Daedalea biennis fries

Een stemmenspel voor acht klonkies onder regie van Keto Stiefcommando in gedichten en prozagedichten

Afbeelding: Rudy Guedj

Acht spelers, acht stemmen. Elke speler draagt een half masker dat het bovendeel van een Afrikaans zwart gezicht voorstelt. Na het noemen van de rol zet elke speler op het halve masker een hoofdbedekking, die bij de rol hoort: Egyptische kroon, dienstbodekapje, enzovoort. Rond de gedichten kan muziek gemaakt worden, evenals op andere geschikte momenten.

1

De terugkeer van Keto Stiefcommando die een jaar geleden met ketelmuziek en kariebier en glorie was begraven

Imker Graat: Keto Stiefcommando, onze Keto Stiefcommando, onze eigen Jean sans Peur, onze sjamaan, een jaar geleden met kariebier en glorie en ketelmuziek gewiegd, gekelderd en begraven, is teruggekeerd. Van het dooieveld teruggekeerd.
Hercuul: Wie was Keto Stiefcommando? Voor ons, acht mooie Afrikanen van de rue Saint-Denis, was dat duidelijk, maar de witmense en Aziaten in onze straat hebben nooit begrepen hoe belangrijk Keto Stiefcommando voor ons was. Zonder Keto Stiefcommando hadden wij die aapstuipe gekregen. Wij hadden gekankerd en geklaagd over de vele boorkevers in ons leven en nooit hadden we gelachen en nachtvlindermuziek gemaakt en onze gezichten vertrokken tot faraosmoel en Mosjegrimas. Zonder Keto Stiefcommando waren wij nooit aan dit stemmenspel begonnen.

Merci-Merci:

Verhalen over hem zweven door de luchten

Dat hij als geen ander zijn goedlachse eieren
achthoog de dakrand in kon gooien
zonder de gebosseleerde schaal te breken.
Dat hij zichzelf als aangeslagen vat
in één keer stromend van biergeluk kon legen.
Dat hij in het stuivend land van herkomst
met een blik van spijt op de onvolprezen hemel
de irrigatie van de heimwee had geregeld.
Dat hij in Arc president had kunnen worden,
maar hij was al vóór die tijd gaan reizen.
Dat hij als kind per kameel door de Sahara trok.
Dat hij zich ooit in een zoutkaravaan veranderd had.
Dat hij als Bonaparte op Elba had gestaan.
Dat hij het gala van Amerikaanse dromen droeg.
Dat hij in smoking op het Élysée ontvangen was.
Hij sprak over de vele woningen in vaders huis.
De jonge meisjes uit de kapsalons wilden allen
met hem slapen op de rand van requiembalkons.
Wie heeft hem niet knielend de rijst gekneed,
zijn goddelijke eieren op het juiste moment gebroken?
Een watermerk, een eer was het voor hem te koken.

Mosje: Hij kwam met het plan een koninginnengrap te spelen. Iedereen kon meedoen. Wij vormden met elkaar een uitverkoren, zoemend volk.
Hercuul: Keto Stiefcommando is aan een cocon van enthousiasme bezweken. Nooit kippengriep of bloedhoest, nooit opgepakt of op het bureau in elkaar geslagen. Hoe oud hij was: een raadsel; hij zei altijd dat hij de leeftijd van een hazelaar bezat. Hij is niet als oupa in een olifantbos weggekropen. Hij stond tussen de auto’s kafpraatjies te oreren, spreidde zijn armen in een wereldwijd gebaar, zette zijn lippen in een verzamelgrijns en bleef zo staan. Enkele seconden. Een paar begonnen als riviergrondels te lachen. Tien, vijftien seconden, toen werd het stuifmeelstil en er ging een rilling door ons heen. Een hele minuut waarin Keto Stiefcommando niet veranderde. Daarna viel hij zonder kopknik, nog steeds met uitgerekte armen en die komt-tot-mij-grijns die ons allemaal bespotte, achterover. Eerst op een auto en uiteindelijk gleed hij op straat.
Mosje: Hoeveel van ons dachten dat het komedie was? Hoeveel van ons waren geneigd te lachen?
Sua Vecito: Hoe zwart was het verdriet toen wij plotseling de kamfer roken van de dood?
Hercuul: Er sloop een dokter langs, maar die wist niets van Afrikanen. We hebben een van ons gehaald. Het bleek maar al te waar. Keto Stiefcommando se doppie was geklapt.
We hebben de duurste dooienkist besteld: een met gebeeldhouwde, uitwaaierende linten, met ijzeren anemoonblommen en met een masker van mohair. Vier dagen later hebben we hem in dansprocessie naar zijn graf gedragen. Een klomp mense volgde hem, de helft bespeelde een instrument. Improviserend, keihard, als kwetterape, het was waanzinnig mooi. En langs de oude, koninklijke route gratis kariebier. Twee stappen voorwaarts en één danspas opzij. Zo zigzaggend trokken wij naar Saint-Denis. Wij hebben hem onder een zware steen gelegd en op die steen geschreven: ‘Keto Stiefcommando. Genoemd Die Baie Grote. Geboren en gestorven.’ Zonder datum, want de eerste wisten we niet en dus kon de tweede ook maar beter weg. Dat was vooruitzien. Want dat allemaal is nu een jaar geleden en hij is weer terug.

