Een schrijver leest Gilles Deleuze

Vat de roman op als een machine, suggereerde de filosoof Gilles Deleuze Dirk van Weelden toen hij begon met schrijven. Een machine die het vermogen heeft lezers in beweging te brengen. Voor Van Weelden ligt de kracht van het literaire in het onpersoonlijke; schrijven is een manier om te ontkomen aan de krachten die je boven het hoofd gegroeid zijn.

Eeuwig ongemakkelijk, dat is de verhouding tussen literatuur en filosofie. Al snel hebben schrijvers kromme tenen wanneer filosofen doorzagen over wat ze ontdekken aan verbanden en dieptes in deze of gene dichter of schrijver. En wanneer schrijvers zich bevlogen uitlaten over hun lectuur van filosofen en beweren die in hun boek te verwerken, doen filosofen vaak of hun neus bloedt. En toch bestaat er een onmiskenbare, innige band tussen beide en is er een gelukkiger wederzijds contact denkbaar.

Ik kan er een sprekend voorbeeld van geven. En dat heeft alles te maken met de filosoof in kwestie, Gilles Deleuze, die door velen gewantrouwd wordt omdat hij ijskoud beweert dat als het om ware uitspraken over de wereld gaat, de wetenschap, de filosofie en de kunst gelijkwaardig zijn. Ze gaan anders te werk, hanteren andere spelregels om greep op de werkelijkheid te krijgen, maar een onderlinge rangorde is er niet. De ontdekkingen die de wetenschap, de filosofie en de kunst doen zijn heel verschillend, maar alle drie creatieve coproducties van mens en wereld, en bovendien permanent in ontwikkeling. Dat schept speelruimte. Het gevolg is dat zijn geschriften voor ongeveer alle beroepsgroepen bruikbaar zijn. En zo zag Deleuze het graag, hij moedigde zijn lezers aan ze kriskras te lezen en te beschouwen als gereedschapskist voor vernieuwers, ontdekkers en uitvinders op alle vlakken.

Het verschijnen dit najaar van de eerste Nederlandse vertaling van Deleuzes bundel met essays over literatuur en filosofie uit 1993, onder de titel Kritisch en klinisch, bij Octavo, riep de vraag op wat die decennia durende lectuur van Deleuze en mijn schrijverij met elkaar te maken hadden. Las ik Deleuze toen ik filosofie studeerde? Nee dus.

Hoewel ik het tijdens mijn filosofiestudie zelden hardop durfde te zeggen verlangde ik ernaar mijn leven als dat van een schrijver te zien, een smalle, kronkelende weg de verte in. Waarom was ik dan filosofie gaan studeren? Allereerst uit leergierigheid, een zucht naar algemene ontwikkeling. Als ik Moby Dick las en in een voetnoot een verwijzing naar de ideeën over de natuur van Ralph Waldo Emerson las, wilde ik Emerson lezen. Hetzelfde gebeurde als ik ergens las dat de Standard Stoppages van Marcel Duchamp onderdeel uitmaakten van zijn spel met het cartesiaanse determinisme en de meetbaarheid van de wereld. Dan wilde ik meer weten van Descartes. Als liefhebber van Gerrit Krol en voormalig ruimtevaartenthousiast wilde ik meer begrijpen van het symbolisch coderen in digitale getallen, over flowcharts en programmeertalen en dus van symbolische logica. Omdat ik al vanaf de middelbare school intensief bezig was met beeldende kunst − het nieuw realisme, de arte povera, de pop-art en de nieuwe kunst die eind jaren zeventig ontstond −, wilde ik meer weten van Merleau-Ponty en de semiotiek. En aangezien ik was opgegroeid in de jaren zeventig, van tegencultuur, democratisering, terrorisme en Koude Oorlog, wilde ik eindelijk weleens zelf lezen en begrijpen hoe het nou zat met Marx en Bakoenin, met Marcuse en Lenin, en de begrippen utopie, ideologie en revolutie.

