De Koepel

Een paar jaar geleden werd het Haarlemse huis waarin ik ben opgegroeid verkocht. Ik stond op het punt naar New York te vertrekken, had mijn kamer in Amsterdam opgezegd, maar kon er nog net bij zijn om afscheid te nemen van het decor van mijn jeugd. De verhuizers waren weg, de kamers waren leeg, het grote huis zag er kleiner en gehavender uit. Op de vloer, in de serre, spreidden mijn moeder, mijn zusje en ik een kleed uit, dronken roze champagne uit de fles en aten een supermarktquiche. Ik geloof dat we probeerden herinneringen op te halen, maar we hadden het druk, het was koud en we voelden niets van de rituele vervoering waarop we hadden gehoopt. Voor de vorm klopten we op de muren, riepen bedankjes het trappenhuis in.
Het huis heb ik, net als Haarlem, nooit echt gemist. Maar de herinnering aan de details, de structuur van de muren, het geluid van de oude radiatoren, de geur van de voorraadkast, vervult me met weemoed. Toegegeven, die bestaat deels uit een zelffeliciterende ontroering over de scherpte van dit soort herinneringen, maar er schuilt ook een besef in van iets wat verloren is gegaan. Bezoek ik Haarlem, waarmee ik geen banden meer heb, dan is de weemoed pijnlijk ambivalent: ik heb alles met deze straten en tegelijkertijd niets. Het stadje heeft iets warm betrouwbaars en tegelijkertijd iets koel onverschilligs, zoals het daar onveranderd ligt, vanaf het spoor gezien – de molen aan de rivier, de spitse kathedraal, de koepelgevangenis, waarin ik altijd een enorme ijzeren borst heb gezien.

In die koepelgevangenis verblijven momenteel driehonderd vluchtelingen. Het merendeel komt uit Syrië. Over een van hen, de 54-jarige Hassan, maakte de Haarlemse regisseur Jiska Rickels een korte film voor De Correspondent. Hassan komt uit de stad Hama, nabij het verwoeste Homs, en is zonder zijn gezin naar Nederland gevlucht. De korte film bestaat uit fragmenten van de audio- en videocommunicatie die hij met zijn vrouw en kinderen heeft. Met Hassan gaat het beter, horen we hem zeggen, hij boekt vooruitgang met zijn procedure. Maar voor zijn gezin wordt het steeds gevaarlijker in hun thuisstad.
Uiteindelijk verlaten de vrouwen hun woning. Voor de doodzieke dochter van Hassan is in de huidige oorlogsomstandigheden geen behandeling mogelijk. Ze moeten vluchten, wil ze het overleven. De dochter filmt het vertrek met haar telefoon. Ze huilt, terwijl ze met de camera het appartementje aftast. ‘Kijk hoe ons huis geworden is, papa,’ zegt ze. ‘Alle muren zijn verdrietig. Hier is het bed waar we sliepen. Hier is de badkamer waar we douchten. Hier is onze keuken, waar mama zoveel lekkere dingen maakte.’
De tassen staan bij de deur. Er komt geen roze champagne aan te pas. Het huis, hun straat, ze zullen er binnenkort misschien niet meer zijn. De aanblik van hun stad – het prachtige middeleeuwse waterrad van Hama, een eeuwenoude moskee, een wirwar van straatjes en poortjes – zal misschien nooit meer hetzelfde zijn. Als ze het al ooit weer zullen zien.
Hassan, ondertussen, zit in Haarlem in zijn cel en wacht. Hij rookt nerveuze sigaretjes.

In zijn boekje The Nearest Thing to Life, een verkenning van de oorsprongen van zijn liefde voor literatuur, wijdt de Brits-Amerikaanse criticus James Wood een slothoofdstuk aan thuisloosheid. Hij haalt het essay ‘Reflections on Exile’ van Edward Said aan, waarin deze verschillende soorten thuisloosheid identificeert. Er zijn migranten, vluchtelingen, expats en ballingen. Ballingschap is het meest tragisch, volgens Said, het houdt verband met de oeroude straf van verbanning. Het is een essentiële, afgrijselijke ervaring, meent hij, die nooit helemaal verdwijnt. Hoe goed de balling het ook zal doen in het leven, hij zal zich ten diepste altijd verwond en ontheemd voelen.
Je kunt je afvragen waarom Said onderscheid maakt tussen vluchteling en balling. Een vluchteling zoals Hassan is in wezen ook verbannen uit zijn woonplaats. James Wood, sterker nog, wil aantonen dat de categorieën van thuisloosheid die Said onderscheidt meer in elkaar overlopen in de huidige wereld en universeler zijn dan je zou denken. Zelf kent hij, als vrijwillige migrant van Engeland naar Amerika, een paradoxale mengeling van allerlei gevoelens over ‘thuis’. ‘It is possible to miss home terribly, not know what home really is anymore, and refuse to go home all at once,’ schrijft hij. Deze ‘luxe’ vorm van thuisloosheid lijkt in de eerste plaats mijlenver verwijderd van de diep tragische variant waar Said het over heeft. Woods ontheemdheid is niet tragisch en lijkt ook niets te maken te hebben met de gruwelijke verbanning van hele volkeren, die hij gelukkig is misgelopen. Maar waar hij aan wil raken is desalniettemin een vorm van verlies. Dat gevoel van verlies, zo blijkt, kan zelfs in zo’n verdunde, luxueuze, misschien zelfs mooie en begerenswaardige variant intense ervaringen opwekken.
Het is niet zozeer het feit dat Hassan uit Hama in mijn oude thuisstad Haarlem terechtgekomen is waardoor ik me meer met zijn lot verbonden zou moeten voelen. Het is het feit dat ik een oud, verloren thuis heb en weet hoe de onaangetaste versie ervan voelt – vervreemdend en veilig, goddank. Wat Woods term ‘seculiere thuisloosheid’ moet benadrukken is hoe immigratie in onze tijd complexer, amorfer, wijder verbreid en universeler is dan ooit. Iedereen kan zich ermee identificeren, iedereen moet zich ermee identificeren.
De globale literatuur die de laatste decennia is ontstaan – en die door sommigen gehekeld wordt uit angst voor eenheidsworst – draagt volgens Wood juist bij aan begrip van migratie, en de vervreemdingen die ermee samenhangen, als fundamenteel thema van deze tijd. Zijn boek is overigens om meer redenen de moeite waard. Het vestigt, zoals we dat kennen van James Woods eerdere werk, overtuigend de aandacht op dat wat het leven van anderen op papier bijna levend maakt: details. Structuren van muren, geuren in keukens, stadsaanzichten. De kleine, pijnlijke herinneringen waarvan alles aan elkaar hangt. Dat is waarmee Hassan en zijn familie het voorlopig moeten doen.