het ongemerkt donker geworden. Het schaalmodel was opeens verlicht, alsof er iemand een schakelaar had overgehaald. Binnen zaten we in het halfduister, de muziek was al een tijdje gestopt.
‘Wil je het nog een keer proberen?’ Ze stak een hand naar me uit.
‘Nee, laat maar.’ Ik dronk mijn laatste restje bier op.
‘Geeft niks, je bent gewoon te moe van je werk.’
Ze legde haar hoofd op mijn schouder. Het werd hoe langer hoe donkerder in de kamer, alsof we langzaam – zo langzaam dat je er amper erg in had – naar de bodem van de zee zonken.
‘Vertel eens wat,’ zei ze, ‘gewoon, zomaar.’ In het donker klonken stemmen altijd anders. Een beetje als in een droom.
Vertel eens wat. Ik dacht even na. Opeens schoot me iets te binnen.
‘Een maand of zo geleden had ik een zaak, een brand. Ook in een flat, zeven- of achtentwintigste verdieping, weet ik niet meer. Ik moest een verzekeringsonderzoek doen natuurlijk, maar dat bleek algauw een formaliteit. De kans dat er sprake was van opzet, om de verzekering op te lichten, was hier namelijk zo goed als nihil. Het kwam door vuurwerk. Bij een bruiloft op het woonerf was vuurwerk afgestoken en een van de pijlen had de gordijnen in de fik gezet. De bewoners, een echtpaar, waren niet thuis. Ze waren bij familie in het buitenland en zouden pas over een paar maanden thuiskomen. Die konden dus niet een twee drie bereikt worden, en niemand had de sleutel. Uiteindelijk had de brandweer met veel pijn en moeite de deur opengebroken, een kluisdeur van een bank leek het wel, maar het was al te laat, de woning was helemaal uitgebrand.’ Ik stopte even en bracht het blikje bier naar mijn mond, tot ik me realiseerde dat het al leeg was. Ik liet het zakken en hield het tussen mijn beide handen geklemd.
‘Heb je weleens een uitgebrande woning gezien?’ vroeg ik.
Ze schudde van nee. Haar haren kriebelden op mijn arm.
‘Ik zie dat normaal wel een paar keer per maand, ik doe de branden bij ons op de zaak. Maar zo erg als die keer had ik het nog nooit gezien. Ik weet niet waarom, misschien omdat de brand zo lang gewoed had. Het was namelijk zo hoog dat ze met de brandweerwagen niks konden beginnen, en het had natuurlijk ook zo lang geduurd voor ze die deur open hadden. Het kan ook zijn dat er licht ontvlambare spullen in huis stonden, terpentine of zo. Hoe dan ook, het was... hoe zeg je dat, finaal uitgebrand. Niks meer van over. Tafels, kledingkasten, boekenkasten, alles weg, in het niets opgelost. Alleen wat ijzeren karkassen stonden er nog, van de tv, de koelkast, de veren van een bankstel... een soort verkoolde skeletten waren het. Verder was de hele woning leeg, en alles was zwart, de vloeren, de muren, de plafonds, alles, overal alleen maar afbladderend zwart. Zelfs de lucht leek er wel zwart.’
Ik stopte weer even en drukte het lege bierblikje een beetje in elkaar. Een klein beetje maar, ik hield mijn vingers in bedwang en zette net genoeg druk. Niet te veel en niet te weinig.
‘De brand had ’s middags plaatsgevonden. ’s Avonds wist de politie uiteindelijk het echtpaar in Amerika te bereiken. Ze zeiden dat ze verzekerd waren, dus de volgende ochtend stond ik daar op de stoep. De politie had de boel al afgezet, ik mocht pas naar binnen nadat ik mijn pasje had laten zien.’
Ik stopte weer, niet omdat ik de spanning wilde opbouwen, ik wist gewoon echt even niet hoe ik verder moest.
‘En toen?’ Ze kroop dichter tegen me aan. ‘Wat gebeurde er toen?’