De tweede reden had al meer te maken met het schrijven: de enorme verscheidenheid, de onderlinge spraakverwarring en strijd tussen de filosofieën die over de duur van meer dan tweeduizend jaar waren ontwikkeld, schiep de ideale omgeving om me te ontworstelen aan de vanzelfsprekendheden van mijn opvoeding en opleiding, van mijn land. De levensbeschouwing, de normen en denkgewoontes waarin ik was opgegroeid hadden hun vanzelfsprekendheid verloren. Maar wat moest ik met dat gevoel? Ik zag het zo: mijn jonge, naïeve, levendige geest was verpakt in de zakjes, dozen en tubes die niet door mij of mijn ouders waren bedacht, maar die kant-en-klaar geleverd waren door godsdienst en kleinburgerlijke moraal, door dokters en opvoeders, door kooplui, wetenschappers en bureaucraten. Ik wilde snappen waar die vormen waarin mijn kijken en denken waren opgesloten vandaan kwamen. Hoe ze precies werkten. Wat was er daarbuiten? Hoe kwam ik af van al die oordelen die ik zelf maar half begreep? En waar kwam je terecht als je nieuwe vragen en vormen zocht voor je naïeve, levendige jonge geest?

Filosofie bekeek ik zoals ik literatuur bekeek: ik had voorkeuren en ‘afkeuren’, er waren denkwijzen die me koud lieten, andere die me fascineerden. Maar niemand hoefde het grote gelijk of de waarheid in pacht te hebben. Naar mijn stellige overtuiging bestonden die niet. Je vond ook niet dat Beckett Stendhals ongelijk bewezen had, toch? Of dat Fellini Rembrandt overbodig maakte. Filosofische theorieën waren ook het product van één of een paar historische individuen. Het zou absurd zijn één zo’n denkschema als norm te stellen voor overal en altijd.

En nu komt het vreemde: ook al waren er mensen om me heen die me attendeerden op het werk van Deleuze, ik las het niet. In Groningen, waar ik studeerde, vond niemand van de hoogleraren dat destijds een belangrijke denker.

Volgens mij vonden ze hem vooral verdacht en eng. Er waren vrienden die naar Amsterdam verhuisden om zulke filosofen te kunnen bestuderen. Ik bladerde en snapte wel hoe spannend het was, maar wachtte tot ik was afgestudeerd, op Foucaults gevangenisboek Surveiller et punir en zijn Archéologie du savoir. Tot ik in 1983, in de verpletterende stilte van een kamertje in het voormalige Wilhelmina Gasthuis, was overgeleverd aan mijn lot, mijn schriften en mijn schrijfmachine. Daar legde ik mezelf de plicht op om een uitvinding te doen: mijn eigen schrijven. Daar las ik Deleuze.

Ik wist dat het nog lang zou duren voordat ik iets zou kunnen schrijven dat leek op de literatuur die ik bewonderde; als ik daartoe al ooit in staat zou zijn. Niet dat dat een vraag was die mij destijds bezighield. Ik las en schreef vooral om mezelf als schrijvend wezen aan de gang te krijgen. Behalve dat ik verhalen, essays, prozagedichten en manhaftige pogingen tot romans schreef, zocht ik helderheid over de eigenaardige eisen die mijn verlangen stelde aan teksten die mij gelukkig zouden maken. Wat voor teksten waren het die van mij iemand maakten die ik wel wilde worden? Ik zocht naar fragmenten, patronen, klanken, mechanismes, kortom voorbeelden die konden dienen bij het opbouwen van een manier van schrijven waarin ik leven kon.

Ik verkeerde destijds in de veronderstelling dat het eindeloos vijlen aan de scherpe formuleringen die dat verlangen en die eisen beschreven, de begeerde teksten dichterbij zou brengen, omdat het gemakkelijker zou worden ze te schrijven. Dat bleek al snel een riskante veronderstelling. Alsof je met je verstand schrijft. De weg van droom naar daad zou veel minder zonnig en recht zijn dan ik toen dacht. Maar goed, in mijn jeugdige overmoed schreef ik in die tijd een zeer kort verhaal waarin ik een wensbeeld schetste. Daarin laat iedereen mij aan mijn lot over in een afgelegen huis, wat tot gevolg heeft dat de stemmen in mijn hoofd elkaar verstikken. Die situatie van betekenisloosheid door een overdaad aan ruis noem ik beestenzwijg en alles in mij komt ertegen in opstand. Uit zelfbehoud, als om aan een dodelijke ziekte te ontkomen, bouw ik in de schuur aan het huis uit stukken tekst een machine. Een uitvinding die ik meesterzwijg noem. De tekst schept een gelukkig uitwerkende verhouding tussen woorden en wat je niet kunt uitleggen. Het is een machine waarin je kunt rijden en als je erin door de wereld beweegt is alles anders. Trots duw ik hem de schuur uit, onder een stralende hemel. Vrienden en vreemden komen naar het huis en ze mogen bij toerbeurt plaatsnemen in het tuig en erin rondrijden. Allemachtig! Wat ze dan beleven!