Merci-Merci:

Koester nooit, geliefde, het idee dat alles
toch hetzelfde blijft, dat geen verbetering mogelijk is.
Je kunt van de dood genezen. Geloof het wonder.
‘Dood is dood,’ riep hij, ‘ik ben daartegen.’

Een dode die wederkeert, wordt vroeg of laat aanbeden.
Twee kinderen die nog wisten van zijn schitterogen,
hebben hem unverfroren bij de hand genomen,
een oude vrouw stond op de drempel toe te kijken.

Of hij dan ook de andere doden had herkend?
En was het waar, dat van die hellehond,
die zo sarcastisch in je gebroken ogen keek,
dat je ijskoud wist: nooit meer in leven terug.

Er werd een feestelijk lam gevangen en geslacht,
maar daar kwam de vroegere dode niet op af.
Hij rustte uit, hij was terneergedaald vanuit het graf,
hij had een helse tijd achter de rug.

Hercuul: En tijdens het eten van dat lam werd besloten dit spel voor stemmen ter ere van de teruggekeerde op te voeren. Het zou hem deugd doen: zijn eigen spel, zijn eigen tekst, zijn regie.
Het spel van Mosje die het grote volk verschoppelingen bevrijdt en meevoert naar het Beloofde Land.

Verdeling van de rollen

Imker Graat: Het is stil geworden tussen de Boul Sébas en het station. De nachtelijke valkuil is begonnen. Pui aan pui staan de kapperszaken te wachten op de openingstijd. De plukken haar die op straat zijn terechtgekomen, scholen samen tot grote, winkelende klitten. Hier en daar ligt warm eten langs het trottoir. De reizigers op de perrons zijn in slaap gevallen. De bussen staan als circusolifanten aangehaakt te dromen. Slechts een enkele motor knettert over de verder lege boulevards.
Mijn naam is Imker Graat. Ek is uw verteller; ek is de gom en hars van het verhaal. Naast mij ziet u mijn assistent. Zijn naam is Damn Good Memory. Wat hij zegt, is vaak pruilerige beterweet. Hij is van professie amandelolieverkoper en hij doet aan kwakzalverij. Mannenhaar in azijn geneest hondenbeten; boter met loodwit tegen uitslag op het gezicht; dat soort.
Wie doet er verder mee? Op de eerste plaats Mosje zelf. Mosje is een klonkie, een kleurling die bij de bushalte rondloopt in een jasjurk en op blote voeten en die zich tot taak gesteld heeft zijn vier manshoge, loodzware, in zwart plastic gebonden vierkante pakken ritmisch heen en weer te slepen over de boulevard. Of indien zijn interne demon dat wenst, heel de stad door. Zo’n pak blijkt te bevatten: oude Figaro’s, patroongeknipte koerantvelle, plastic draagzakken van de ‘Bien rempli, Monoprix, vivement aujourd’hui’, lege dozen en stinkend folie van chipolata, ratatouille, escargots, piperade, haddock. Op een laat middaguur pakt hij een van de balen uit, ordent stampend alles opnieuw, bindt er weer zwart plastic om, drukt alles in de perfecte kubusvorm, sprenkelt er water over, bidt zijn god om zegening en danst een Diaghilev-springhazendans. Soms trekt hij een prop papier uit de baal, tilt zijn jurk op, veegt zijn kont schoon, want onder die lap die hij om zijn heupen heeft geknoopt als rok, heeft hij niets aan. Hij blijft volstrekt onverschillig voor de busreizigers die op twee meter afstand verbijsterd naar het tafereel staan te kijken. Deze geminachte verschoppeling is Mosje.