‘Ze hadden een lijk ontdekt in de woning, helemaal verkoold. Het lag opgekruld in een hoek. Helemaal zwartgeblakerd. Het lag er nog toen ik daar kwam.’
Er ging een rilling door haar heen. Overal rezen haar haren overeind, ik kon het door haar T-shirt heen voelen.
‘Wie was het?’
‘Geen idee, dat was niet meer te achterhalen. Het lichaam was te erg verbrand, onmogelijk te identificeren, zelfs DNA afnemen kon niet meer. Het echtpaar zei dat ze het appartement aan niemand hadden uitgeleend en ook aan niemand de sleutels hadden gegeven. Geen idee dus wie het was of wat die persoon daar deed.’
‘Een inbreker?’
‘Zou kunnen. Dat was althans de verklaring van de politie. Je leest vaak zat in de krant dat inbrekers in het huis hebben zitten eten of tv hebben zitten kijken, in slaap zijn gevallen zelfs. Maar ja, dat was maar een hypothese, er was geen enkel bewijs. Niemand snapte er wat van. Het was een groot raadsel. Een raadsel dat wel nooit opgelost zal worden.’
Ik keek naar de lichtjes van de stad. ‘Ik heb heel lang naar dat verkoolde lichaam staan kijken.’ Zachtjes zette ik het in elkaar gedrukte blikje op het nachtkastje. ‘Ik vond het zo… vreemd. Niet eng, niet walgelijk, niet triest. Alleen maar vreemd. Ik heb allerlei soorten lijken gezien, maar dit was anders. Deze persoon was dood, maar tegelijkertijd wist eigenlijk niemand dat juist déze persoon dood was, snap je? Of je hem nou kende of niet. Niemand wist wie hij was, waarom hij daar was. Hoe hij eruitzag, wat voor kleren hij droeg, hoe oud hij was. Of het wel een hij was, en geen zij.’
Ik zweeg even, had dorst gekregen. ‘Heb je nog bier?’
‘Hmhm.’
Ik sloot mijn ogen. Deed ze weer open. Hoorde de koelkast open- en dichtgaan.
‘Dank je.’ Ik pakte het biertje van haar aan.
‘Een paar dagen geleden was ik ook bijna dood geweest.’
‘Wat?’ Ik wist even niet hoe ik het had.
‘Ja, een paar dagen terug,’ zei ze. ‘Een nieuwe klant. Via internet. Je weet dat ik normaal alleen met vaste klanten werk, maar we hadden leuk gechat en hij bood een hoge prijs. Dus liet ik hem komen, met mijn stomme kop.’ Ze trok haar blikje bier open en nam een slok. ‘Toen we klaar waren, zei hij dat ik me even moest gaan wassen, want hij wilde nóg een keer. Maar toen ik uit de douche kwam was meneer foetsie. Mijn eerste gedachte was natuurlijk: mijn portemonnee. En ja hoor, die zat niet meer in mijn schoudertas, die ik op de bank had laten staan. Driehonderd dollar zat erin. Van een buitenlander gekregen, ik had nog geen tijd gehad om het op te bergen. Maar misschien is dat wel mijn geluk geweest, want als hij die driehonderd dollar niet gevonden had, had ik hier nu misschien niet meer gezeten. Later vond ik onder het kussen namelijk een stuk staaldraad.’
‘Staaldraad?’
Ze knikte. ‘Daar had-ie me waarschijnlijk mee willen wurgen.’
Ik wilde wat zeggen, maar ik wist zo gauw niet wat. Ik trok haar stevig tegen me aan.
Ze slaakte zo’n diepe zucht dat ze bijna leek weg te schrompelen. We bleven dicht tegen elkaar aan zitten en dronken ons bier. Het bier was zo koud dat het uit een andere wereld leek te komen.
Door de grote ramen keken we naar de nachtelijke skyline. Op een hoge brug trokken auto’s lange reeksen van witte en rode lichtjes. Op het dak van een hoog gebouw flikkerde een blauwe neonreclame.
‘Wil je het echt niet nog eens proberen?’ vroeg ze, alsof het haar ineens weer te binnen schoot.