Toen ik kort daarna voor het eerst iets van Gilles Deleuze las, zijn boekje Spinoza, la philosophie pratique, wist ik dat deze denker verwant was aan wat me voor ogen stond bij wat ik wilde schrijven. En dat ik bij hem meer van mijn gading zou vinden. Iemand die net als ik licht en beweging wil mobiliseren tegen zwaarte en duisternis. Stromend water zoekt tegen droogte en verstening. En dat klopte, al snel grasduinde ik door zijn oeuvre, plunderend en lerend, soms meewarig zuchtend. Het hield het midden tussen een leerzame rondleiding en het gebruik van een recreatieve drug. Wat geen van beide opleverde sloeg ik over.

Mijn lectuur van Deleuzes boeken is altijd onfilosofisch gebleven. De meeste indruk maakte hij door de manier waarop hij al schrijvend literaire auteurs las: Proust, Melville, Sterne, Beckett, Stein, Kerouac, Jarry, Kafka. Het was alsof hij onthulde hoe en waarom ik mij die boeken kon aantrekken als schrijver, waarom precies die boeken me zo gretig maakten en hielpen mijn eigen literaire uitvindingen te doen.

Bij Deleuze verschijnen literaire werken als assemblages van ongelijksoortigheden, en dan niet als willekeurige stapeling of soep, maar als systemen van taal, die iets doen. Ze werken. Het zijn misschien onvoltooide, gemankeerde, zichzelf beschadigende machines, maar het zijn machines. Al lezend breng je ze in beweging en door de taal, de beelden, de ritmes, de sprongen en verbindingen word je deel van een gestileerde beweging, een kunstmatige gebeurtenis. En omdat je bent ingesloten in een parallelle werkelijkheid, een versnelde en verhevigde versie van een mogelijke werkelijkheid, zegt alles wat erin op het spel staat, hoe bizar en onwaarschijnlijk ook, iets over de wereld waarin je leeft, over het leven dat je denkt te leiden. Dat stelt literatuur in staat het vertrouwde nieuw en vreemd te maken, verschrikkelijke waarheden te laten oplichten, zoals Hermans het noemde, en vooral ongedachte mogelijkheden te laten verschijnen.

De macht van literatuur schuilt er in deze manier van kijken in dat er geen regels zijn die de schrijver voor lief dient te nemen. Alle eigenschappen die een tekst kan hebben, kan hij gebruiken als spelregel en naar zijn hand zetten. Spreektaal, vertelschema’s, psychologische patronen, morele veronderstellingen, zelfs de regels van syntaxis en semantiek kan een schrijver verbuigen en verdraaien en als eigen spelregel inbouwen. Niet goed of kwaad, mooi of lelijk, werkelijk of onwerkelijk, maar de uitzonderlijkheid van wat er gebeurt, tussen jou en je leven, als je het leest, dat is het criterium.

Het mooiste is het als de sfeer en de vorm die de gebeurtenis in een literaire tekst heeft custom made is; dat wil zeggen ontworpen voor dit ene geval, tot in de details afgestemd op wat dit ene verhaal, deze roman, dit gedicht wil doen. Je stopt er als lezer je aandacht in en maakt iets mee dat je nergens anders kunt meemaken. Je laat er je leven, je kennis, je verlangens en angsten in vloeien en ze veranderen onder je ogen.

Ik heb altijd geprobeerd boeken te schrijven die voor de lezer een instrument zouden kunnen zijn. Een soort muziekinstrument om op te spelen. Mijn lievelingsbeeld is dat van een satelliet in een baan om het leven van de lezer, een ver vriendschappelijk zintuig, waarmee hij in intiem contact staat en dat hem in staat stelt iets te zien, denken en voelen, dat vanaf het oppervlak van het dagelijkse leven, waar het boek gelezen wordt, niet waarneembaar is. Dat kun je best een deleuziaans idee van literatuur noemen, geloof ik, en als gevolg ervan zijn al mijn romans behalve verhalen over queestes en liefdes, reizen en ruzies, kinderen, vriendschap en kunst, ook geknutselde assemblages, die te veel tegelijk doen, met rare uitsteeksels en panelen, antennes, mysterieuze vergezichten en mislukte experimentjes. Zoals het satellieten betaamt.