Mosje: Mijn naam is Mosje. Dank u. Mosje. Geen titel, geen achternaam.
Imker Graat: Dan de ZetKaHa: Farao. Hij wordt met vele namen aangeduid. Voor ons is ‘Farao’ genoeg.
Farao: Wie royaal wil zijn, kan mij Epi Theras noemen. Dat betekent ‘Op jacht’. Wij, koningen, zijn olifantendoders.
Imker Graat: Dan de Leading Lady. De dochter van de farao. Zij heeft Mosje als moeder opgevoed.
Sua Vecito: Mosje heeft door mij een bevoorrechte positie aan het hof. Mosje heeft door mij toegang gekregen zowel bij populaire feesten als in hoge kringen.
Imker Graat: Bijenhars. Daarmee sluiten de bijen tochtende kieren af. Het bestaat uit gom van wijnstokken en populieren. Het bijzondere is dat bijen er gewoon voor de gezelligheid bloemen aan toevoegen. Vandaar dat ik uw bloemrijke verteller ben.
Mosje is verliefd op de jongste dochter van de farao. De dochter die voor hem als een moeder was, en de dochter die zijn geliefde is, worden gespeeld door één en dezelfde stem.
Sua Vecito: In mij vallen als souffle au coeur moeder en geliefde oedipalerwijze samen. Ik heet Sua Vecito. Omdat ik relaties heb in iedere barbershop.
Imker Graat: Dan het volk. Zoals altijd zijn er twee. Je hebt altijd honing en daartegenover pekwas; je hebt altijd de vromen en daartegenover de atheïsten, die nooit in bad gaan. Het Parijse foie-gras- en gratinvolk stelt de Egyptenaren voor. Daarnaast heb je het volk dat Mosje achternagaat. Voor dat laatste volk zijn er drie stemmen: twee dienstmeisjes en één neger.
Merci-Merci: Wij, dienstmeisjes, staan voor alle dienstverlenende meisjes, vrouwen en mannen. Voor alle mensen met een watersoeploon. Voor de schoonmaakbedrijfjes, kapsters, sjouwers, hoeren, kindermeisjes. Voor de duizenden die het hoofd net boven water kunnen houden: kartonnendozenhandelaars, document-in-folie-binders, gokkers. Voor hen die in Egypte tichels bakken. Voor al die bouwers aan een piramide. Voor al die trekkers om de obelisk onbeschadigd op het plein rechtop te krijgen.
Arabia Felix: De namen van de meisjes zijn vaak onbekend. Egyptenaren roepen ‘Allo’, ‘Salut’, ‘Hola’ of fluiten om hun aandacht. Ik ben de jongste en heet Arabia Felix, mijn zusje heet Merci-Merci.
Imker Graat: De neger geeft stem aan de talrijke kalbaskoppe. Dronkaards, bedelaars, mismaakten, verslaafden. Ook aan de Roma die de wisseltruc, de dovenbrief, de gouden ring bedenken.
Hercuul: Mijn naam is Hercuul. En noem mij geen neger, man. Zijn je hersens soms op rantsoenbon met je ‘neger’. Ik kom uit Mali; ik ben Malinees.
Imker Graat: Dit zijn de stemmen, acht in totaal. Twee vertellers, Mosje, Farao en zijn dochter, twee dienstmeisjes en een neger.