‘Nee, echt niet.’ Ik maakte me van haar los, ging overeind zitten en rekte me uit, voor zover de ruimte dat toeliet. ‘Het is wel zo’n beetje tijd, ik heb nog wat te doen.’
Ik stond op uit bed en liep de badkamer in om te plassen. Daarna waste ik mijn handen en kamde mijn haren, waarbij ik zo veel mogelijk vermeed in de spiegel boven de wastafel te kijken.
Toen ik de badkamer weer uit kwam, ging ik op de rand van het bed zitten. Ze had de lamp op het nachtkastje aangeknipt, in het citroengele licht leek het bed net een kleine, zwevende wolk. Met haar tenen wreef ze liefjes over mijn rug. Ik haalde drie briefjes van honderd uit mijn portemonnee en stopte die in het fijnbewerkte sandelhouten kistje op het nachtkastje; het had veel weg van een aalmoezenkistje uit de kerk.
‘Vandaag hoef je toch niet te betalen, sufkop.’
‘Jawel.’ Ik keek opzij en lachte naar haar. In deze business werd er tenslotte ook gewoon per uur gerekend, net als bij advocaten.
‘Nou, lief van je dan.’ Ze omhelsde me van achteren, sloot haar handen voor mijn borst. Ik voelde haar zachte warmte. Vervolgens ging ze op haar knieën zitten en beklopte zachtjes mijn schouders, als een soort magische handeling aan het eind van een ritueel.
‘Ik moet gaan.’
‘Je komt er wel uit.’
‘Bye-bye.’
‘Bye-bye.’

Stilte op de gang. De stilte van een gevangenis. De lift kwam omhoog, ik zag de cijfers van de verdiepingen verspringen. Eerst ging hij naar de veertigste en pas daarna kwam hij weer omlaag naar de zesendertigste. De deuren gingen open, ik stapte in.
Ik drukte op begane grond. De lift wachtte, alsof hij even moest nadenken, schrok toen plotseling weer op, sloot langzaam zijn deuren en zette zich met een zucht in beweging. De lift daalde gestaag, roerloos stond ik in de cabine. Het leek wel of de lift eindeloos bleef dalen, dieper en dieper, alsof ik rechtstreeks naar het middelpunt der aarde ging.

Elephant Island is misschien wel het meest onherbergzame eiland ter wereld. Er groeien geen planten en er leven geen dieren, zelfs een spelonk om voor de wind en de regen te schuilen is er niet. Toch was dit het eerste stuk vasteland waar het Zuidpoolexpeditieteam na 497 dagen aan wal kon gaan. Het mocht al een wonder heten dat ze nog leefden. Hun expeditieschip de Endurance was allang vergaan. In een paar reddingssloepen, drie- of viermaal de grootte van een roeibootje in Central Park, waren ze over de woelige, stormachtige Zuid-Atlantische Oceaan hiernaartoe geroeid.
Maar Elephant Island was, zoals gezegd, misschien wel het meest onherbergzame eiland ter wereld. Ze moesten hun sloepen omkeren om zich daaronder tegen de kou te verschansen. Uiteindelijk hadden ze geen andere keus gehad dan een paar man naar het eiland South Georgia te sturen om hulp te gaan halen. En zo trok Captain Shackleton er met een paar expeditieleden in een kleine sloep weer op uit, uitgezwaaid door de rest van zijn bemanning, die op Elephant Island achter moest blijven. Hun hoop op overleving was zo klein dat dit bijna een definitief afscheid betekende. Toch plooiden ze hun gezichten allemaal tot een grote glimlach – hoe pijnlijk dat ook was voor hun strakgetrokken huid – en zwaaiden ze uitbundig, staand op hun tenen, terwijl ze elkaar onder het uitblazen van witte stoomwolkjes luidkeels vaarwel zeiden.
‘Goodbye!’
‘Goodbye!’
‘Goodbye!’

De lift daalde dieper en dieper


vertaling uit het Chinees: Mark Leenhouts