Deleuzes denkbeelden over literatuur, vooral die in Kritisch en klinisch, hebben me de afgelopen dertig jaar gesterkt in het geworstel met het monster van de fictie, oftewel het probleem dat schrijven onherroepelijk een séance is waarin de geesten uit je eigen ervaring en leven worden opgeroepen, hoeveel je ook verdringt, hoe ijverig je ook fantaseert en aan boeken, films en andermans verhalen ontleent. Zijn voorstel om de kracht van het literaire te zien in het onpersoonlijke heb ik altijd heel behulpzaam gevonden. Het ging er volgens hem om zo te schrijven dat personages en ervaringen geen afbeeldingen van iets particuliers en echts waren, maar ook geen symbolen voor iets algemeens of universeels. Ze moesten singulier, maar exemplarisch zijn; preciezer, een exemplaar van een soort die nog niet als soort beschreven was. Een nieuw ‘een’. Dat bevrijdt de schrijver van de zinloze en hinderlijke vraag waar of wat zijn Ik is als hij schrijft, wat zijn verbeelding over zijn persoon verraadt, of niet alles een gevolg is van een psychologisch defect of een onbewust effect van een oedipaal verlangen.

Dat heb ik altijd ter harte genomen: de schrijver schrijft vanuit datgene waar hij last van heeft, wat hem boven het hoofd groeit; waar hij letterlijk of figuurlijk ziek van wordt, maar dat gaat het beste als hij dat alles niet persoonlijk opvat. Ieder mens is maar een knoop in het weefsel van de wereld, tenslotte. Niet het afbeelden maar het afschudden van die ziekte is wat het schrijven aandrijft. Wat hij schrijft is geen expressie van zijn neuroses, ervaringen, zijn liefdes en avonturen, maar een manier om door het schrijven iemand te worden die ontkomt aan de krachten die hem boven het hoofd gegroeid zijn.

Dat betekent niet dat literatuur uitsluitend succesvolle genezingen, ontsnappingen en bevrijdingen beschrijft. Meestal is het tegendeel het geval, maar hoe haperend, catastrofaal, verknipt of bevreemdend literatuur ook is, dat er met de literaire tekst een primaire impuls van verzet tegen de verbijsterende, ziekmakende omstandigheid op gang komt, en dat je, al lezend, deelgenoot bent van de nadering van een toestand die vrijer, gelukkiger, waardiger is, dat geeft altijd kracht. Met die beweging, hoe klein, tastend, soms tragisch ook, wordt nieuwe ruimte geschapen. En dat je dat kunt doen door zesentwintig letters te gebruiken, en laat gebeuren in het binnenste van lezers, in die onbereikbaar intieme ruimte van hun lezende brein, terwijl jij er niet eens bij bent... dat is een machtig wonder, iets toverachtigs.

Een van de bekendste denkbeelden van Deleuze over literatuur is dit: een schrijver, of hij het nou zo bedoelt of niet, is in feite bezig een taalwereld te bouwen die van zijn lezers een nieuw volkje maakt, een verbond dat er nog niet was, een stam van mensen die iets delen, samen iets ‘zien’, dat pas zichtbaar/hoorbaar/denkbaar kon worden met dit werk. Het eigene van literatuur lijkt onmogelijk zonder twee gelijktijdige en schijnbaar tegenstrijdige neigingen. De schrijver neemt afstand van de groep, de wereld waarin hij leeft, soms noodgedwongen, als verstotene. Hij kijkt er als een vreemde naar en zondert zich af in een eigen parallelle wereld, een eigen taal. Vaak is die taal gemankeerd in de ogen van de heersende norm; stamelend, verward, overspannen, obsceen, het kan van alles zijn. Maar in die eigen taal gedraagt de schrijver zich ziek en zelfgenezend tegelijk. Afzijdig en vriendschap zoekend in dezelfde beweging. Hij zal zijn kennis, zijn persoonlijkheid en zijn geschiedenis verdraaien en gebruiken om een waarheid die hij in eenzaamheid heeft verkend, epidemisch en exemplarisch te maken.