De kinderen van het uitverkoren volk

Damn Good Memory: Deze hele swetterjoel van armoe en ellende staat zich te vergapen aan Mosje die verleidelijk met een bloedworst zwaait. Een volk dat de Parijse Egyptenaren viltlaarsdiensten moet verlenen, bij wie de basaltgrijze ziel wordt uitgetrokken door politie en door uitbuiters. Dat geminacht wordt, maar in feite onmisbaar is. Een volk dat vele geledingen kent.
Zo zijn er de segrijnleren Afrikanen van de medicijnman en de voodookunstenaar. Die lopend van het dorp naar de verdorven stad de weg zijn kwijtgeraakt tussen het treingruis en de grote paden. Die onder de viaducten nog handelen in gedroogde huiden en gemalen klootjes.
Verder de jonge, krachtige Afrikanen die overdag slepen met goiingsakke vol blikken Eiffeltorens en onechte merktassen, die een paar keer per dag hun handel moeten inpakken na het sein ‘bereden serjanten’ en die ’s avonds staan te praten en met hoogdrawend gesnawel alle buren uit hun slaap houden.
Dan de gokbureaus en winkeltjes ter grootte van een stoel, die – schop, schop, de beentjes – piepend jengelen: hier smoke en phone, hier chips en munten. De kleine koopman die steeds de blink kant bo moet houden naast zijn kartonnen wankeldoos vol horloges met namaakmerk, overrijp fruit, hinkie-pinkiepennen, flesjes parfum.
Verder de sjouwers die aan hun met isolatietape beplakte, fluorescente steekkar zitten vastgegroeid. Dozen met lappen, kralen, sieraden, alles moet uitgeladen worden en weggebracht. Ze staan de hele dag op een kleine klus te wachten.
Natuurlijk de hoeren, die uit Azië komen. Tropische restanten nog in hun oudroze hart.
Maar ook veel eierdopgevalle: dronkaards, bedelaars, clochards met doorgerotte enkels en benen, die soms naar de opvanghuizen in Nanterre gebracht worden, waar bewassing heerst en knipbeurt en voeding. Les Naufragés worden hulle liefkozend genoemd.

De Roma op het kruispunt

Imker Graat: Een pasgeboren ochtendmist trekt met vaandels van natte tule langs de huizen. De laatste uilen vliegen huiswaarts. De familie die tegen de elektriciteitskast op het trottoir ligt, droomt zich in veiligheid. Een kind ligt tussen twee oudere kinderen te slapen. Zijn die twee echt de vader en de moeder? De laatste woelt in haar nachtelijke beelden en draait zich om als er een brommer passeert. Haar lievelingskraai staat naast haar hoofd. Een houten Renault Truck is een meter verderop gerold en wacht tot een varkensharen passant zijn voet op het speelgoed zet.
Merci-Merci: Het meisje is wel de moeder van het kind, maar de jongen naast haar is niet de vader. Waar de vader is gebleven weet niemand. Ergens als capuchon in een gevangenis of met de kamelenzweep het land uit gejaagd. De nieuwe vriend is bang voor de kraai. Hij hoort in het krassen de waarschuwing dat ooit, ’s nachts, een poot zal haken in zijn slapende gezicht en dat de snavel hem dan de ogen uit zal steken. Twee forse, bloedrode halen met die zenuwkop.
Imker Graat: Straks zal, kniediepvoordag, het stadsleven zijn melktanden verliezen: de bakker zet de baguettes in de mand en schuift de glazen pui open. De eerste bakken met tweedehands romans worden naar buiten gereden. Het verkeer pubert zijn dreun, de Roma dromen verder.

Merci-Merci:

Zang van de kraai van Arc

Ik ben de kraai van Arc, Ia Arc, de waker in het hondse uur.
In mijn naam keren heldinnen terug, hun dromen
en hun stemmen schamper aangehoord,
hun vechtpositie onderschat. Mijn wapen
is de snavel, mijn stem het arctisch krassen.
Zelf monogaam, verguisd en uitgejouwd
zal ik de geplukte moeder tot het uiterste beschermen.
Mijn pientere ogen zien de vogelvrije lucht. Ik ken
de slaapplaats op het kruispunt, de vlucht.

Zij slapen op straat en dromen van watervlugge grepen
op de viool; mijn kraaientaal, mijn klanken
vervagen tot stemmen in het hoofd.

Voor hen breken de tijden van Jeanne d’Arc weer aan:
geen arts, geen inkomen, geen huis en altijd patriotten
die de gipsy-vuilnis willen ruimen, het kind verpatsen,
de jonge vrouw verkrachten, de brandstapel verhogen.