Deleuzes idee van het stam-stichtend effect van literatuur is iets dat me dierbaar is, dat ik uit eigen ervaring ken. Het is een machtig en over de hele wereld werkzaam fenomeen. Is het niet alsof je er een broer bij krijgt als je op reis in een wildvreemde een medelezer en bewonderaar van die ene korteverhalenschrijver ontmoet? Die zit in hetzelfde team, qua levensgevoel en oor voor schoonheid als jij! Het verlangen dat ik in die scène de schrijver zou zijn, wiens werk die twee reizigers opeens verbindt, dat is wat schrijven enige ‘zin’ geeft.

Maar het is ook een idee waaraan ik hevig twijfelen kan en waarin ik soms het geloof verlies. Want hoe werkelijk en mooi die afzijdige, via eigenzinnige omwegen werkende manier om gemeenschap te zoeken ook is, toch twijfel ik weleens aan het belang ervan of wanhoop ik eraan ooit iets te kunnen schrijven dat zo werkt en gelezen wordt.

Die worsteling steeds dat volk-stichtende micro-effect te zoeken, er trouw aan te blijven en het geloof erin niet te verliezen, is vanaf het allereerste begin onderdeel van alles wat ik schrijf. Vaak kan ik er niet omheen om er beelden en personages voor in het leven te roepen. In vijf van de acht romans die ik schreef zijn de hoofdpersonen bezig een stam of microvolkje te stichten, niet met de vreemden die lezers zijn, maar met vrienden. Dat doen ze door het delen van een gezamenlijk gevulde database (de wereldwijd opererende Presence Foundation in Tegenwoordigheid van geest), door elkaar te schrijven en een netwerk van over de wereld verspreide huizen met elkaar te delen (in Mobilhome), door elkaar verhalen te vertellen om de draadloze verbinding tussen de verschillende werelden die ze bewonen in stand te houden (in Orville), door samen de geschiedenis en cultuur voor een zwervend volk te bedenken en te maken, oftewel zo’n volk te worden (in de utopische roman Het Middel) of door met één ander samen een virtueel schrijvend leven te leven (in Het Laatste Jaar). Let wel, ze proberen het, oftewel die pogingen draaien uit op pijnlijke mislukkingen of blijven tragikomische ondernemingen.

En iedere keer weer als ik aan een boek werk voelt het alsof ik mezelf als schrijver moet uitvinden. Alsof ik iedere keer opnieuw de vorm, de stijl, het geluid moet vinden die voor dit ene boek kloppen. En vandaar dat mijn boeken in opbouw en toon sterk verschillen. Het is steeds een eerste keer. Alsof ik debuteer en opnieuw schrijver moet worden. Dat heeft er ook mee te maken dat ik van mezelf blijk te eisen dat de functie die het schrijven in mijn leven inneemt, en die met het verstrijken van de jaren uiteraard ingrijpend verandert, een belangrijk deel van het boek uitmaakt. Het klinkt gemakkelijker dan het is, het is al lastig om er een helder en eerlijk beeld van te krijgen, laat staan om er een soepele, natuurlijke gedaante voor te vinden in een boek.

Ik ben er lang geleden mee opgehouden de worstelende en wankelmoedige houding waarmee ik het schrijven bedrijf als een gebrek of handicap te beschouwen. Mijn natuurlijke habitat is blijkbaar dat grensgebied waar ik struin, pieker en speel. Het levert misschien geen vlotte en ‘mooie’ boeken op, maar het is de enige manier waarop ik het kan. Het komt voort uit een ziekte waarvan ik mezelf schrijvend genees, en volgens mij is die ziekte verre van zeldzaam en ongeveer zo besmettelijk als de mazelen.

Deleuze schrijft in Kritisch en klinisch dat er in de strikte zin van het woord maar heel weinig schrijvers zijn. Zoiets zegt Johan Cruijff altijd als hij achteloos en vaak onopgemerkt een principieel onderscheid maakt tussen spelers en voetballers. Davy Klaassen is een goede speler, Messi is een voetballer. Ik ben nu al bijna dertig jaar, door het schrijven van romans, essays en verhalen, bezig een schrijver te worden. Dat is nou een keer het belangrijkste wat ik denk te moeten doen. Maar om eerlijk te zijn, maakt het me inmiddels niet veel meer uit of ik het ooit zal zijn.