De hoeren uit Indochine

Damn Good Memory: Tijdens de lunch vergaderen de hoeren op het terras. Op het agendabriefje staan altijd twee onderwerpen: roddel en hoe het vroeger was. Merci-Merci is de zeekoe van het stel. De brutaalste ook. Soms staat ze op straat in een godgeklaagd kort broekje waar haar vet achtereind van onderen uit hangt, als een uit de springvorm gezakte botercake. Ook nu vragen de anderen zich af of er elastieken en baleinen schuilen onder die knalgekleurde bontjas. De jas komt trouwens gewoon van Guerrisol.
Mooie Arabia Felix is de jongste. Zij zou de meeste klanten moeten krijgen, maar iedereen kan zien dat zij nogal kieskeurig is. Ze zal toch niet in de Grande Truanderie waar ze kamers bewoont, een eigen zaakje op touw zetten? Verderop staan temeiers die niet hier, maar in bekrompen buurten wonen: Denfert-Rochereau of Bir Hakeim of bij de Tombe Issoire en die zich per Rolls-Royce of met een SUV hierheen laten brengen. Meestal wijven als windpompe. De meiden van Indochine lunchen altijd met elkaar. Hartstikke gezellig en die andere pikslaners zoeken het zelf maar uit. Wie niet in de buurt woont, hoeft hier ook niet in de etalage te staan.
Imker Graat: De lunch wordt begroet met een giller: ‘Ketella met alang alang.’ Terwijl ze op de schotel met tartare de bar en dorade en salade Caesar aanvallen, worden de herinneringen gedeeld. Die helemaal niet hun eigen herinneringen zijn, maar gepatineerde verhalen uit de Zuidoost-Aziatische streken waar zij vandaan komen. Oxidaties uit het lang voorbije koloniale verleden. De kapitale huizen van weleer met erf tussen tropische planten en wonderlijke vogelkooien. De exotische vogeltjes die op de gietijzeren lantaarns neerstreken.
Arabia Felix: Gietijzeren lantaarns?
Merci-Merci: Ja, gietijzeren lantaarns.
Arabia Felix: Die stonden niet in de volières.
Merci-Merci: Waar dan, eigenwijs?
Arabia Felix: Gietijzeren lantaarns stonden op het bordes.
Merci-Merci: Hadden jullie dan een bordes?
Arabia Felix: Wij hadden een bordes, ja. En een laan met kanariebomen.
Imker Graat: Het flottielje hoeren kijkt geamuseerd toe.
Merci-Merci: Jij gooit alles door elkaar. Kanaries zaten in de volières en gietijzeren lantaarns stonden in de volières zodat de vogels ook in de avond zichtbaar waren. Als de baboe de kinderen liet spelen op het bordes.
Arabia Felix: Zie je wel, toch een bordes.
Merci-Merci: En als kind speelden we dan nog even in onze tjelana monjet, ons apenbroekje.
Imker Graat: Iedereen ligt dubbel van het lachen.
Merci-Merci: Zo heette dat toch?
Arabia Felix: Meid, je tongt geweldig.
Imker Graat: Nu staat Merci-Merci op en vertelt hoe zij iedere ochtend, wanneer ze terugkomt van de Chinese toko, in witte kabaja en saroeng, op het bordes plaatsneemt onder de waringboom.

Merci-Merci:
Waar woon je nu, goede geest? Zeker niet
opnieuw in de waringboom of in geborduurde slofjes.
De boom is gekapt en de laatste bewoners,
splintergeesten, herinneringen als lichtstofjes,
erfgenamen van de liefde die je mij toedroeg,
raakten lek, verschrompelden, verloren de moed
toen de bijl in de oksels van takken sloeg
en het lymfevocht en de melk wegstroomden.
Waar woon je nu? Toch niet verhuisd
naar Arc, naar het verloren straatarm land
van zwervers, waarzegsters en hoeren?
Waar is je schuilplaats? Onder de stoel
van de bijrijder in Poolse vrachtwagens?
Of in de ziel van de wijnflessen in de glasbak?
Waar je ook bent, goede geest, op de grens
tussen hier en onbereikbaar, tussen nu
en eeuwigheid, ik houd zoals het hoort een zakdoek
in de rechterhand en gedenk je met liefde en dank.


Het bovenstaande is een fragment van het vierdelige Spel voor stemmen, dat in 2016 of 2017 zal worden gepubliceerd.